Noot bij ECLI:NL:HR:2021:190 - spugen in coronatijd = bedreiging zware mischandeling?

Auteur(s): Bron:

Samenvatting

Spugen: bedreiging met zware mishandeling in verband met corona? Konden gedragingen van verdachte bij verbalisanten in redelijkheid vrees doen ontstaan dat zij door besmetting met coronavirus zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen?

Volledige tekst commentaar

De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie is bewezen verklaard dat hij op 26 april 2020, in de gemeente Maastricht, een inspecteur, een brigadier, een hoofdagent en een aspirant van politie-eenheid Limburg, heeft bedreigd met zware mishandeling door in de richting van verbalisanten te spugen, onder meer dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat bij de verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij door besmetting met het coronavirus zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen en dat het bewezen verklaarde opzet ontoereikend is gemotiveerd.

De bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

‘1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 mei 2020, voor zover inhoudende:

Op 26 april 2020 zat ik in de auto van mijn moeder, samen met betrokkene. We waren onder invloed van lachgas. Ik was verbaal agressief. Toen de cilinder werd leeggemaakt, werd ik agressief. Ik weet nog dat ik aangehouden werd en gepepperd ben. Bij de ingang naar het cellencomplex heb ik mijn keel geschraapt en gespuugd. Ik wist van de ernst van corona en dat het virus verspreid kan worden via speeksel door de lucht. Corona speelde op 26 april al een tijdje. Ik heb het er vaak met mijn moeder over gehad.

2. Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 29 april 2020, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergeven:

Ik stond die ochtend, (het hof begrijpt 26 april 2020), met mijn auto op een parkeerplaats. Op een gegeven moment kwam er een politieauto ter plaatse. Er ontstond een woordenwisseling tussen mij en de verbalisanten. Ik werd zo boos. Ik was onder invloed van alcohol en lachgas. Op een gegeven moment mocht ik gewoon vertrekken. Ik ben weggelopen, maar deed toen net alsof ik iets van plan was. Daarna ben ik aangehouden.

3. Een proces-verbaal bevindingen proces-verbaalnummer PL2300-2020063920-4, d.d. 26 april 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door een hoofdagent van politie, een brigadier van politie, en een andere hoofdagent van politie, voor zover inhoudende als relaas en verrichtingen van de betreffende verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op zondag 26 april 2020 omstreeks 04.40 uur reden wij, hoofdagent en brigadier van politie, over het Stadionplein ter hoogte van een hotel in Maastricht. Wij zagen een donkere Seat Leon midden op de kruising staan voor het RDW gebouw en de parkeerplaats gelegen aan het Stadionplein. Wij zagen dat dit voertuig al een aantal minuten stilstond met de verlichting brandend. Bij het naderen van de Seat Leon zagen wij dat er ter hoogte van waar normaal een persoon zit een tweetal ballonnen zichtbaar waren. Bij het uitstappen hoorden wij luide muziek uit de richting van voornoemd voertuig. Toen wij dichterbij kwamen, zagen wij twee personen in het voertuig zitten en we hoorden de motor draaien. Bestuurder was de voor ons ambtshalve bekende verdachte. Beide inzittenden hadden een ballon in hun mond en deze ballon was gevuld. Beide mannen reageerden bij aanspreken niet op ons. Ik, hoofdagent, zag een gas-cilinder tussen de benen van de bijrijder staan. Ik, brigadier, heb de ballon bij de bestuurder uit de mond getrokken. Vervolgens heb ik de motor afgezet en de autosleutel uit het contact gehaald. Na herkenning van de bestuurder heb ik een patrouille erbij gevraagd. Uit ervaring weten wij dat de verdachte agressief kan worden en dat de situatie snel kan escaleren. Wij, hoofdagent, brigadier en andere hoofdagent, hebben de bestuurder medegedeeld dat hij niet meer verder mocht en uit het voertuig moest. Hierop reageerde hij direct verbaal agressief. Wij zagen dat de verdachte uit het voertuig stapte. We hoorden de verdachte schreeuwen dat hij met ons wilde vechten. We waren mietjes, kankerlijers en flikkers. Wij zagen dat er een opvallende patrouille ter plaatse kwam. Wij zagen dat de verdachte zich direct richtte op de nieuwe collega’s die erbij kwamen. Wederom begon de verdachte te schelden met enge ziektes. Ik, de andere hoofdagent, deelde de verdachte mede dat hij zijn autosleutel later op de dag kon komen ophalen op het bureau. Hierop werd de verdachte nog agressiever. Wij, verbalisanten, zagen dat de verdachte op zoek ging naar iets. Uiteindelijk zagen wij dat de verdachte met een klinker in de richting van ons gelopen kwam. Hij heeft hiermee meermaals een zwaaiende beweging gemaakt naar ons dienstvoertuig. Ik, de andere hoofdagent, heb deze klinker uit zijn hand geslagen. Ik, de brigadier, heb vervolgens de cilinder, vermoedelijk gevuld met lachgas, leeg laten lopen. Wij, verbalisanten, hoorden dat de verdachte opnieuw begon te schreeuwen en verbaal agressief werd. Hierbij kwam hij telkens dreigend op ons af gelopen en daagde ons uit om met ons te vechten en schold ons wederom uit met allerlei enge ziektes.

Vervolgens zagen wij dat beide personen weg liepen. De hondengeleider die inmiddels ook ter plaatse was reed stapvoets met zijn opvallend dienstvoertuig achter het duo aan. Wij hoorden dat de hondengeleider via de portofoon doorgaf dat de verdachte weer een steen had gepakt. Wij zijn vervolgens allen in ons dienstvoertuig gestapt om te vertrekken. Ik, de andere hoofdagent, zag dat de verdachte via de berm in de richting van de rijbaan kwam gelopen waarover wij reden. Ik zag dat de verdachte zijn handen op zijn rug hield en bij het naderen van de verdachte zag ik dat hij een beweging met zijn arm maakte alsof hij iets naar ons wilde gooien. Ik reageerde op deze beweging door mijn arm voor mijn hoofd te brengen om deze te beschermen. Ik dacht echt dat hij zou gooien omdat hij hiermee zojuist al een paar keer had gedreigd. Wij, hoofdagent en brigadier, zagen dat de andere hoofdagent in dat voertuig schrok en haar arm voor haar gezicht hield om deze te beschermen. Vervolgens is de verdachte aangehouden.

4. Een proces-verbaal bevindingen proces-verbaalnummer PL2300-2020063920-5, d.d. 26 april 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door een inspecteur van politie, de brigadier van politie, voornoemd, de hoofdagent van politie, voornoemd en een aspirant van politie, voor zover inhoudende als relaas en verrichtingen van de betreffende verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op zondag 26 april 2020 omstreeks 04.55 uur bevonden wij ons in het cellencomplex van het politiebureau aan de Prins Bisschopsingel te Maastricht, naar aanleiding van de aanhouding van de verdachte. Ik, brigadier, verleende nazorg aan de verdachte daar hij voorafgaande aan zijn aanhouding werd gepepperd. Ik, bridadier, begeleidde de verdachte naar de oogdouche. Deze oogdouche zorgt er voor dat de ogen van verdachte schoongespoeld worden. Vervolgens zagen wij dat de verdachte rechtop ging staan. Wij, brigadier en hoofdagent, begeleidden de verdachte naar het trapje welke toegang verschaft tot het cellencomplex. Wij, inspecteur, brigadier, hoofdagent en aspirant, stonden voor de ingang van het cellencomplex en zagen dat brigadier en hoofdagent samen met de verdachte naar het trapje liepen. Wij zagen dat de verdachte naar ons keek en wij hoorden de verdachte gorgelen. Wij zagen dat de verdachte vervolgens een dikke klodder speeksel uitspuugde in onze richting en ons hierbij aankeek. Wij zagen dat de afstand tussen ons en de verdachte om en nabij de 3 à 4 meter betrof. Wij zagen dat deze klodder ongeveer op 2 meter voor ons op de grond belandde. Gezien de ernst van de situatie met betrekking tot het COVID-19 virus, maakten wij ons zorgen voor onze gezondheid, dit in verband met een eventuele besmetting met het coronavirus. Het is voor ons onduidelijk of de verdachte is geïnfecteerd met het coronavirus. Mede gezien het feit dat de nevel van het speeksel een grotere spreiding heeft dan daar waar het speeksel voor onze voeten op de grond terecht kwam.’

De Hoge Raad overweegt dat de klachten zich lenen voor gezamenlijke bespreking en overweegt dat het hof in zijn uitspraak ten aanzien van de bewezen verklaarde bedreiging met zware mishandeling door te spugen heeft overweogen dat het voorop stelt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Een bedreiging kan bestaan uit een uitlating, een (non-verbale) gedraging of een combinatie daarvan. In casu is niet sprake van een uitlating maar van een gedraging. Naar zijn aard is spugen niet een gedraging die op zichzelf voldoende is om bij bedreigde in redelijkheid de vrees te doen ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Is de aard van een gedraging op zichzelf onvoldoende om als bedreigend te kunnen worden aangemerkt, zoals dat geldt voor spugen, dan kunnen de omstandigheden niettemin zodanig zijn dat zij, bezien in de context waarin die gedraging heeft plaatsgevonden, aan die gedraging het bedreigende karakter geven.

De raadsman heeft betoogd dat het enkel (dreigend) spugen zonder vermelding van een coronagerelateerde omstandigheid op zichzelf nimmer bedreiging met zware mishandeling kan opleveren. Dit betoog is onjuist omdat het miskent dat een bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr enkel uit een gedraging kan bestaan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte gericht naar vier verbalisanten heeft gespuugd; verdachte wist van de ernst van het coronavirus en dat dit virus verspreid kan worden via speeksel door de lucht; verbalisanten dit spugen hebben gezien en zich zorgen maakten om hun gezondheid gelet op het feit dat de nevel van het speeksel een grotere spreiding heeft dan het speeksel zelf. Gelet op deze omstandigheden waarbij het hof zowel in zijn overwegingen betrekt dat het coronavirus op 26 april 2020 Nederland al wekenlang in zijn greep had alsook dat op dat moment onder deskundigen de aard van dit virus alsmede de verspreiding daarvan nog niet ten volle worden begrepen, komt het hof tot zijn oordeel dat verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij besmet zouden kunnen worden met het coronavirus.

De raadsman heeft betoogd dat bij de verbalisanten niet de redelijke vrees kon ontstaan op zware mishandeling door besmetting met het coronavirus omdat op geen enkele wijze de coronagerelateerde veiligheidszone van 1,5 meter van de verbalisanten in het gedrang is gekomen. Ter adstructie van zijn betoog heeft hij de pagina’s 1, 6 en 7 van de Covid-19-richtlijn van het RIVM overgelegd. Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog nu de overgelegde pagina’s van deze RIVM-richtlijn veeleer de overweging van het hof bevestigen dat de aard van het coronavirus en de verspreiding daarvan nog door vele onzekerheden omgeven zijn en door de deskundigen nog niet ten volle worden begrepen. Het standpunt van de raadsman dat verdachte geen opzet heeft gehad op het doen ontstaan van een redelijke vrees bij verbalisanten dat zij zouden kunnen worden besmet door het coronavirus vindt zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

De Hoge Raad overweegt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling in een geval als het onderhavige vereist is dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AT3659) en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. ECLI:NL:HR:1984:AC8252).

De Hoge Raad overweegt dat het hof in zijn bewijsvoering heeft vastgesteld dat de verdachte rond 4.40 uur is aangehouden nadat de verdachte zich op straat tegenover hoofdagent en brigadier meermalen verbaal agressief had getoond door hen uit te dagen te vechten en door te schelden met ‘enge ziektes’, en de verdachte met een klinker meermalen dreigend een zwaaiende beweging had gemaakt in de richting van een andere hoofdagent. Na aankomst op het politiebureau omstreeks 4.55 uur is hij door brigadier en hoofdagent naar het cellencomplex begeleid. Bij de ingang van het cellencomplex, waar toen inspecteur, brigadier, hoofdagent en aspirant stonden, keek hij naar deze verbalisanten die hem hoorden gorgelen. De verbalisanten zagen dat de verdachte vervolgens, terwijl hij hen aankeek, een dikke klodder speeksel uitspuugde in hun richting. De afstand tussen de verdachte en de verbalisanten was ongeveer drie tot vier meter en de klodder belandde ongeveer twee meter voor de verbalisanten op de grond. De verbalisanten maakten zich daarbij zorgen over hun gezondheid vanwege een mogelijke besmetting met het coronavirus, al dan niet door de nevel van het speeksel. De voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte houdt in dat de verdachte wist van de ernst van het coronavirus en de mogelijkheid dat dit zich via speeksel door de lucht verspreidt, en dat hij het vaak met zijn moeder over corona heeft gehad (bewijsmiddel 1).

De Hoge Raad overweegt dat het hof geoordeeld heeft dat bij de inspecteur, de brigadier, de hoofdagent en de aspirant in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het coronavirus Nederland ten tijde van het bewezen verklaarde – 26 april 2020 – al wekenlang in zijn greep had terwijl er op dat moment nog veel onzekerheden waren over de aard en de verspreiding daarvan. Verder heeft het hof geoordeeld dat de verdachte, gelet op zijn voor het bewijs gebruikte verklaring, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de verbalisanten in redelijkheid die vrees kon ontstaan. De Hoge Raad oordeelt dat deze oordelen, gelet op wat is vooropgesteld, niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en in het licht van de weergegeven vaststellingen niet onbegrijpelijk zijn.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:HR:2021:190 - spugen in coronatijd = bedreiging zware mischandeling?

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT600:1