Noot bij ECLI:CE:ECHR:2007:0515JUD005239199 - ineffectief onderzoek naar de dood van het slachtoffer

Auteur(s): Bron:
  • Nederlandse Jurisprudentie, NJ 2007/618, Wolters Kluwer

Samenvatting

Artikel 2 EVRM eist niet dat de Nederlandse beklagprocedure openbaar is. Ook is niet vereist dat de uitspraak van het hof openbaar moet worden gemaakt. Schending van artikel 2 EVRM wegen ineffectief onderzoek naar de dood van het slachtoffer. 

1

Met betrekking tot het thema politiegeweld geniet de zaak-Ramsahai in de Nederlandse rechtspraak al de nodige bekendheid. Ramsahai werd tijdens het Kwakoe-festival in 1998 te Amsterdam ervan verdacht dat hij een scooter had gestolen, nadat hij de eigenaar met een pistool had bedreigd. Toen twee politieagenten hem later in het vizier kregen, hem probeerden te arresteren en Ramsahai zijn pistool direct op een van hen richtte, schoot deze hem dood, kort samengevat.

Tegen de beslissing om de schutter niet te vervolgen gingen de nabestaanden van Ramsahai op de voet van art. 12 Sv in beklag bij het Amsterdamse hof dat zich vervolgens bij de sepotbeslissing aansloot. Daarna werd de zaak aan het Straatsburgse Hof voorgelegd. In zijn uitspraak van 10 november 2005 besliste dit Hof ten aanzien van het schietincident dat er geen schending van art. 2 EVRM (recht op leven) had plaatsgevonden, omdat de politieagent uit noodzakelijke zelfverdediging handelde (ECLI:CE:ECHR:2007:0515JUD005239199).

Schending van art. 2 EVRM werd wel aangenomen ten aanzien van enkele procedurele aspecten. Zo oordeelde het Hof dat het onderzoek naar het schietincident niet onafhankelijk was geschied, terwijl de uitspraak van het Amsterdamse hof in de beklagprocedure niet openbaar was. Dit oordeel werd door de Nederlandse regering voorgelegd aan de Grote Kamer, die thans heeft beslist.

De beslissingen van de beide Kamers komen in grote lijnen met elkaar overeen, zij het dat de Grote Kamer in twee opzichten afweek van hetgeen de eerste Kamer had beslist of overwogen. Allereerst liet de Grote Kamer zich, zeker in de motivering, kritischer uit over de kwaliteit en de onafhankelijkheid van het onderzoek door politie en justitie dan de eerste Kamer. Daarnaast dacht de Grote Kamer iets anders over de openbaarheid van de uitspraak in de art. 12 Sv-procedure.

2

Wat het onderzoek naar het schietincident betreft merkt de Grote Kamer in de eerste plaats op dat dit ‘inadequaat’ is geweest (zodat op dat onderdeel een schending van art. 2 EVRM werd aangenomen). De Grote Kamer constateerde een groot aantal gebreken in het onderzoek: geen test op de kruitsporen bij de twee politieagenten, geen onderzoek naar hun wapens en munitie, geen reconstructie van het schietincident, geen beeldverslag van het bij Ramsahai aangetroffen letsel, geen voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat de twee politieagenten kort na het schietincident hun verklaringen op die van elkaar konden afstemmen, hetgeen des te belangrijker werd geacht omdat er geen getuigen waren van het schietincident zelf.

Voorts overweegt de Grote Kamer ten aanzien van de onafhankelijkheid van het onderzoek dat de rijksrecherche – ‘uitgerust met de noodzakelijke onafhankelijkheid’ - pas vijftien en een half uur na Ramsahai’s dood werd ingeschakeld, hetgeen ‘onaanvaardbaar’ werd genoemd. In die periode werden wezenlijke onderdelen van het onderzoek uitgevoerd door politieambtenaren van hetzelfde korps waartoe de twee beklaagde politieagenten behoorden, terwijl dit korps met onderzoek doorging ofschoon en vanaf het moment dat de rijksrecherche bij het onderzoek betrokken was. Ook in dat opzicht werd, overeenkomstig de beslissing van de eerste Kamer, tot een schending van art. 2 EVRM geconcludeerd (onderzoek was niet ‘voldoende onafhankelijk’).

Daar kwam bij dat de officier van justitie die het politieonderzoek leidde, in het bijzonder verantwoordelijk was voor het politiewerk dat werd verricht door hetzelfde ‘politice station’ waartoe de twee politieambtenaren behoorden, terwijl diezelfde officier van justitie de beslissing had genomen om de schutter niet te vervolgen. De Grote Kamer vond het ‘beter’ als het onderzoek was gesuperviseerd door een officier van justitie die niet verbonden was aan het Amsterdamse politiekorps. Niettemin werd dit gebrek aan onafhankelijkheid in de ogen van de Grote Kamer gecompenseerd door het feit dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het onderzoek in handen lag van de hoofdofficier van justitie, terwijl de nabestaanden de mogelijkheid tot hun beschikking hadden om het OM-besluit voor te leggen aan een onafhankelijk college (als bedoeld in art. 12 Sv). Om die reden werd met betrekking tot de positie van de officier van justitie geen schending van het verdrag vastgesteld.

In de tweede plaats geeft de Grote Kamer blijk van een andere visie op de openbaarheid van de uitspraak door het hof in het kader van de art. 12 Sv-procedure in die zin dat deze niet openbaar hoeft te zijn. Volgens de Grote Kamer was dat niet nodig, omdat de familie van Ramsahai volledige toegang tot het dossier heeft gehad en effectief in de beklagprocedure heeft kunnen participeren. Bovendien is de familie er niet van weerhouden om zelf de (gemotiveerde) beslissing van het hof openbaar te maken. Het Europese Hof zag in al deze omstandigheden voldoende waarborg tegen een oneigenlijke ‘cover-up’, het achterhouden van relevante informatie, door de Nederlandse autoriteiten.

3

Wat betekent de Ramsahai-uitspraak van het EHRM nu voor de Nederlandse rechtspraktijk? Tenminste op het punt van onderzoek zal de praktijk moeten worden aangepast. Voor de inrichting daarvan kan, behalve uit het arrest, ook worden geput uit diverse, mede op empirisch onderzoek gebaseerde, gezaghebbende publicaties. Ik noem als de meest recente, afkomstig van de onderzoeksgroep rond Naeyé (red), Hard én Zacht. Geweld in de publiekscontacten van de politieregio Amsterdam-Amstelland, VU-Centrum voor Politie- en Veiligheidswetenschappen, Amsterdam 2007, en voorts J. Timmer, Politiegeweld. Geweldgebruik van en tegen de politie in Nederland, dissertatie VU, Kluwer 2005. Voor de specifieke EVRM-aanspraken verwijs ik verder naar F. Goossens, Politiebevoegdheden en mensenrechten, dissertatie Leuven, Kluwer 2007, en – van iets oudere datum – E. Myjer, 'De officier van justitie en klachten over politieoptreden', Trema 2000/8, p. 339.

Het standpunt van de Nederlandse regering in de Ramsahai-zaak - nl. dat het enkele feit dat het lokale politiekorps op verzoek van de rijksrecherche in de eerste fase na het incident onderzoekshandelingen heeft verricht, nog niet inhoudt dat deze handelingen daardoor ondeugdelijk of onbruikbaar zijn geworden en evenmin dat er sprake is van een schijn van partijdigheid - wordt duidelijk door het Europese Hof niet gedeeld. Daarom rijst de vraag of de nieuwe OM-richtlijn Aanwijzing handelwijze bij geweldsaanwendingen (politie)ambtenaar d.d. 1 augustus 2006 (Stcr. 2006, 143) aan de norm van de Straatsburgse rechtspraak voldoet. Volgens die richtlijn mag het lokale politiekorps – in afwachting van de komst van de rijksrecherche – de eerste maatregelen ter bevriezing van de situatie treffen, terwijl de rijksrecherche de betrokken politiefunctionaris in principe binnen 24 uur na het geweldsincident voor de eerste keer moet horen.

Die gedragslijn lijkt niet toereikend. Daarom heeft het Amsterdamse hof als beklagrechter in zijn beschikking van 16 februari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8826, NJFS 2007, 128, de aanbeveling aan het OM gedaan om 'een onderzoek naar het overlijden van een burger in overheidshanden in alle gevallen uit te laten voeren in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek, onder verantwoordelijkheid van een rechter-commissaris en onder leiding van een officier van justitie van het Landelijk Parket'.

De onmiddellijk gevraagde tussenkomst van de rechter-commissaris hoeft er niet aan in de weg te staan dat in de eerste uren na het politiële geweldsincident de primair noodzakelijke onderzoekshandelingen, hetzij door (technische) rechercheurs van een ander politiekorps (dus niet van een ander district van hetzelfde politiekorps), hetzij door ambtenaren van de rijksrecherche worden verricht, eventueel bijgestaan door medewerkers van het Bureau Interne Onderzoeken (BIO), bij voorkeur van een naburig politiekorps. Zie hierover nader Naeyé (red),  Hard én Zacht, p. 69. Zodra evenwel de rechter-commissaris in beeld komt, dient de regie aan hem te worden overgedragen, waarna hij desgewenst de aangewezen politiediensten via de landelijk officier van justitie, die geen binding heeft met het betrokken politiekorps, kan aansturen.

Deze procedurele optie verdient ook om een andere reden – dus niet alleen om de schijn van partijdigheid te vermijden – de voorkeur. Zoals ook de Ramsahai-zaak laat zien, is helaas het optreden van de rijksrecherche niet altijd een garantie dat het onderzoek vlekkeloos verloopt. Het hof als beklagrechter kan zich dan vervolgens genoodzaakt zien om, ondanks het tijdsverloop, aanvullend onderzoek te gelasten waarvoor het wettelijk geen ander middel ter beschikking staat dan een last aan de officier van justitie te geven om een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen (eventueel tegen N.N.). Vgl. de beschikkingen van het Amsterdamse hof d.d. 23 juni 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AU7729 (schietincident op Mercatorplein) en d.d. 12 december 2006,  ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ4607 (dode in politiecel), in welke zaken een reconstructie van de gebeurtenissen in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek noodzakelijk werd geoordeeld.

Dat hierdoor (wederom) een grote vertraging kan ontstaan, is een belangrijk nadeel – niet in de laatste plaats voor de waarheidsvinding – dat echter kan worden voorkomen als van meet af aan alle onderzoekshandelingen in een gerechtelijk vooronderzoek worden geconcentreerd.

Overigens kan de onderzoekstijd na het geweldsincident worden bekort en effectiever worden besteed als de (landelijk) officier van justitie in een zo vroeg mogelijk stadium wordt ingeschakeld, dus niet pas bij het overlijden van de betrokken persoon maar reeds bij het constateren van ernstig letsel of bij het vervoeren van de bewusteloze naar het ziekenhuis. Vgl. beschikking hof Amsterdam d.d. 5 juni 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA6609, in welke zaak de arrestant vier dagen na het incident overleed in het ziekenhuis. In die tussentijd verrichtten ambtenaren van hetzelfde politiekorps (te Haarlem) enig onderzoek, waardoor volgens het hof de schijn van partijdigheid niet werd vermeden. Bovendien bleek het onderzoek onvolledig te zijn uitgevoerd.

4

De Ramsahai-uitspraak dwingt er niet toe om ook de procedure van art. 12 Sv aan te passen. Integendeel, het Europese Hof in de beide Kamers gaat ermee accoord dat art. 6 EVRM niet op de beklagprocedure van toepassing is. Dat houdt in elk geval in dat de behandeling van de klacht niet in het openbaar hoeft te geschieden. Die opvatting doet recht aan doel en strekking van de wettelijke regeling, nl. dat de beoordeling van de vraag of de beklaagde in het openbaar terecht dient te staan, in beslotenheid dient plaats te vinden. Het gaat immers om een vóórprocedure waarin nog allerminst vaststaat dat een strafvervolging gerechtvaardigd is. Bovendien zou er anders, bij een bevel vervolging, sprake zijn van dubbele openbaarheid, hetgeen voor sommige beklaagden (zoals publieke figuren) op een dubbele bestraffing zou kunnen neerkomen.

Dit neemt niet weg dat in theorie de vraag kan worden opgeworpen of wettelijk toch niet de mogelijkheid zou moeten worden geopend om de beklagrechter de facultatieve bevoegdheid te geven de klacht in zeer bijzondere gevallen in het openbaar te behandelen, bijv. als het gaat om zaken waarin grote maatschappelijke commotie is ontstaan of waarbij personen met een publiekrechtelijke functie (zoals politiefunctionarissen) zijn betrokken, mits beide partijen tegen openbaarheid geen bezwaar hebben. Dat zou het vertrouwen in de rechterlijke macht zeker ten goede komen.

Weliswaar wordt in Nederland naar een zekere mate van openbaarheid gestreefd doordat de hoven tegenwoordig de beslissing in zaken van algemeen belang (zoals die betreffende politiegeweld) digitaal en geanonimiseerd bekend plegen te maken via rechtspraak.nl. Volgens de Grote Kamer in de Ramsahai-zaak is zelfs openbaarmaking van de uitspraak niet verplicht, een standpunt dat verbaast in het licht van de eigen jurisprudentie. In diverse zaken immers heeft het Europese Hof benadrukt dat het onderzoek naar bekritiseerd overheidsoptreden ‘a sufficiënt element of independent and public scrunity of the investigation or its results’ moet bevatten (Güleç 1998, Hugh Jordan 2001, Finucane 2003; zie daarover nader D. Aben in Van Gend/Visser (red), Artikel 12 Sv, Prinsengrachtreeks 2004/2, Ars Aequi Libri, p. 55).

Openbaarheid kan des te meer zijn aangewezen in gevallen van overheidsgeweld die zelden tot een strafrechtelijk vervolg leiden, zodat juist daar elke indruk van het mogelijk toedekken van informatie moet worden vermeden. Uit onderzoek in de Amsterdamse regio over de periode 2001-2005 blijkt dat in slechts twee op de 3916 geweldsaanwendingen door het Amsterdamse parket vervolging werd ingesteld, terwijl in vier gevallen strafvervolging is voorkomen door een voorwaardelijk sepot of transactievoorstel. In de zes geweldsvoorvallen, waarin beklag bij het Amsterdamse hof was gedaan, volgde in twee vuurwapenzaken een opdracht tot vervolging maar die heeft uiteindelijk niet tot een veroordeling geleid. De afdoening van politiële geweldszaken rechtvaardigt dus de conclusie dat de kans heel klein is dat geweldgebruik voor een politieambtenaar strafrechtelijke consequenties heeft; in die zin Naeyé (red), Hard én Zacht, pp. 225 en 228.

5

Deze conclusie kan erop duiden dat de Nederlandse politie bij de toepassing van geweld buitengewoon terughoudend optreedt, hetgeen zeker als een positieve trend dient te worden gezien. Aan de andere kant moet ook worden vastgesteld dat het in de praktijk lastig blijkt om bij onderzoeken naar politieoptreden te achterhalen wat er precies is gebeurd. Men zegt wel: Geen moeilijker verdachte dan een diender. In Nederland evenwel worden overheidsonderzoeken niet zozeer gekenmerkt door een gebrek aan integriteit, maar eerder door een gebrek aan professionaliteit. Zeg maar gewoon: door een overdosis aan slordigheid. Dat is geen al te beste eigenschap voor overheidsdienaren die ook dienaren van de burger behoren te zijn.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:CE:ECHR:2007:0515JUD005239199 - ineffectief onderzoek naar de dood van het slachtoffer

Auteur(s)

Tom Schalken

Bron

Nederlandse Jurisprudentie, NJ 2007/618, Wolters Kluwer

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT493:1