Noot bij ECLI:NL:HR:2006:AU3490 - afstand aanwezigheidsrecht

Auteur(s): Bron:
  • Nederlands Juristenblad, NJB 2006/662, Wolters Kluwer

Samenvatting

In cassatie blijkt dat in eerste aanleg de zaak ten onrechte bij verstek is behandeld omdat de verdachte in een andere zaak in verzekering was gesteld. Berechting op tegenspraak in hoger beroep kan dit verzuim herstellen. Ook daar is zaak bij verstek behandeld. In casu kon worden aangenomen dat verdachte alsnog afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, nu hij zich zonder bekend adres had laten uitschrijven.

1

Hoever gaat de zorgplicht van de verdachte om zich voor Justitie bereikbaar te houden? Als de inleidende dagvaarding in persoon is betekend, dan mag van de verdachte gedurende de gehele procedure de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke activiteit worden verlangd om van het verdere verloop op de hoogte te blijven. Doet hij dat niet, dan moet hij op de blaren zitten. Dan loopt hij het risico dat de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt afgedaan. Dat is het standpunt van de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest uit 2002 (HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken). Maar is dat standpunt ook in alle gevallen redelijk?

In de casus van het hierboven afgedrukte arrest van de Hoge Raad bleek de verdachte op de hem bekende zittingsdatum in verzekering te zijn gesteld, terwijl de politie ondanks herhaaldelijk verzoek geen medewerking verleende aan het verwezenlijken van zijn aanwezigheidsrecht door hem op de zitting te krijgen of hem minstgenomen in de gelegenheid te stellen om aanhouding te vragen. Omdat inverzekeringstellingen bij een aan de zitting voorafgaande VIP-toets onopgemerkt blijven, was de verhindering van de verdachte niet bij OM en rechter opgevallen. De zaak werd bij verstek behandeld. Via het huis van bewaring stelde de verdachte hoger beroep in, maar na zijn invrijheidstelling liet hij zich bij het GBA uitschrijven zonder een ander adres achter te laten.

Het cassatiemiddel klaagt erover dat het hof tijdens de behandeling van het appèl, waar eveneens verdachte noch raadsman verscheen, geen onderzoek had ingesteld naar de juistheid van de beslissing van de eerste rechter en de zaak wederom bij verstek had afgedaan. De Hoge Raad verwijst opnieuw naar de eigen zorgplicht van de verdachte die met zijn strafzaak bekend was en laat 's hofs arrest in stand.

2

Deze zienswijze verbaast. Neemt de Hoge Raad het aanwezigheidsrecht van de verdachte niet steeds meer serieus? En is het appèl niet een procedure bij uitstek om zaken die in eerste aanleg fout gingen te herstellen? Zeker als het niet verschijnen van de verdachte is toe te rekenen aan een verwijtbare fout van de overheid? In andere strafzaken werd een fout vanwege een overheidsinstantie (het verschaffen van onjuiste informatie) niet in het nadeel van de verdachte uitgelegd en mocht de rechter niet aannemen dat de verdachte vrijwillig afstand van zijn aanwezigheidsrecht had gedaan (HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8094, NJ 2006, 180 en HR 13 juni 2006, NS 2006, 261). Waarom in deze zaak dan wel?

Doordat de verdachte in onze strafzaak persoonlijk op de hoogte van de (eerste) zitting was gebracht, verschilt zijn positie met die in bekende Italiaanse verstekzaken (zoals Colozza, Sejdovic), omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte in die zaken überhaupt van de tegen hem ingestelde vervolging op de hoogte was. In zo'n situatie moet de verdachte volgens het Straatsburgse Hof de mogelijkheid hebben om zijn zaak te heropenen en mogen aan hem geen onredelijke eisen worden gesteld vooraleer hoger beroep mag worden ingesteld.

In onze strafzaak zegt de Hoge Raad met zoveel woorden dat een in eerste aanleg gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte om bij de berechting aanwezig te zijn ‘in elk geval’ kan worden hersteld door een behandeling in hoger beroep in zijn aanwezigheid (r.o. 3.6). Inderdaad, behalve dan in het geval dat de verdachte verzuimd heeft de in het maatschappelijke verkeer gebruikelijke maatregelen te nemen, bijv. om bij het uitschrijven uit het GBA niet zijn nieuwe adres te vermelden (r.o. 3.7).

Is het in een dergelijk geval nou zo veel moeite om tenminste even te onderzoeken wat er precies was, zeker nu uit de appèlakte bleek dat de verdachte ten tijde van het instellen van hoger beroep gedetineerd was (HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 136, onlangs bevestigd in HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6283, NJ 2006, 385, JIN 2006/414 m.nt. Silvis)? Bovendien waren er in onze casus aanwijzingen dat, hoewel de verdachte geen recent adres had opgegeven, ook de overheid niet vrijuit ging. Had de appèlrechter, wel wetende dat de verdachte in verzekering was gesteld, niet kunnen nagaan of hij van de politie de gelegenheid had gekregen, rechtstreeks of via zijn raadsman, om aanhouding te verzoeken (zoals wel werd geëist in HR 20 juni 2006,  ECLI:NL:HR:2006:AV6197, NJ 2006, 357)? Nu camoufleert het latere geconstateerde verzuim van de verdachte (geen nieuw adres opgegeven) het eerdere eigen falen van de overheid (stilzitten tijdens inverzekeringstelling). De verdachte wordt een fout kennelijk harder aangerekend dan wanneer de overheid een fout begaat, zelfs als die ernstiger is.

Dan rijst de vraag: hoe groot is de tolerantie van de Hoge Raad bij het accepteren van door autoriteiten gemaakte fouten? In een andere zaak bleek dat de (gemachtigde) raadsman ten onrechte geen verdediging had mogen voeren, zelfs in het geheel niet het woord had mogen nemen, en toch zag de Hoge Raad geen reden om een nieuwe berechting in eerste aanleg toe te staan (HR 5 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0187, NJ 2004, 686). Berechting in twee instanties impliceert kennelijk geen verdediging in twee instanties, ook niet als autoriteiten in gebreke zijn gebleven. Is de Hoge Raad op dit punt minder soepel geworden? Immers anders: HR 7 juli 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442, NJ 1996, 557 en HR 2 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1417, NJ 1999, 296, waarin het verwijtbaar ontbreken van rechtsbijstand in eerste aanleg wel reden was om de zaak opnieuw in eerste instantie te laten berechten.

3

Het lijkt erop dat de Hoge Raad in die zaken, waarin de wens van de verdachte ten aanzien van zijn aanwezigheidsrecht niet terstond duidelijk is, het verdedigingsbelang iets te snel ondergeschikt maakt aan het belang bij een efficiënte strafrechtspleging.

Misschien moet het justitiële apparaat maar accepteren dat niet alle zaken tot een onherroepelijke uitkomst kunnen leiden en dat er altijd een klein plankje zwevende, niet executeerbare vonnissen zal overblijven. Omdat er nog andere, even hoge belangen zijn.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:HR:2006:AU3490 - afstand aanwezigheidsrecht

Auteur(s)

Tom Schalken

Bron

Nederlands Juristenblad, NJB 2006/662, Wolters Kluwer

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT456:1