Het vergeetrecht vijf jaar later

Auteur(s): Bron:

Samenvatting

Zo een vijf jaar geleden wees het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest in de zaak van Google Spain tegen Mario Costeja González. Daarin erkende het rechtscollege het recht om te worden vergeten. Als er met behulp van een internetzoekmachine wordt gezocht op de naam van iemand, moet in voorkomend geval worden overgegaan tot verwijdering van de zoekresultaten die verwijzen naar webpagina’s waarop bepaalde informatie over deze persoon is te vinden. Dit op grond van de verwijder- en verzetsrechten waarin wordt voorzien door de privacywetgeving, indertijd de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en inmiddels, vanaf 25 mei 2018, de Algemene Verordening Gegevensbescherming ( AVG ).*

1 Aanleiding

Er is veel gebeurd sindsdien. Er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van het vergeetrecht.[1] In ongeveer de helft van de gevallen voldoet de zoekmachine aan verzoeken van individuen (in het jargon: ‘betrokkenen’) om over te gaan tot verwijdering van de zoekresultaten als er wordt gezocht op de naam van iemand. Over de gevallen waarbij de zoekmachine niet voldoet aan zo een verzoek wordt ook nogal eens geprocedeerd.[2] Uit deze rechtspraak blijkt dat rechters soms worstelen met het vergeetrecht en af en toe op heel eigen wijze daarmee omgaan. In deze bijdrage ga ik daarop in.

Voor deze bijdrage heb ik in het uitsprakenregister van Rechtspraak.nl gezocht naar uitspraken van nationale rechters over het vergeetrecht. Ik vond er meer dan dertig en bespreek daarvan iets minder dan de helft. Ik kan helaas niet met zekerheid zeggen dat de door mij gevonden rechtspraak alle voor het vergeetrecht relevante uitspraken betreft – aangezien er per saldo nog steeds minder dan drie procent (!) van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd[3] – maar omdat het rechtsgebied nog volop in ontwikkeling is, verwacht ik dat eigenlijk wel.[4]

Als we door deze uitspraken heengaan zien wij hoe feitenrechters in Nederland tot dusver zijn omgegaan met verwijderverzoeken. Er vallen een aantal dingen op en daarvan bespreek ik er drie.

- Zo zijn rechters, vooral vanwege de belangrijke maatschappelijke functie van zoekmachines, terughoudend met het tegemoetkomen aan vergeetverzoeken, wat enigszins op gespannen voet lijkt te staan met het Costejaarrest (paragraaf 2). 

- Ook blijkt op enig moment het verwerkingsverbod voor bijzondere gegevens betekenis te krijgen, als gevolg waarvan deze terughoudende benadering onder druk komt te staan en het in voorkomende gevallen toch onvermijdelijk blijkt om tegemoet te komen aan vergeetverzoeken (paragraaf 3).

- Verder blijkt in een aantal uitspraken, zij het met enige moeite, gebruik te worden gemaakt van een uitzondering op dit verwerkingsverbod, te weten de uitzondering voor verwerkingen met journalistieke doeleinden – dit omdat, als er sprake is van dergelijke doeleinden, het verwerkingsverbod voor bijzondere gegevens niet geldt (paragraaf 4).

Ik sluit af met een korte beschouwing van een en ander, ook in relatie tot de gewijzigde situatie na het van kracht worden van de AVG, en doe een voorstel om het vergeetrecht beter te laten aansluiten op wat daarvan wordt verwacht of ten minste mag worden verwacht (paragraaf 5).

2 Terughoudendheid

In de eerste uitspraken van lagere rechters in Nederland over het vergeetrecht ging het vooral om de afweging van enerzijds het individuele privacybelang van de verzoeker om niet meer te kunnen worden gevonden met behulp van bepaalde zoektermen en anderzijds de belangen van de zoekmachine, en de gebruikers daarvan, om relevante informatie wél op het internet te kunnen terugvinden. In deze belangenafweging komt onder meer gewicht toe aan het maatschappelijke belang van zoekmachines en de rol in het openbare leven van degene die het vergeetverzoek doet.

2.1 Het maatschappelijk belang van zoekmachines

In veel uitspraken wordt, evenals trouwens in het Costeja-arrest, vooropgesteld dat internetzoekmachines een belangrijke maatschappelijke functie hebben doordat ze informatie wereldwijd toegankelijk maken voor internetgebruikers. Echter, waar het Hof van Justitie zoekmachines vooral lijkt te zien als middel om inbreuk te maken op de rechten van individuen,[5] wordt deze maatschappelijke functie in de lagere rechtspraak juist opgevat als een overweging om terughoudend te zijn bij het opleggen van beperkingen aan internetzoekmachines en het tegemoetkomen aan vergeetverzoeken. We zien dat allereerst in twee al wat oudere uitspraken van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam.[6]

In een uitspraak van 18 september 2014, dus al vier maanden na het Costejaarrest, vordert verzoeker de verwijdering door Google van de zoekresultaten die verwezen naar publicaties over een zaak waarin hij was veroordeeld voor een ernstig misdrijf. Het uitgangspunt bij verwijderingsverzoeken is, zo overweegt de voorzieningenrechter, dat:

‘…terughoudendheid is geboden bij het opleggen van beperkingen aan de werking van een zoekmachine als Google Search. Zoekmachines als Google Search vervullen immers een belangrijke maatschappelijke functie. Het internet bevat een onmetelijke hoeveelheid informatiebronnen, waaronder een onvoorstelbaar groot aantal websites. De inhoud van het internet verandert bovendien per seconde. Zoekmachines helpen de internetgebruiker in deze oceaan van informatie bij het zoeken naar de informatie waarnaar hij/zij op zoek is. Verder is van belang dat zoekmachines zonder menselijke tussenkomst functioneren, in die zin dat de zoekresultaten via een geautomatiseerd systeem volgen op door de internetgebruiker ingevoerde zoektermen. De functie van catalogus, die de zoekmachine in feite is, zou ernstig worden belemmerd indien strenge beperkingen aan de werking ervan zou worden opgelegd en daarmee zou de zoekmachine aan geloofwaardigheid inboeten.’

Eenzelfde terughoudende benadering komt naar voren in een uitspraak van 12 februari 2015. Daarin ging het om een partner bij KPMG die had verzocht om de verwijdering van de zoekresultaten die verwezen naar publicaties over een conflict dat hij had met een aannemer over de verbouwing van zijn huis, als gevolg waarvan hij enkele maanden in (of nabij) een container had moeten wonen. De voorzieningenrechter begint haar beoordeling met vrijwel dezelfde overweging over het maatschappelijk belang van zoekmachines en gaat vervolgens uit van het beoordelingskader voor onrechtmatige perspublicaties, en overweegt ten slotte dat het vergeetrecht niet is bedoeld om dit te omzeilen. En evenmin om onwelgevallige maar niet onrechtmatige artikelen aan het zicht van het publiek te onttrekken via de omweg van een verwijderingsverzoek aan een internetzoekmachine:[7]

‘Indien eiser een inhoudelijke toetsing wenst van een artikel dat via een zoekopdracht vindbaar is staat het hem vrij het medium dat over hem heeft bericht aan te spreken. In zo’n procedure kan het bestaande juridisch beoordelingskader voor onrechtmatige perspublicaties worden toegepast, waarin onder meer wordt gewogen in welke mate een bepaalde uiting steun vond in het beschikbare feitenmateriaal. Een beroep op artikel 36 en 40 Wbp [op basis waarvan gebruik kan worden gemaakt van het vergeetrecht] is niet bedoeld om die procedure te omzeilen. Het is evenmin bedoeld om onwelgevallige maar niet onrechtmatige artikelen via de omweg van een verwijderingsverzoek aan een zoekmachineexploitant aan het zicht van het publiek te onttrekken.’

In verschillende latere uitspraken blijft het uitgangspunt bij de beoordeling van vergeetverzoeken de ‘belangrijke maatschappelijke functie’ van zoekmachines hebben om internetgebruikers in staat te stellen de informatie te vinden waarnaar ze op zoek zijn.[8] Ik kom erop terug.

2.2 Andere dan privacybelangen

In het Costeja-arrest oordeelde het Hof van Justitie dat het verwijder- of vergeetrecht van een individu doorgaans voorrang heeft op de belangen van internetgebruikers bij het terugvinden van informatie over dat individu. Echter, in ‘bijzondere gevallen’ kan dat anders zijn, afhankelijk van de aard en gevoeligheid van deze informatie en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die dit individu speelt in het openbare leven. Het Hof zei het zo:[9]

‘Weliswaar hebben in de regel de [privacy] rechten van de betrokkene tevens voorrang op dit belang van internetgebruikers, maar dit evenwicht kan in bijzondere gevallen afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt.’

De Hoge Raad maakt daaruit op dat privacyrechten in de regel zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, de economisch belangen van zoekmachines en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die toegang willen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten.[10]

In verschillende uitspraken wordt duidelijk dat feitenrechters in Nederland niet ervan lijken te zijn overtuigd dat privacybelangen inderdaad ‘in de regel voorrang hebben’ op de belangen van internetgebruikers bij het kunnen vinden van informatie over iemand. In de zo-even genoemde vergeetzaken uit 2014 en 2015, en in een aantal andere, hieronder te bespreken zaken uit de jaren daarna, heeft de rechter weinig moeite om meer gewicht toe te kennen aan andere belangen. Als het gaat om de zoekresultaten die verwijzen naar de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker ziet de voorzieningenrechter in de in het voorgaande genoemde zaak uit 2014 eigenlijk alleen ‘in zeer uitzonderlijke gevallen’ ruimte om tegemoet te komen aan het verwijderverzoek. In deze zaak gaat het om iemand die is veroordeeld voor een ernstig misdrijf en over het verwijderen van verwijzingen naar de berichtgeving daarover. De rechter overweegt als volgt:[11]

‘De veroordeling voor een ernstig misdrijf zoals het onderhavige en de negatieve publiciteit als gevolg daarvan zijn in het algemeen blijvend relevante informatie over een persoon. De negatieve kwalificaties die daarbij kunnen voorkomen zullen slechts in zeer uitzonderlijke gevallen “buitensporig” of “onnodig diffamerend” zijn. Gedacht zou kunnen worden aan de situatie dat het gepleegde feit zonder duidelijke aanleiding opnieuw aan de orde wordt gesteld met kennelijk geen ander doel dan de betrokkene te schaden of de situatie dat niet zozeer van zakelijke berichtgeving sprake is, maar van een “scheldpartij”.

Ook in de al genoemde zaak uit 2015 over de KPMG-partner die enige tijd in een container moest wonen stelde de voorzieningenrechter voorop dat meer gewicht moet worden toegekend aan andere dan privacybelangen: [12]

‘Zoals eerder overwogen is het “verwijderingsrecht” een uitzondering op het algemene uitgangspunt op het recht van Google Inc. op informatievrijheid, waaraan strenge eisen worden gesteld. Dat eiser het onprettig vindt om steeds door kennissen of zakelijke contacten te worden geconfronteerd met de “container-kwestie” is goed voorstelbaar. Het weegt echter niet op tegen het recht van Google Inc. op informatievrijheid.’

Waar het gaat om de rol die iemand speelt in het openbare leven (‘public figure’) is het beeld genuanceerder. Zo een rol kan, zo blijkt uit het Costeja-arrest, met zich brengen dat dit individu géén beroep toekomt op het vergeetrecht. [13] Daarvan wordt echter niet al te snel uitgegaan. In een zaak uit 2016 stelt de Rechtbank Rotterdam vast dat advocaten weliswaar een belangrijke rol in het maatschappelijk verkeer spelen, maar dat daarmee nog niet is gezegd dat er altijd sprake is van een zodanige maatschappelijke rol dat het publiek belang heeft om ervan kennis te kunnen nemen dat een advocaat strafrechtelijk is veroordeeld:[14]

‘Hoewel een advocaat een belangrijke rol speelt in het maatschappelijke verkeer door het verlenen van juridische bijstand, gaat het de rechtbank te ver om ervan uit te gaan dat iedere advocaat een zodanige maatschappelijke rol heeft dat het publiek steeds belang heeft om ervan kennis te kunnen nemen dat een advocaat strafrechtelijk is veroordeeld.’

In deze zaak was er geen enkele relatie tussen enerzijds het strafbare feit waarvoor een advocaat was veroordeeld (te weten: verboden wapenbezit) en anderzijds zijn professionele werkzaamheden (nl. zakelijke contractenpraktijk). Om deze redenen vond de rechter dat deze advocaat wél kon verlangen dat de zoekresultaten die verwezen naar zijn veroordeling werden verwijderd.

Van een publiek persoon is volgens de Rechtbank Amsterdam in 2017 géén sprake in een zaak waarin het ging om een succesvolle ondernemer met een sportschool en een sportschoenenwinkel. Daaraan deed niet af dat deze ondernemer ‘mogelijkerwijs bewondering geniet’ en in eigen beheer pokertoernooien had georganiseerd. En evenmin dat hij wel werd genoemd in verband met een in opspraak geraakte politicus uit Malta:[15]

‘Vast staat dat [eiser] geen publieke functie heeft. Het enkele feit dat hij een sportschool en een sportschoenenzaak bezit is onvoldoende om hem aan te merken als “public figure”. Dat [eiser] mogelijkerwijs bewondering geniet voor zijn zakelijk succes als ondernemer en het feit dat hij in eigen beheer pokertoernooien organiseert maken dat niet anders. Ook brengt de omstandigheid dat de naam van [eiser] wordt genoemd in verband met een Maltese politicus die in opspraak is geraakt niet mee dat hij daardoor (ook) een “public figure” is geworden.'

Het lijkt erop dat het er vooral om gaat of iemand ervoor heeft gekozen om een rol te spelen in het publieke leven. Dit blijkt onder andere uit een zaak uit 2018 waarin het gaat om een vergeetverzoek van een ondernemer met een op charitatieve fondsen gericht communicatiebureau, en een acupuncturist die lid was van de Raad van Advies voor de Nederlandse Patiëntenvereniging voor Acupunctuur. Er is volgens de Rechtbank Den Haag in deze zaak wél sprake van publieke personen. Van belang daarbij is dat de beide individuen ‘de publieke belangstelling over zichzelf hadden afgeroepen’ en dat er sprake was van een ‘actueel maatschappelijk debat’ waarin beide een rol spelen, zowel als voorwerp daarvan als deelnemer daaraan. Een van beiden was bovendien kandidaatgemeenteraadslid.[16]

Volgens de Rechtbank Midden-Nederland moet ook ‘een niet onbekende schrijver’ als publiek persoon worden beschouwd die nou eenmaal minder gemakkelijk gebruik kan maken van een vergeetrecht. Van belang daarbij is ook dat hij zelf uitgevers benaderde om zijn werken te publiceren.[17]

3 Verwerkingsverbod voor bijzondere gegevens

In zijn conclusie in de Costeja-zaak wees Advocaat-Generaal Jääskinen er al op dat internetzoekmachines in voorkomende gevallen zogeheten bijzondere categorieën van persoonsgegevens verwerken. Dit betreft persoonsgegevens waaruit politieke opvattingen, godsdienstige overtuigingen blijken, alsmede gegevens die de gezondheid of het seksuele leven betreffen of strafrechtelijke gegevens. Voor de verwerking van dergelijke bijzondere gegevens geldt een verwerkingsverbod.[18] Om deze reden zouden, zo overwoog de A-G, internetzoekmachines in veel gevallen niet meer kunnen voldoen aan de privacywetgeving. En dat zou volgens hem absurd zijn (‘a conclusion I would find absurd’). Om deze reden vond hij dat de zoekmachine toch niet zou moeten worden opgevat als verwerkingsverantwoordelijke.[19]

In de Costeja-zaak oordeelde het Hof van Justitie anders. Volgens het Hof moet de zoekmachine wél als verwerkingsverantwoordelijke worden aangemerkt voor zover het gaat om het verzamelen en indexeren van op internet bekendgemaakte gegevens en het in een bepaalde volgorde ter beschikking stellen daarvan.[20] Het ging in deze zaak niet om bijzondere gegevens en er was dus geen sprake van de door de A-G als absurd geduide uitkomst.[21] In veel andere, door lagere rechters te beoordelen zaken ligt dat anders. In het voorgaande werd al duidelijk dat vergeetverzoeken nogal eens betrekking hebben op de vindbaarheid van publicaties waarin wordt bericht over strafzaken.[22] De vraag is dan of er in deze zaken sprake was van strafrechtelijke gegevens, met als gevolg dat het verwerkingsverbod van toepassing zou zijn op de verwerking daarvan door een zoekmachine. Er zijn weliswaar uitzonderingen op dit verwerkingsverbod, maar daarvan zullen zoekmachines niet altijd zonder meer gebruik kunnen maken. De consequentie zou dan zijn dat in de zoekresultaten géén verwijzingen naar strafrechtelijke veroordelingen mogen worden opgenomen en evenmin naar berichtgeving over iemands gezondheid, politieke opvattingen of religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen – wat inderdaad in de woorden van de Jääskinen voor velen een absurde uitkomst zou zijn.

In de eerste vergeetzaken speelt het verwerkingsverbod nog geen rol. Dat verandert zo een twee jaar na het Costeja-arrest – er kan worden gesproken van 'de ontdekking' van het verwerkingsverbod omdat het eerder had kunnen worden gebruikt.[23]

Voor zover ik uit rechtspraak.nl kan opmaken wordt voor het eerst een beroep gedaan op het verwerkingsverbod voor bijzondere gegevens in de zo-even genoemde zaak uit 2016 over de voor verboden wapenbezit veroordeelde advocaat. In deze zaak ging het om een verzoek tot verwijdering van de zoekresultaten die verwezen naar een webpagina waarop werd bericht over de strafrechtelijke veroordeling van de advocaat. Volgens de Rechtbank Rotterdam moeten de zoekresultaten die verwezen naar berichten over deze veroordeling worden opgevat als strafrechtelijke gegevens. En daarvoor golden indertijd op grond van artikel 16 Wbp een verwerkingsverbod. In de uitspraak maakt de rechter er geen geheim van dat hij ongelukkig is met wat dat betekent. Het is, zo overweegt hij, ‘onvermijdelijk’ dat voor deze verwerking door de zoekmachine het verwerkingsverbod geldt:[24]

‘Hoewel de rechtbank zich bewust is van het vergaande praktische gevolg voor de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens door de exploitant van een zoekmachine, acht de rechtbank de conclusie onvermijdelijk dat er in dit geval sprake is van een toepasselijk verbod op de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens. De rechtbank acht derhalve het verzoek om Google te bevelen de verwijzing naar de weblinks die voortkomen uit de zoekopdracht naar de naam van verzoeker uit de zoekresultaten te verwijderen dan wel af te schermen, reeds hierom toewijsbaar.’

In enkele latere uitspraken legt de rechter uit wat wél en wat niet moet worden verstaan onder het begrip strafrechtelijke gegevens. In een zaak die eind 2016 speelde beoordeelt de Rechtbank Den Haag of er kan worden gesproken over dergelijke gegevens als het gaat om zoekresultaten van Google die verwijzen naar berichten waarin melding wordt gemaakt van een opsporingsonderzoek naar een voormalig vastgoedondernemer verdacht van hypotheekfraude. De rechtbank maakt daarbij, evenals het Hof van Justitie in het Costeja-arrest, een onderscheid tussen enerzijds de zoekresultaten waarop het verwijderingsverzoek zag, en anderzijds de webpagina’s waarnaar deze zoekresultaten verwezen. De rechtbank laat in het midden of deze webpagina’s al dan niet strafrechtelijke gegevens bevatten, maar stelt wel vast dat in elk geval de zoekresultaten niet als zodanig zijn aan te merken. Als de webpagina’s al strafrechtelijke gegevens bevatten is daarmee dus nog níet gezegd dat dit ook opgaat voor de zoekresultaten die daarnaar verwijzen. In de uitspraak van 12 januari 2017[25] zegt de rechtbank het zo:

‘[D]e rechtbank [is] van oordeel dat Google [...] geen strafrechtelijke persoonsgegevens […] heeft verwerkt. Er is immers geen sprake van het opnemen in de zoekresultaten van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij als een strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen. Evenmin kan worden gezegd dat de verwerking in de zoekresultaten voor [verzoeker] een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit oplevert. De hiervoor bedoelde zoekresultaten van de zoekmachine van Google brengen [verzoeker] namelijk op geen enkele wijze in verband met enig strafbaar feit.’

In een uitspraak zes weken later komt de Rechtbank Midden-Nederland tot eenzelfde uitkomst. Echter, anders dan in de zo-even genoemde uitspraak, maakt deze rechtbank in deze zaak geen onderscheid tussen zoekresultaten en de webpagina’s waarnaar deze verwezen. In de uitspraak van 20 februari 2017 stelt de rechtbank voorop dat het begrip strafrechtelijke gegevens op meer betrekking heeft dan strafrechtelijke veroordelingen, maar wel dat er sprake moet zijn van een ‘als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring’. En daaronder vallen in elk geval nog niet publicaties waarin iemand wordt beschuldigd van wanpraktijken in de sfeer van bedreiging, mishandeling en oplichting:[26]

‘Voor de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens […] is niet vereist dat er sprake is van een strafrechtelijke veroordeling. Wel dient er sprake te zijn van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van artikel 350 Wetboek van Strafvordering – kunnen dragen [...]. Maatstaf daarbij is dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan. De door [eiser] genoemde publicaties kunnen niet als een vorenbedoeld strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring worden aangemerkt. In deze publicaties gaat het immers om niet meer dan geuite beschuldigingen afkomstig van natuurlijke personen waarbij er geen enkel (justitieel) onderzoek heeft plaatsgevonden en waarvan de juistheid van de geuite beschuldigingen ook door [eiser] wordt betwist.’

Een klein jaar later volgt er een interessante, om niet te zeggen tamelijk spectaculaire ontwikkeling. Anders dan in de zo-even aangehaalde uitspraken van de Rechtbank Den Haag en de Rechtbank Midden-Nederland doet de Rechtbank Amsterdam in een uitspraak van 25 januari 2018 geen moeite om de reikwijdte van het begrip strafrechtelijke gegevens te bepalen (of: te beperken). In deze zaak gaat het om zoekresultaten die verwijzen naar publicaties waarin wordt bericht over een vastgoedinvesteerder die werd beschuldigd van oplichting, verduistering of fraude. Dergelijke gegevens zijn, zo overweegt de rechtbank, zonder veel omhaal, strafrechtelijke gegevens en voor de verwerking daarvan geldt een verwerkingsverbod. En omdat er geen uitzondering is waarvan de zoekmachine gebruik kan maken, betekent dit dat de zoekmachine gehouden is om te voldoen aan het verzoek om verwijdering van de zoekresultaten.[27]

Maar dat gaat dat de rechtbank te ver. Evenals in de uitspraken van deze rechtbank uit 2014 en 2015 wordt in de uitspraak verwezen naar de belangrijke maatschappelijke functie van zoekmachines, welke nog wordt benadrukt door deze te typeren als ‘een onmisbaar hulpmiddel’ voor internetgebruikers. Aan deze functie zou, overweegt de rechtbank, in belangrijke mate afbreuk worden gedaan als het verwerkingsverbod voor strafrechtelijke gegevens onverkort zou gelden voor zoekmachines. En dat zou, overweegt de rechtbank, niet goed te verenigen zijn met het algemene belang:[28]

‘[D]e vraag rijst of [het verwerkingsverbod] […] wel van toepassing is op (exploitanten van) zoekmachines. Een bevestigend antwoord op deze vraag heeft immers verstrekkende gevolgen voor Google en de door haar geëxploiteerde zoekmachine. Hierdoor zou Google zonder meer zijn gehouden tot inwilliging van verwijderingsverzoeken als het onderhavige. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan de belangrijke maatschappelijke functie van zoekmachine(s) in het wereldwijde internet. Dit bevat immers een letterlijk onmetelijke hoeveelheid informatiebronnen/data die bovendien voortdurend wordt aangevuld. Zoekmachines zijn in dit licht een onmisbaar hulpmiddel om de internetgebruiker behulpzaam te zijn bij het vinden van de informatie waarnaar hij/zij op zoek is. De vervulling van deze functie van een zoekmachine zou categorisch onmogelijk worden gemaakt voor zover het gaat om het vinden van publicaties waarin het publiek wordt ingelicht over strafrechtelijke persoonsgegevens betreffende medeburgers, indien het beroep van [verzoeker] op [het verwerkingsverbod van] artikel 16 Wbp zou slagen. Een zo categorische beperking is niet goed te verenigen met het algemene belang.’

Van belang daarbij acht de rechtbank dat inmiddels door de Franse Conseil d’Etat ‘in een niet onvergelijkbaar geval’ aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen zijn gesteld over de toelaatbaarheid van de verwerking van bijzondere gegevens, waaronder strafrechtelijke gegevens, door de internetzoekmachine Google. Deze vragen waren op dat moment nog onbeantwoord,[29] maar omdat de procespartijen de rechtbank niet hebben verzocht de beantwoording af te wachten, acht de rechtbank zich vrij om te anticiperen op het arrest van het Hof.[30]

De Rechtbank Midden-Nederland kan zich wel in de benadering van de Rechtbank Amsterdam vinden. In een zaak over een voormalig financieel adviseur die werd beschuldigd van faillissementsfraude, gaat deze rechtbank voorbij aan het argument dat de zoekmachine strafrechtelijke gegevens zou verwerken en daarom gebonden zou zijn aan het verwerkingsverbod daarvoor. In een overweging ten overvloede maakt de rechtbank de volgende opmerking:[31]

‘Het van toepassing verklaren van [het verwerkingsverbod van] artikel 16 Wbp op (exploitanten van) zoekmachines zou neerkomen op een verbod voor dergelijke (exploitanten van) zoekmachines om aan het publiek zoekresultaten te tonen van bronmateriaal met strafrechtelijke persoonsgegevens. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan de belangrijke maatschappelijke functie die zoekmachines in de huidige informatietijdperk vervullen door het ontsluiten van informatie op het internet, hetgeen mede gelet op het algemene belang onaanvaardbaar zou zijn.’

We zien vrijwel dezelfde overwegingen terug in een hand(je)vol uitspraken van de beide rechtbanken,[32] waaronder de zo-even al kort genoemde zaak over de ‘niet onbekende schrijver’ die had verzocht om verwijdering van de zoekresultaten die verwezen naar berichten waarin hij werd beschuldigd van plagiaat en het ten onrechte voeren van academische titels. Voor zover er daarbij sprake zou zijn van strafrechtelijke gegevens – in de berichten wordt vermeld dat er tegen deze schrijver bij de politie aangifte was gedaan – oordeelt de rechtbank dat het verwerkingsverbod in dit geval niet van toepassing is op zoekmachines.

Daarmee lijkt het vooralsnog vaste rechtspraak dat het verwerkingsverbod voor strafrechtelijke gegevens niet geldt voor zoekmachines. Dat is opvallend, al was het maar omdat de wet eigenlijk niet voorziet in een duidelijke grond daarvoor, tenzij deze misschien kan worden gevonden in de uitzondering voor journalistieke doeleinden.

In de volgende, voorlaatste paragraaf van deze bijdrage ga ik daarop in.

4 Journalistieke doeleinden

Om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met de informatievrijheid wordt bij nationale wetgeving voorzien in uitzonderingen voor verwerkingen met journalistieke, artistieke of literaire doeleinden.[33] In de Costeja-zaak kon het Hof van Justitie voorbijgaan aan het beroep van Google op deze zogenaamde media-exceptie. Wel overwoog het Hof dat het kan zijn dat een website wél, en een internetzoekmachine níet, van deze uitzondering gebruik kan maken.[34] Het voor sommigen nogal moeilijk te begrijpen gevolg is dat in de zoekresultaten géén verwijzingen mogen worden opgenomen naar op zichzelf wél rechtmatige webpublicaties.[35]

De desbetreffende overweging uit het arrest luidt als volgt:

‘Bovendien kan de verwerking door de redacteur van een webpagina, bestaande uit de publicatie van informatie betreffende een natuurlijke persoon, in voorkomend geval „voor uitsluitend journalistieke [...] doeleinden” zijn verricht en aldus krachtens artikel 9 van richtlijn 95/46 onder de uitzonderingen op de vereisten van deze richtlijn vallen, terwijl dit niet het geval is voor de door een exploitant van een zoekmachine verrichte verwerking. Aldus kan niet worden uitgesloten dat de betrokkene in bepaalde omstandigheden de [in de richtlijn gegeven verwijder- en verzetrechten] tegen deze exploitant kan uitoefenen, maar niet tegen de redacteur van deze webpagina.'

In zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017— dit betrof de zaak van de huurmoordenaar waarover eerder achtereenvolgens de Rechtbank en het Gerechtshof Amsterdam oordeelden[36] — leidt advocaatgeneraal Langemeijer uit deze overweging af dat het hof daarmee in feite heeft uitgesloten dat de zoekmachine een beroep kan doen op de uitzondering voor verwerkingen met journalistieke doeleinden. Aansluitende bij een bespreking van het Costeja-arrest in de vakliteratuur[37] komt hij tot de slotsom dat volgens het Hof van Justitie een zoekmachine géén beroep toekomt op deze uitzondering:[38]

‘Doordat het HvJ EU in genoemd arrest in feite heeft uitgesloten dat de exploitant van een zoekmachine met succes een beroep kan doen op de media-exceptie, staan exploitanten van zoekmachines volgens deze schrijvers voor de lastige keuze om hetzij [verwerkingsverbod voor bijzondere gegevens] te overtreden, hetzij ingrijpend te snoeien in zoekresultaten welke verwijzen naar internetpublicaties die een of meer ‘bijzondere’ persoonsgegevens in de zin van de Wbp bevatten.’

Ook de Rechtbank Overijssel zag het enkele maanden later zo. In een zaak waarin het ging om zoekresultaten die verwezen naar publicaties over een strafrechtelijke veroordeling in een zedenzaak oordeelde deze rechtbank dat de zoekmachine Google geen beroep kan doen op de uitzondering voor verwerkingen voor journalistieke doeleinden. Dit omdat, zo zegt de rechtbank:[39]

‘…het Hof in het Costeja-arrest heeft geoordeeld dat Google zich niet op de media-exceptie kan beroepen.’

Het Gerechtshof Den Haag ziet dit anders. In het hoger beroep van de voor verboden wapenbezit veroordeelde advocaat[40] neemt het hof de moeite om de desbetreffende overweging uit het Costeja-arrest nog eens goed en nauwkeurig te lezen. En, anders dan de zo-even aangehaalde conclusie, stelt het hof vast dat in het Costeja-arrest níet staat dat een zoekmachine zich nooit zou kunnen beroepen op de journalistieke uitzondering. Het Hof van Justitie heeft, zo legt het gerechtshof geduldig uit, onderbouwd waarom niet van een betrokkene kan worden verlangd dat hij, ter verwijdering van bepaalde zoekresultaten, zich ook tegelijkertijd wendt tot de website waarop de desbetreffende publicatie staat. Er moet, zo blijkt uit het Costeja-arrest, een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de verwerkingen door een webpagina of webredacteur en anderzijds de verwerkingen door een zoekmachine waardoor deze webpagina kan worden gevonden. Een effectieve rechtsbescherming verlangt dat een betrokkene de zoekmachine kan aanspreken, ook als de desbetreffende webpagina niet aanspreekbaar is. Om dit te onderbouwen heeft het hof erop gewezen dat het onder omstandigheden kan zijn dat de zoekmachine niet, en de webredacteur wél, beroep kan doen op de journalistieke uitzondering.[41]

Het hof zegt het zo:

‘Deze overweging [over de journalistieke uitzondering] dient evenwel te worden gelezen in het licht van de daaraan voorafgaande overwegingen […] waarin wordt vooropgesteld dat een verwijderingsbevel aan de exploitant van de zoekmachine kan worden gegeven zonder dat, kort gezegd, voordien of tegelijkertijd een verwijderingsbevel aan de redacteur van de webpagina hoeft te zijn/worden gegeven. Waarom dit laatste niet hoeft, wordt in de daarop volgende punten toegelicht […] met de opmerking dat de betrokkenen niet doeltreffend kunnen worden beschermd wanneer zij eerst of gelijktijdig van de webredacteurs de verwijdering moeten verkrijgen en […] met de hiervoor weergegeven overwegingen die naar het oordeel van het hof gezien de zojuist omschreven context aldus moeten worden verstaan dat het “in bepaalde omstandigheden” zo kan zijn dat de webredacteur zich op de journalistieke exceptie kan beroepen en de exploitant van de zoekmachine niet, in welk geval het niet mogelijk is om eerst of gelijktijdig een verwijderingsbevel tegen de webredacteur te verkrijgen.’

In een, in de voorgaande paragraaf al kort besproken uitspraak over de van oplichting, verduistering of fraude beschuldigde vastgoedinvesteerder overweegt de Rechtbank Amsterdam zich niet te kunnen vinden in dit oordeel van het gerechtshof. In zijn uitspraak van 25 januari 2018, en vervolgens in meer dan een handvol andere uitspraken van dezelfde rechtbank en die van MiddenNederland, onderkent de rechtbank dat het begrip van journalistieke doeleinden ruim moet worden uitgelegd.[42] Dit onder andere op grond van het Satamediaarrest van het Hof van Justitie, waarin was uitgemaakt dat gebruik kan worden gemaakt van de journalistieke uitzondering als het gaat om ‘de bekendmaking aan het publiek van informatie, meningen of ideeën tot doel hebben, ongeacht het overdrachtsmedium’.[43] Echter, anders dan het gerechtshof, vindt de rechtbank dat de activiteiten van een internetzoekmachine toch niet kunnen worden opgevat als een journalistieke activiteit. Dit omdat, volgens de rechtbank:[44]

‘[d]aarvoor [..] immers mede essentieel [is] dat de (in dit geval systematisch vergaarde) gegevens mede worden bewerkt en/of geanalyseerd, terwijl in voorkomend geval bovendien op basis daarvan opiniërende conclusies worden getrokken. Daarvan is in het geval van een zoekmachine - in de kern een elektronische gegenereerde kaartenbak - geen sprake.’

De vraag is natuurlijk in hoeverre de kwalificatie als een ‘elektronisch gegenereerde kaartenbak’ recht doet aan de activiteiten en maatschappelijke betekenis van een zoekmachine. Niettemin lijkt het wel terecht dat de verwerkingen van een zoekmachine niet zonder meer op een lijn te stellen zijn met journalistieke doeleinden. De vraag is echter wel of de uitzondering beperkt moet blijven tot verwerkingen voor journalistieke doeleinden, waar het om veel meer gaat, namelijk de informatievrijheid en de vrijheid van meningsuiting.[45]

5 Afsluiting en een voorstel

Het Costeja-arrest heeft geleid tot een in verschillende opzichten meer dan interessante rechtsontwikkeling, waarin een aantal belangrijke begrippen uit het privacy- of gegevensbeschermingsrecht wordt opgehelderd. Zo wordt het begrip strafrechtelijke gegevens betrekkelijk beperkt opgevat. Ook zien we dat de meningen uiteenlopen waar het gaat om de reikwijdte van de journalistieke uitzondering. De laatste, door mij als tamelijk spectaculair aangeduide ontwikkeling is het rechtsoordeel dat het verwerkingsverbod voor bijzondere gegevens niet geldt voor zoekmachines, omdat dit ‘mede gelet op het algemene belang onaanvaardbaar zou zijn’.

Deze rechtsontwikkeling is voorlopig nog niet afgelopen. Er wordt nog volop geprocedeerd over vergeetverzoeken. Inmiddels is de Wbp vervangen door de AVG en het daarin vastgelegde ‘recht op vergetelheid’ kent een iets andere reikwijdte met weer iets andere uitzonderingen. Ook daarover zijn er al enkele uitspraken die interessant genoeg zijn om in een andere bijdrage op in te gaan.[46]

Ook is van belang dat onder andere het Hof van Justitie op enig moment antwoord gaat geven op de vraag of zoekmachines zich moeten houden het verwerkingsverbod voor bijzondere gegevens en/of strafrechtelijke gegevens. De A-G bij het Hof is daarover genuanceerd. Hij geeft het Hof in overweging dat weliswaar het verwerkingsverbod voor bijzondere gegevens ook op zoekmachines van toepassing is. Echter, de webpagina waarop het vergeetverzoek betrekking heeft kan wel degelijk vallen onder de uitzondering waarin de privacywet voorziet in verband met de informatievrijheid en vrijheid van meningsuiting. In een dergelijke situatie dient de zoekmachine een afweging te maken tussen enerzijds het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens (art. 7 en 8 Handvest EU) en anderzijds het recht van het publiek op toegang tot de betrokken informatie en het recht op vrijheid van meningsuiting van de persoon van wie de informatie afkomstig is op grond (art. 11 Handvest EU).[47]

De A-G lijkt daarmee eenzelfde redenering te gebruiken als het Gerechtshof Den Haag, waarin ook werd uitgegaan van een ruime reikwijdte van de journalistieke uitzondering. In elk geval lijkt de A-G, als ik het goed zie, ruimte te zien voor de redenering waarvan de Rechtbank Amsterdam en de Rechtbank MiddenNederland uitgaan. Een relevante vraag is dan wel of artikel 43 UAVG, dat overeenkomstig artikel 85 AVG beoogt privacyrechten te verzoenen met de informatievrijheid, niet te beperkt is geformuleerd, aangezien het zich beperkt tot de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke doeleinden en uitsluitend ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen.

Ik sluit af met een voorstel dat ik al eens eerder deed in dit tijdschrift.[48] Ik denk dat de discussies over het vergeetrecht op betrekkelijk eenvoudige wijze aanmerkelijk genuanceerd kunnen worden. Niets staat eraan in de weg dat de rechter voor een bepaalde tijd voldoet aan een vergeetverzoek. Van verzoekers en de zoekmachines kan worden verlangd dat ze uiteenzetten hoelang de zoekresultaten wat hun betreft al dan niet moeten worden verwijderd. Als er volgens de rechter aanleiding is om te bepalen dat deze inderdaad moeten worden verwijderd kan hij de periode bepalen waarin de zoekmachine daaraan moet voldoen.

Als bijvoorbeeld de reden voor verwijdering erin is gelegen dat een jonge advocaat onevenredig wordt gehinderd bij sollicitaties, kan voldoende zijn dat wordt volstaan met een vergeettermijn van 10 of 15 jaar, een periode lang genoeg om ongehinderd aan de carrière te werken. Als de inmiddels niet meer zo heel jonge advocaat na verloop van deze termijn vindt dat de zoekmachine deze zoekresultaten nog steeds niet beschikbaar mag stellen, ligt het op zijn weg om de rechter te verzoeken de termijn te verlengen. Zo wordt het mogelijk om de toegekende vergeetverzoeken op een later moment ter discussie te stellen. En dat lijkt nuttig en nodig. Zo kan, verwacht ik, meer recht worden gedaan aan, wat in enkele van de in deze bijdrage besproken uitspraken wordt aangeduid als ‘de belangrijke maatschappelijke functie van internetzoekmachines in het huidige informatietijdperk’ en ‘het algemene uitgangspunt op het recht op informatievrijheid’.

* ∗ Prof mr. dr. G-J. Zwenne is hoogleraar Recht en de informatiemaatschappij te Leiden en advocaat bij Pels Rijcken te Den Haag. De auteur dankt mr. Marte van Graafeiland voor haar waardevolle opmerkingen en eerdere versies van deze bijdrage en mr. Maxime Hanhart voor haar review daarvan.

6 Eindnoten

1. Zie de transparantierapporten van Google en Microsoft, te vinden via resp.

2. In het licht van het totaalaantal vergeetverzoeken is het aantal vergeetrecht procedures misschien niet heel veel. Als we kijken naar het aantal procedures over de privacywet, de Wet bescherming persoonsgegevens en inmiddels de AVG, vertegenwoordigen deze zaken toch een behoorlijk aandeel.

3. In 2017 waren er 1.573.310 zaken (Jaarverslag Rechtspraak 2017). Daarvan zijn er 36.753 gepubliceerd (www.rechtspraak.nl). Dat is dus 2,33 procent; zie daarover: G-J Zwenne & A.H.J. Schmidt, 'Wordt de homo digitalis bestuursrechtelijk beschermd?' in Homo Digitalis, (Handelingen NJV 2016-1), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 326; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/380; L. Mommers, G-J. Zwenne & B.W. Schermer, ‘Het best bewaarde geheim van de raadkamer’, NJB 2010/37, p. 272-278.

4. Immers, op grond van artikel 5 van het Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl wordt een uitspraak altijd gepubliceerd als deze een jurisprudentievormend karakter heeft, bijvoorbeeld doordat een eerdere jurisprudentielijn wordt gewijzigd, genuanceerd, ingeperkt of uitgebreid, of doordat een bepaalde casuïstiek of wettelijke bepaling voor het eerst aan het oordeel van de rechter is onderworpen.

5. HvJ EU 13 mei 2014, C131/12, ECLI:EU:2014:317 (Costeja), r.o. 36-38 en 80.

6. Resp. Rechtbank Amsterdam 18 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6118, r.o. 4.5 en Rechtbank Amsterdam 24 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9515, r.o. 4.8 en 4.11.

7. Rechtbank Amsterdam 12 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:716, r.o. 4.5.

8. Rechtbank Amsterdam 15 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1644, r.o. 4.5; Rechtbank Amsterdam 22 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3355, r.o. 4.7 en ECLI:NL:RBAMS:2018:3357, r.o. 4.6; Rechtbank Midden-Nederland 8 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2196, r.o. 4.2 en Rechtbank Midden-Nederland 14 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5594, r.o. 4.19.

9. HvJ EU 13 mei 2014, C131/12, ECLI:EU:2014:317 (Costeja), r.o. 81.

10. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316, r.o. 3.5.5 en 3.5.6.

11. Rechtbank Amsterdam 18 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6118, r.o. 4.11.

12. Rechtbank Amsterdam 12 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:716, r.o. 4.7.

13. HvJ EU 13 mei 2014, C131/12, ECLI:EU:2014:317 (Costeja), r.o. 81.

14. Rechtbank Rotterdam 29 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2395, r.o. 4.11.5.

15. Rechtbank Amsterdam 19 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2896, r.o. 4.3.

16. Rechtbank Den Haag 19 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4672, r.o. 4.16.

17. Rechtbank Midden-Nederland 14 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5594, r.o. 4.17.

18. Zie art. 16 t/m 23 Wbp en art. 9 en 10 AVG jo. art. 17 en 22 t/m 33 UAVG.

19. Conclusie A-G Jääskinen 25 juni 2013, Zaak C131/12, ECLI:EU:C:2013:424, randnr. 90.

20. HJEU 13 mei 2014, C131/12, ECLI:EU:2014:317, r.o. 33; zie daarover G-J. Zwenne, ‘Het Internetvergeetrecht’, Ars Aequi 2015/1, p. 10-11.

21. G-J. Zwenne, ‘Het Internetvergeetrecht’, Ars Aequi 2015/1, p. 16-17.

22. Anders dan in de Wbp worden strafrechtelijke gegevens in AVG niet meer opgevat als bijzondere gegevens. Echter, voor strafrechtelijke gegevens geldt onverminderd een verwerkingsverbod (nl. van art. 10 AVG).

23. Zie Rechtbank Amsterdam 18 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6118. Eerst nadat de Hoge Raad in zijn arrest van 22 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316, de zaak had doorverwezen naar het Hof Den Haag voerde de verzoeker aan dat er sprake was van strafrechtelijke gegevens. En dat was, volgens het hof, te laat. Aldus Hof Den Haag 5 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1296, r.o. 3.10.

24. Rechtbank Rotterdam op 29 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2395, r.o. 4.10.3.

25. Rechtbank Den Haag 12 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:264, r.o. 4.12-14.

26. Rechtbank Midden-Nederland 20 februari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:805, r.o. 4.8; zie ook Rechtbank Amsterdam 22 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3354 en ECLI:NL:RBAMS:2018:3355, r.o. 4.5.

27. Rechtbank Amsterdam 25 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2979, r.o. 4.5.

28. Ibidem r.o. 4.6.

29. Zie Conclusie A-G M. Szpunar 10 januari 2019, Zaak C136/17, ECLI:EU:C:2019:14, randnr. 81- 92.

30. Rechtbank Amsterdam 25 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2979, r.o. 4.9

31. Rechtbank Midden-Nederland 8 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2196, r.o. 4.2.

32. Rechtbank Amsterdam 15 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1644, r.o. 4.5; Rechtbank Amsterdam 22 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3355, r.o. 4.7 en ECLI:NL:RBAMS:2018:3357, r.o. 4.6; Rechtbank Midden-Nederland 14 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5594, r.o. 4.19.

33. Zie art. 3 Wbp dat was gebaseerd op art. 9 en overw. 37 Richtlijn 95/46/EG, alsmede art. 43 UAVG dat uitvoering geeft aan art. 85 en overw. 137 AVG.

34. HJEU 13 mei 2014, C131/12, ECLI:EU:2014:317 (Costeja), r.o. 85.

35. G-J. Zwenne, ‘Het Internetvergeetrecht’, Ars Aequi 2015/1, p. 12-13; F.J. Borgesius & S. Kulk, ‘De implicaties van het Google Spain arrest voor de vrijheid van meningsuiting’, NJCM-bulletin 2015/1, p. 7-9, 12.

36. Resp. Rechtbank Amsterdam 18 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6118 en Hof Amsterdam Gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1123.

37. F.J. Zuiderveen Borgesius, ‘Het “right to be forgotten” en bijzondere persoonsgegevens: geen ruimte meer voor een belangenafweging?’, Computerrecht 2016/126; zie ook de annotatie van S. Kulk & F.J. Zuiderveen Borgesius annotatie bij Hof Den Haag 23 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1360, Computerrecht 2017/204, p. 318.

38. Conclusie A-G Langemeijer 4 november 2016, ECLI:NL:PHR:2017:933, par. 2.48.

39. Rechtbank Overijssel 24 januari 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:278, r.o. 4.24.

40. Rechtbank Rotterdam 29 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2395.

41. Gerechtshof Den Haag 23 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1360, r.o. 5.9.

42. Rechtbank Amsterdam 25 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2979, r.o. 4.7-4.10: zie ook: Rechtbank Amsterdam 15 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1644, r.o. 4.6-4.7; Rechtbank Amsterdam 22 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3355, r.o. 4.8-4.9.

43. HJEU 16 december 2008, ECLI:EU.C:2008:727, r.o. 61-62.

44. Rechtbank Amsterdam 25 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2979, r.o. 4.8.

45. Zie HJEU 16 december 2008 ECLI:EU:C:2008:727 (Satamedia), r.o. 50-62.

46. Rechtbank Amsterdam 19 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8606; Rechtbank Noord Brabant 27 juli 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3609; Rechtbank Amsterdam 12 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7397.

47. Conclusie A-G M. Szpunar 10 januari 2019, Zaak C136/17, ECLI:EU:C:2019:14, randnr. 81-92.

48. G-J. Zwenne, ‘Het Internetvergeetrecht’, Ars Aequi 2015/1, p. 16-17.

Titel, auteur en bron

Titel

Het vergeetrecht vijf jaar later

Auteur(s)

Gerrit-Jan Zwenne

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT543:1