Octrooi- en Unierecht

Auteur(s): Bron:
  • Berichten Industriële Eigendom, BIE, juli/augustus 2018, deLex

Samenvatting

Een artikel over de wrijvingen tussen het zich ontwikkelende Unierecht op het gebied van het octrooirecht, met wat wij in Nederland nationaal over dit rechtsgebied dachten en denken. 

1.

De opdracht was, om na te denken over de wrijvingen tussen het zich ontwikkelende Unierecht op het gebied van het octrooirecht, met wat wij in Nederland nationaal over dat rechtsgebied dachten en denken. Maar als je daarover denkt, ontkom je er niet aan, te denken aan de alles behalve harmonieuze ontwikkeling van het Unie-octrooirecht, vanaf het prille begin tot, eigenlijk, de huidige dag. Want terwijl de Unierechtelijke ontwikkelingen op het gebied van het merken- modellen- en kwekersrecht een beeld van gestage ontwikkeling en vooruitgang vertonen, en het Unierechtelijke auteursrecht weliswaar versnipperd en soms sterk politiek beïnvloed is, maar toch altijd het beeld van een min of meer eensgezinde geneigdheid tot vooruitgang vertoont, geldt voor het Unie-octrooirecht eerder het beeld van een toch nog opmerkelijke vooruitgang ondanks een hardnekkige impasse over de belangrijkste maatregelen van Unierechtelijke regelgeving.[1] 

2.

U kent die geschiedenis natuurlijk, maar toch: het begint ermee dat al kort na de totstandkoming van de EEG, op alle gebieden van de intellectuele eigendom wordt nagedacht over de spanning tussen nationale rechten van intellectuele eigendom enerzijds, en het project van een unitaire EEG-markt met vrij verkeer van – onder meer – goederen en diensten anderzijds. Van begin af aan zag men onder ogen dat het een probleem is, wanneer een in één lidstaat vrij op de markt gebracht product, inbreuk blijkt te maken op in een volgende lidstaat geldende (nationale) rechten van intellectuele eigendom – met als gevolg een belemmering van het vrije goederenverkeer. En van begin af aan is daaraan gewerkt met plannen voor unitaire regelingen, erop gericht om voor het hele gebied geldende rechten van IE tot stand te brengen; en om tegelijk de nationale regelingen te harmoniseren. (Dat laatste was nodig, omdat ook werd onderkend dat de ambitie om alléén unitaire rechten van IE in het leven te roepen, te hoog gegrepen was. Om allerlei redenen, deels conservatief en deels ingegeven door aan het MKB toegeschreven behoeften aan bescherming-op-regionaleschaal, moesten nationale rechten van IE naast de unitaire rechten blijven bestaan.)

3.

En zo kregen we, gaandeweg, inderdaad regelingen voor een EU-merk en een Gemeenschapsmodel, en voor een Gemeenschapskwekersrecht, en regels om het merken- en modellenrecht te harmoniseren. (De auteursrechtelijke ontwikkelingen vertonen, zoals al aangestipt, een meer versnipperd en véél meer politiek gekleurd beeld; maar ook daar zijn flinke stappen gezet om de nationale regels te harmoniseren.) Maar op het gebied van het octrooirecht, waar dezelfde ontwikkeling voor ogen stond, bleef dezelfde vooruitgang voor een belangrijk deel uit.

4.

Intussen veranderde de wereld wel, en daarmee ook de behoefte die aanvankelijk aan de initiatieven tot éénmaking van het EU-recht van intellectuele eigendom ten grondslag lag. Heel belangrijk was ten eerste, dat het HvJ al in een vrij vroeg stadium tot zijn rechtspraak kwam over de Uniewijde uitputting van IE-rechten: voorrang van de regels betreffende vrij goederen- (en diensten)verkeer voor voorzieningen die eenmaal, met directe of indirecte toestemming van de rechthebbende, op het gebied van de Unie in het vrije verkeer waren gebracht.[2]

Een van de problemen die de “founding fathers” van dit rechtsgebied bezighielden, was daarmee effectief opgelost.

Maar intussen was er ook aandacht gekomen voor een toenemend verschijnsel van “piraterij” op de gemeenschappelijke markt, en een navenante behoefte aan betere middelen om daaraan het hoofd te bieden, dan de mogelijkheid van afzonderlijke procedures in alle betroffen lidstaten (met de daaraan inherente mogelijkheid van verschillende oordelen over de geldigheid en reikwijdte van de in geding zijnde rechten). Van die kant dus, toch weer, een zekere druk, niet alleen in de richting van verbeterde handhavingsmiddelen, maar ook in de richting van beter geüniformeerde maatstaven voor de beoordeling van geldigheid en inbreuk én voor middelen om dat eenvormig beoordeeld te krijgen.

5.

Maar als het om het octrooirecht gaat, leidde deze druk toch telkens niet tot de beoogde resultaten – al werden er wel resultaten geboekt. Hoe dan ook weer?

Er werd van begin af aan met scherpte onderhandeld over een voor de hele Unie (toen nog: Gemeenschap, maar laat ik proberen de moderne terminologie aan te houden) tot stand te brengen Gemeenschapsoctrooi, met een uniforme verleningsprocedure, een eenvormige inhoud, en een gecentraliseerd systeem van behandeling van octrooigeschillen. Al in een vrij vroeg stadium van die onderhandelingen werd besloten het project te splitsen: één regeling voor de aanvrage en verlening van octrooien, en een andere voor de uniforme, Uniewijde inhoud en dito geschillenregeling. Belangrijke aanleiding daarvoor was, dat ook landen die geen lid van de EEG waren, belangstelling hadden voor de geüniformeerde verleningsprocedure e.a., terwijl die landen weinig belang hechtten aan de problemen in verband met de uniforme EU-markt. Misschien speelde ook een rol dat het makkelijker bleek om over het eerste onderwerp tot zaken te komen dan over het tweede:[3] in elk geval liep het zo. De eerste helft van het project is in 1973 uitgemond in het Europees Octrooi Verdrag, met oorspronkelijk 16 toetredende staten (waaronder de 9 toenmalige leden van de Unie). Zoals bekend is de bij dat verdrag geschapen regeling vrijwel van begin af aan zeer succesvol gebleken. Inmiddels zijn er (volgens opgave van de WIPO, juli 2018) 38 landen bij het EOV aangesloten.

6.

Maar de tweede helft van het project liep anders. Aanvankelijk leek het of een Verdrag betreffende het Gemeenschapsoctrooi tegelijk met het EOV zou kunnen worden afgesloten, maar dat sprong in een zeer laat stadium af op beletselen aan de kant van een verdragsstaat-in-spe. Twee jaar later, in december 1975, lukte het alsnog de (toen: negen) lidstaten een verdragstekst te laten tekenen.[4] Dat dat geen “zacht eitje” was, blijkt wel uit het feit dat de Duitse delegatieleider de totstandkoming betitelt als het “wonder van Luxemburg”. “Zwaar” punt, toen en ook later, blijkt de kwestie van de talen te zijn geweest: kon volstaan worden met een Unietekst in de drie “grote” talen van de EU (of zelfs: in maar één daarvan), of moest er vertaling in alle Unietalen worden voorgeschreven? Men begrijpt dat dit, gezien de omvang van de relevante teksten maar ook gezien het belang van de tekst voor de inhoud van het desbetreffende recht, voor octrooien een probleem van heel andere dimensie is dan, bijvoorbeeld, voor merken of modellen, laat staan kwekersrechten.

7.

In het kader van de totstandkoming van dit verdrag hadden de lidstaten zich gecommitteerd, om hun nationale wetten (die dus naast het “Gemeenschapsoctrooi” zouden blijven bestaan) aan te passen aan de inhoudelijke regels uit de verschillende verdragen. Dat is vervolgens inderdaad gebeurd, voor Nederland vooral bij de (Rijks)wetten van 12 januari 1977, Stb. 160, 13 december 1978, Stb. 708 en 29 mei 1987, Stb. 316. Maar het Gemeenschapsoctrooiverdrag zelf is er nooit gekomen. Na zeer lang vijven en zessen bleken twee van de ondertekenende landen niet in staat of bereid, te ratificeren. En – natuurlijk – kon het verdrag alleen in werking treden als alle lidstaten geratificeerd hadden.

Nadat duidelijk was geworden dat hier een onoplosbaar probleem lag, zijn er twee vervolgconferenties gehouden. In december 1989 kwam daar een herzien verdrag uit, dat de Duitse delegatie bij de conferentie aanduidt als de “kronende Abschluss”. Maar ook deze keer werd te vroeg gejuicht. Ongeveer tien jaar later wordt geconstateerd dat ook dit verdrag niet geratificeerd gaat worden; en dan stelt de Europese Commissie voor, de materie per Verordening te regelen.

8.

Terwijl de besprekingen over deze Verordening lopen, komt er een initiatief uit de kringen van aangeslotenen bij het EOV, om voor de landen die bij dat verdrag zijn aangesloten een uniforme geschillenregeling in het leven te roepen (European Patent Litigation Agreement, EPLA). Daarvoor blijkt veel enthousiasme te bestaan. Maar van de kant van de EU – aanvankelijk: het Europese Parlement – wordt geopperd, en ten slotte ook door het HvJ geoordeeld, dat een dergelijke regeling in strijd zou zijn met bepaalde regels van Unierecht.[5]

Intussen komt de Commissie tot het oordeel dat (ook) de weg naar de aanvankelijk beoogde Verordening niet begaanbaar is.[6] Er wordt een nieuwe aanpak voorgesteld, deze keer: in de vorm van een verdrag waarbij een eenvormige geschillenprocedure in het leven wordt geroepen, en een verordening om unitair effect voor Europese octrooien (op het territoir van de EU) te bewerkstelligen. Totstandkoming van deze regelingen binnen het verband van de EU, neemt de bezwaren weg die tegen het EPLA-initiatief bestonden.

Twee lidstaten voeren tegen dit plan zeer krachtig verweer, maar deze keer houdt dat het project niet tegen: de EU-regelgeving voorziet er, in samenhang met de regels van het EOV, in dat regelgeving als hier bedoeld ook voor een deel van de lidstaten kan worden vastgesteld, en dan niet geldt voor de minderheid die niet wil meedoen;[7] en voor die weg wordt gekozen.

9.

Nu gaan de dingen – naar Europese begrippen – ongelofelijk snel: het Verdrag betreffende een Unified Patent Court wordt in februari 2013 getekend.[8] De verordeningen betreffende de unitaire werking van Europese octrooien worden al op 17 december 2012 vastgesteld.[9]

Het verdrag voorziet, zoals de naam al aangeeft, in de instelling van een verenigde octrooi-geschilbeslechtingsinstantie die tenslotte, na een ruim bemeten overgangsperiode, bij uitsluiting bevoegd zal zijn om de belangrijkste octrooigeschillen – in elk geval die over inbreuk en geldigheid – in de aangesloten landen te berechten. Het moet dan gaan om Europese octrooien – tenslotte zowel die met “unitaire werking” als die, waarvoor die werking niet geldt. “Nationale” octrooien, numeriek inmiddels niet heel relevant meer, blijven dus voorwerp van “nationale” procedures.

De eenheid van de UPC-instantie is overigens een betrekkelijke: het laat zich aanzien dat er een vrij aanzienlijk aantal nationale kamers in eerste aanleg zal komen.[10] Maar in appel zal er wel één beoordelingsinstantie, gevestigd in Luxemburg, zijn; en voor vragen betreffende de Europese regelgeving wordt nog bevoegdheid voor het HvJ ingeruimd. Van de Verordeningen houdt de eerste in, dat de verkrijgers van een Europees octrooi dat voor alle verdragslanden met eensluidende conclusies wordt verleend, voor “unitaire werking” kunnen opteren. Dat betekent dan dat die octrooien inderdaad dezelfde werking hebben in alle aan de regeling onderworpen lidstaten. “Eenvormige bescherming en identieke rechtsgevolgen”, zoals de verordening het uitdrukt.[11] Deze octrooien kunnen ook slechts in hun geheel, dus met werking voor alle aangesloten staten, worden overgedragen, of worden beperkt of herroepen of vervallen verklaard. Licentieverlening kan daarentegen wél voor een beperkt deel van het betrokken territoir. De tweede Verordening geeft een regeling voor het talenprobleem, zoals al even bleek: altijd een heet hangijzer in deze portefeuille.

10.

Het verdrag zou in werking treden als dertien verdragslanden, inclusief de drie grootste, hadden geratificeerd; en dan zouden ook de twee verordeningen effectief worden. 

Vervolgens deed zich als eerste “hobbel” voor, dat het VK koos voor de “Brexit”. Allicht was toen de vraag of het VK nog “mee zou doen” (en zo nee, wat dat voor de ratificatie, die immers ook ratificatie door het VK vereiste, zou betekenen). Die hobbel lijkt intussen genomen: het VK heeft kenbaar gemaakt dat het ondanks de Brexit, deelnemer zou blijven in het unitaire Europese systeem van octrooien en geschillenbeslechting in verband daarmee; en het VK heeft intussen ook geratificeerd. Juristen zullen nieuwsgierig zijn naar hoe dat dan zijn praktische uitwerking moet krijgen; en inderdaad plaatst dat de betrokkenen voor heel wat vragen. Maar algemeen wordt aangenomen dat die problemen oplosbaar (zullen) zijn. Laten we het hopen.

En toen de tweede hobbel: op het allerlaatste moment – de Bondsdag en de Bondsraad hebben al ingestemd, alleen ondertekening door de Bondspresident moest nog gebeuren – is er een constitutioneel bezwaar ingediend bij het Duitse Bundesverfassungsgericht, gericht tegen de wet die goedkeuring van het Verdrag inhield. Daar wacht de inwerkingtreding van het Verdrag – en daarmee ook van de daarmee samenhangende verordeningen – nu op (want verder is het vereiste aantal ratificaties intussen gehaald). Ik weet natuurlijk niet hoe het zal aflopen, en ook niet wanneer de afloop verwacht mag worden. In een artikel in GRUR INT 2017, p. 1177 e.v., verdedigt prof. Tillmann (een Duitse hoogleraar en advocaat) voorzichtig het standpunt dat het constitutionele beroep niet zal slagen. Op de website van het Bundesverfassungsgericht is de zaak – met zaaknr. 2BvR 739/17 – vermeld onder de zaken die vermoedelijk in de loop van 2018 worden beslist. De website van het EOB geeft aan, dat inwerkingtreding van de regeling betreffende het UPC (kort) na 2018 mag worden verwacht. Laten we het nogmaals hopen.

11.

Als deze laatste hobbel inderdaad blijkt te kunnen worden genomen, zou het EU-octrooirecht na een aanloop van een kleine zestig jaar inderdaad een punt hebben bereikt waarin het ongeveer even ver gevorderd was als de “aanpalende” gebieden van IE-recht.[12] Het ziet er dus, met de nodige voorzichtigheid gezegd, naar uit dat dat inderdaad, in 2019 of misschien nog iets later, het geval zal zijn. Maar zeker is het bepaald niet.

Allicht wilt u nu weten: wat heeft deze “alternatieve” ontwikkelingsgang betekend voor de verhouding tussen het EU-recht en het nationale, in ons geval, het Nederlandse, octrooirecht?

12.

Het meest in het oog springend is waarschijnlijk toch, dat de bron van Europees recht die de Nederlandse praktijk het meest beïnvloedt, niet een bron van EU-recht is. De Nederlandse praktijk en de Nederlandse rechtsleer zijn immers vooral, en in sterke mate, beïnvloed door de ontwikkelingen in verband met het EOV; en we zagen al dat het EOV weliswaar zijn oorsprong vindt in de EU-initiatieven uit de beginjaren van de Europese Gemeenschap, maar dat dat verdrag en de daardoor in het leven geroepen besluitvormingskaders zich inmiddels los van de EU (zij het niet zonder enige beïnvloeding door de EU) bewegen. Het verdient ook aandacht, dat dat niet anders zal worden als de hiervóór besproken regeling rond het UPC in werking treedt: ook dan blijven de ontwikkelingen in verband met het EOV, waarin de EU dus geen beslissende stem heeft, heel belangrijk voor de Nederlandse praktijk.

Dat geldt (dus) ook voor de rechtspraak van de beslissingsgremia van het EOB, vooral natuurlijk de Kamers van Beroep en de Grote Kamer van Beroep. Die zetten de toon voor de beoordeling, door Nederlandse practici en Nederlandse rechters, van de regels betreffende verlening en geldigheid van octrooien. Nieuwheid, inventiviteit, vereiste mate van openbaarmaking en verheldering in het octrooischrift, marges voor toegelaten wijzigingen gedurende de verleningsprocedure – het zijn allemaal gegevens waarvoor de beslissingen uit München in Nederland grote invloed hebben; en dat zal dus ook in de toekomst zo zijn. Idem dito als het gaat om wat, in de marges van de praktijk, voor octrooiverlening in aanmerking komt: uitvindingen waarvan betwistbaar is of die tot het terrein van de techniek behoren; uitvindingen op het randgebied van de medische behandelwijze (“tweede medische indicatie”); en uitvindingen betreffende “levende materie” zijn bekende voorbeelden (maar wat betreft levende materie is de hierna te noemen Biotechrichtlijn van de EU natuurlijk ook van grote betekenis geweest). Niet dat “wij” de lijnen van het EOB kritiekloos volgen – maar dat die een belangrijke – en vaak een beslissende – invloed hebben, is onmiskenbaar.

13.

Vermelding apart verdient natuurlijk artikel 69 EOV en de daarin, en in het bijbehorende Protocol, neergelegde regel voor de uitleg van octrooien.[13] Hier is de Europese – maar dus niet: de EU – invloed op de Nederlandse rechtsleer en praktijk misschien wel het opvallendst geweest. Het begon er immers mee dat de Hoge Raad oordeelde dat artikel 69 EOV niet in de weg stond aan – integendeel, goed spoorde met – de traditionele Nederlandse leer dat uitleg van octrooien aan de hand van “het wezen van de uitvinding” moest plaatsvinden – en daarom zo nodig, als het “wezen” dat aangaf, met vergaand voorbijgaan aan beperkingen uit de octrooiconclusies.[14]

Die lezing van artikel 69 EOV (b)leek aanmerkelijk af te wijken van die, die andere tot het EOV behorende staten accepteerden; wat de Hoge Raad natuurlijk door een aantal Nederlandse schrijvers met kracht is voorgehouden.

De Hoge Raad hield aanvankelijk aan zijn in 1989 uitgesproken leer vast;[15] maar daar is hij gaandeweg toch van teruggekomen.[16] In de jongere rechtspraak van de Hoge Raad is het “wezen” van de uitvinding niet langer datgene wat voor de uitleg van het octrooi en de beschermingsomvang bepalend is, maar een “gezichtspunt” dat bij die uitleg et cetera in aanmerking genomen behoort te worden. Daarmee is de rechtspraak van de Hoge Raad waarschijnlijk nog niet helemaal in lijn met die van, bijvoorbeeld, de hoogste Engelse en Duitse rechters,[17] maar het verschil met de “oude” leer is aanzienlijk; en dat beïnvloedt de octrooipraktijk ook aanmerkelijk.

14.

De harmonisatiewetten, die ondanks het – althans in die fase – mislukken van het Unierechtelijke octrooiproject, in het verlengde daarvan tot stand zijn gekomen (en die ook soms niet werkelijk op de uit het Unierecht-in-wording blijkende regels aansloten, maar “eigen” Nederlandse vondsten inhielden), hebben voor de praktijk ook grote gevolgen gehad. Van aanzienlijke invloed is bijvoorbeeld geweest, dat bij de Wet van 29 mei 1987, Stb. 316, is afgestapt van de tot dan toe geldende regel dat nietigverklaring van Nederlandse octrooien geen “terugwerkende kracht” had waardoor nietigverklaring alleen effect had vanaf het onherroepelijk worden van de uitspraak waarbij het octrooi nietig werd verklaard. Onder het “oude” recht leidde de eerder geldende regel ertoe, dat nietigheidsacties zelden werden gevoerd, en dat van de mogelijkheden om zulke acties te vertragen – die naar het toenmalige procesrecht ruimer waren dan nu het geval is – in overvloedige mate (en zonder dat de rechters daar krachtig tegenin gingen) gebruik werd gemaakt. De huidige situatie, waarin een inbreukactie zonder parallelle – al dan niet reconventionele – nietigheidsactie bepaald uitzonderlijk is, was toen dus precies omgekeerd.

Groot effect had ook de – niet louter “Europees” geïnspireerde – regel uit de Wet van 29 mei 1987 Stb. 316, dat nagenoeg alle octrooizaken onderworpen werden aan de bevoegdheid van de rechters in eerste aanleg en in appel van Den Haag. Al vrij gauw daarop werden de Haagse colleges bemand door rechters die werkelijk kennis van zaken hadden. Een beslissing die nog vrij kort daarvoor werd gegeven, en waarin een octrooigeschil in twee instanties werd beoordeeld zonder dat de uitspraken er blijk van gaven dat ook maar enige aandacht aan de octrooiconclusies was besteed,[18] zou na deze wetswijziging niet meer denkbaar zijn. De kwaliteit van beoordeling in octrooizaken nam daarmee geweldig toe – maar de “zwaarte” waarmee zaken werden “opgetuigd”, in minstens gelijke mate. Voordien was een octrooi-kort geding een kort geding als ieder ander: niet helemaal wat men met een Angelsaksische uitdrukking “hit and run” zou kunnen noemen, maar daar toch dicht tegenaan. Niet lange tijd later, kwam de Haagse rechtbank met regels om de omvang van stukken en pleidooien in octrooizaken enigszins te beperken, en in de loop van de tijd zijn de regels voor behandeling van octrooizaken verder aangescherpt – maar zijn tegelijk ook de omvang en ingewikkeldheid van octrooizaken blijven groeien. Hier is de praktijk werkelijk totaal anders geworden dan die was vóórdat de wetgever, onder invloed van de verdragen die er dus maar gedeeltelijk werkelijk zijn gekomen, aan het werk ging.

15.

Misschien heb ik tot dusver de indruk gewekt dat het Unierecht “dus” tot nu toe weinig rechtstreekse invloed (ofschoon wel onrechtstreekse invloed) op de octrooipraktijk heeft gehad. Die indruk zou dan niet juist zijn. Er is wel degelijk ook rechtstreekse invloed geweest. Een belangrijke invloed is uitgegaan van de regelingen die het IE in het algemeen (en dus niet specifiek het octrooirecht) betroffen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de verschillende anti-piraterijverordeningen die het beslag bij de douane aan de grens mogelijk hebben gemaakt, en aan de Handhavingsrichtlijn. Vooral de regel betreffende de kosten daaruit, heeft de octrooipraktijk ingrijpend veranderd.

Er waren, en zijn, ook specifiek op het octrooirecht gerichte Unieregelingen. Bijvoorbeeld Richtlijn 98/44/EG (de Biotechrichtlijn) en Vo. (EG) nr. 469/2009 over aanvullende beschermingscertificaten voor geneesmiddelen – beide alleszins relevant (ook) voor de Nederlandse praktijk. Ik noem ook Vo. (EG) nr. 816/2006, die de mogelijkheid opent van dwanglicentiering ten behoeve van productie voor – iets te kort door de bocht – “arme landen”. Of die regeling in de praktijk veel wordt toegepast kan ik vanuit mijn stoel niet beoordelen – maar het is ongetwijfeld een sympathieke regeling. En de Unie zit niet stil. Terwijl ik dit schrijf – half juli 2018 – loopt er een uitnodiging van de Europese Commissie om zich aan te melden als lid van een “Group of experts on licensing and valuation of standard essential patents”. De aanmeldingstermijn sluit 20 augustus, dus waarschijnlijk vóór u dit stukje kunt lezen. Jammer. Maar er wordt wel gewerkt, zoveel is duidelijk.

16.

Wat het procesrecht en de Unie betreft, verdient nog de aandacht, dat de Nederlandse praktijk zich aanvankelijk sterk heeft geconcentreerd op wat inmiddels artikel 8, aanhef en sub 1 van de EEX-Vo is.[19]

Ten slotte is de hierdoor aan de orde komende uitleg van de relevante EEX-regel in twee octrooizaken aan het HvJ voorgelegd, en is dat Hof tot een zeer restrictieve uitleg van deze regel gekomen, in combinatie met een strikte uitleg van de regel die nationale rechters exclusief bevoegd verklaart om te oordelen over de geldigheid van de voor “hun” territoir verleende octrooien.[21] Door deze rechtspraak van het HvJ kwam er nieuwe druk te staan op het streven naar uniforme en geconcentreerde octrooirechtspraak binnen de EU. Het gaat dan om de regel dat in zaken met meerdere verweerders, de zaak bij de rechter van de woonplaats van één van die verweerders kan worden aangebracht, mits tussen de zaken een zodanige band bestaat dat gelijktijdige behandeling ter vermijding van onverenigbare beslissingen geboden is. Aan de hand van (de voorloper van) die regel is in Nederland praktijk tot ontwikkeling gekomen waarbij inbreuken op rechten van intellectuele eigendom in een aantal EU-lidstaten, in één zaak tegelijk voor de Nederlandse rechter werden gebracht, op basis van het gegeven dat ten minste één van de (meestal: concernverwante) inbreukmakers in Nederland gevestigd was. Gevraagd werd dan om zogenoemde “cross-border”-beslissingen met gelding voor alle landen waarin de verschillende gedaagden actief waren. De rechtspraak bleek aanvankelijk bereid hierin mee te gaan, zij het met de beperking dat de in Nederland gevestigde partij als “spin in het web” te kwalificeren moest zijn.[20]

Ten slotte is de hierdoor aan de orde komende uitleg van de relevante EEX-regel in twee octrooizaken aan het HvJ voorgelegd, en is dat Hof tot een zeer restrictieve uitleg van deze regel gekomen, in combinatie met een strikte uitleg van de regel die nationale rechters exclusief bevoegd verklaart om te oordelen over de geldigheid van de voor “hun” territoir verleende octrooien.[21] Door deze rechtspraak van het HvJ kwam er nieuwe druk te staan op het streven naar uniforme en geconcentreerde octrooirechtspraak binnen de EU.

17.

En dat streven lijkt nu – misschien – dus succes te zullen hebben. En alle veranderingen uit het verleden vallen in het niet bij wat te wachten staat als het UPC-verdrag en de daaraan gekoppelde verordeningen inderdaad tot stand komen. Zoals in nrs. 9-11 hiervóór werd besproken, wordt algemeen verwacht dat dat wel zal gebeuren, en op afzienbare termijn.

Wie, zoals ik, de lange voorgeschiedenis van bedrogen verwachtingen op dit gebied heeft meebeleefd is misschien iets minder optimistisch – maar de kans dat het zo zal lopen is toch bepaald reëel te noemen. Dan zullen Europese octrooizaken dus in snel toenemende mate (alleen) nog behandeld worden door de verschillende gremia van het UPC. Duitsland legt het er heel duidelijk op toe, hier de grootste plaats te gaan bekleden. (Duitsland is van plan vier gerechten van eerste aanleg te “benoemen”, op basis van een verleden waarin in Duitsland circa tien keer zoveel octrooizaken werden beoordeeld als in Nederland; en Nederland is als het om octrooizaken gaat, een bovengemiddeld grote “speler”.)

Nederlandse practici moeten er dus op voorbereid zijn – en dat zijn ze ook – om volwaardig in colleges in andere landen in het krijt te treden. Daarbij zullen ze pittige concurrentie ervaren van buitenlandse collega’s – de Duitse allicht in de eerste plaats. En terwijl de “markt” voor behandeling van octrooigeschillen op termijn dus werkelijk Europees belooft te worden, zal men zich ook moeten aanpassen aan de nieuwe (proces)regels van geschilbeslechting én aan een zich rond die regels ontwikkelende praktijk – die ongetwijfeld, zeker de eerste tijd, plaatselijk verschillen te zien zal geven. Voor de liefhebbers van nieuwe uitdagingen – en als ik de media mag geloven zijn dat er vele –, daagt een gouden toekomst.

O ja – en dan het materiële octrooirecht. Hiervóór kwam al terloops ter sprake dat de rechtspraak van de Hoge Raad als het om uitleg en beschermingomvang van octrooien gaat, ogenschijnlijk niet eenop-een loopt met de rechtspraak elders, waaronder die in Duitsland. Wat dat voor de toekomst belooft, is allicht in hoge mate onzeker. Men kan zich voorstellen dat octrooihouders een zekere neiging zullen vertonen voor Nederland als voorkeursforum – althans zolang niet blijkt dat een eventuele extra ruime uitleg van de Nederlandse UPC-rechters,[22] gerede kans loopt om in appel te worden “gecorrigeerd”. Men zij er overigens op bedacht – het kwam al even ter sprake – dat de UPC-regels de ruimte voor forumshoppen proberen te beperken. Maar op dat punt hebben Nederlandse advocaten (en rechters) al eerder interessante varianten laten zien. Ook hier dus: nieuwe uitdagingen.

18.

Tot besluit: als het werkelijk lukt om een unitair octrooisysteem met unitaire geschillenbeslechting tot stand te brengen – en daar ziet het nu dus wel naar uit – zal de EU dit rechtsgebied daadwerkelijk een grote stap vooruit hebben geholpen. Ik hoop van harte dat dat dus gebeurt; en ik hoop daarbij, dat de Nederlandse practici (rechters incluis) de kans zullen krijgen om in die ontwikkeling de partij mee te spelen die hun, als behorend tot de (ruimschoots) betere beoefenaars van dit recht die Europa te bieden heeft, zeker toekomt. Daarom: waardig over de drempel – en alle succes daarbij gewenst!

19. Eindnoten

* Jhr. mr. J.L.R.A. Huydecoper is oud-AG bij de Hoge Raad en oud-redacteur van dit blad.

1. Intussen verdient natuurlijk wel vermelding, dat de Unie blijkens art. 17 lid 2 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, de rechten van intellectuele eigendom waardeert als grondrechtelijk beschermde eigendom; zie over het Handvest en de intellectuele eigendom bijv. Alberdingk Thijm en de Vries, BIE 2015 p. 174 e.v. (waar overigens blijkt dat het octrooirecht hier niet in het middelpunt van de belangstelling staat).

2. Met als een van de “leading cases” het arrest HvJ EG 31 oktober 1974, Jur. 1974, p. 1147 e.v., NJ 1975/58, BIE 1975, nr. 1 (p. 5 e.v.) (Centrafarm/ Sterling Drug).

3. Maar van een leien dakje liep het in beide gevallen niet, zie voor een ruim bronnenoverzicht Tsoutsanis, Het merkendepot te kwader trouw, diss. 2005, p. 190, voetnoot 7.

4. O.a. te vinden in PbEG 1976 L17/1 en in GRUR INT 1976, p. 231 e.v.

5. HvJ 8 maart 2011, Opinion nr. 1/09, ECLI:EU:C:2011:123 (Celex 62009CV0001).

6. Zie bijv. het document dat wordt aangekondigd in GRUR INT 2011, p. 566.

7. Zie voor gegevens de preambule van Vo. (EU) nr. 1257/2012; zie ook r.o. 41 van HvJ EU 5 mei 2015, zaaknr. C-146/13, en de uitspraak waarnaar in die r.o. wordt verwezen.

8. De tekst is onder andere te vinden in het PbEU 2013 C175/1 en in het OJ van het EOB, 2013, p. 287.

9. Vo. (EU) nr. 1257/2012 en Vo. (EU) nr. 1260/201, beide dus van 17 december 2012, Pb 2012 L361/1 en L 361/89.

10. “Shoppen” tussen die instanties wordt in het verdrag door een gedetailleerde bevoegdheidsregeling ontmoedigd.

11. Die bescherming en werking worden bepaald door het nationale recht dat op het octrooi in kwestie van toepassing is, art. 5 lid 3 Vo. (EU) nr. 1257/2012.

12. Zoals in voetnoot 11 al opgemerkt, verwijst de verordening inzake “unitaire werking” echter voor de uitwerking naar de nationale wetten van de verdragslanden – wat een wezenlijk andere systeem oplevert dan dat van de unitaire regelingen voor merken-, modellen- en kwekersrecht.

13. Zoals al even bleek is de toenmalige Rijksoctrooiwet o.a. bij de Rijkswet van 12 januari 1977, Stb. 160 aangepast aan de inmiddels tot stand gekomen verdragen; en de Memorie van Toelichting bij die wet (Kamerstukken 15038) verwijst expliciet naar art. 69 EOV en het Protocol.

14. HR 27 januari 1989, NJ 1989/506, m.nt. LWH (Meyn/Stork).

15. Zie bijv. HR 29 maart 2002, NJ 2002/530, m.nt. Gielen (Van Bentum/ Kool), verwijzend naar HR 13 januari 1995, NJ 1995/391 – welk arrest dus blijkbaar volgens de Hoge Raad dezelfde leer inhield.

16. HR 7 september 2007, NJ 2007/466 – weer met verwijzing naar HR 13 januari 1995, NJ 1995/391, dat dus blijkbaar ook de andere leer uit dit latere arrest ondersteunt; en HR 22 mei 2012, NJ 2013/68, m.nt. Van Engelen.

17. Zie voor gegevens bijv. Huydecoper/ Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, Industriële Eigendom 1, 2016, nr. 3.5.2.3.

18. Hof Arnhem 24 februari 1987, BIE 1988, nr. 16, p. 52 e.v., m.nt. vNH.

19. Verordening van 12 december 2012, (EU) nr. 1215/2012, Pb 2012 L 351/1.

20. Hof Den Haag 23 april 1998, IER 1998/30, p. 170 e.v., m.nt. S. de Wit.

21. HvJ EG 13 juli 2006, zaaknrs. C-539/03 en C-4/03, BIE 2006, nrs. 72 en 73, p. 372 en 375.

22. De UPC-regels voorzien er overigens in dat de door de verdragslanden ingestelde gremia maar gedeeltelijk door “eigen” rechters worden bemand, en dat daarin ook buitenlandse rechters moeten deelnemen.

Titel, auteur en bron

Titel

Octrooi- en Unierecht

Auteur(s)

Toon Huydecoper

Bron

Berichten Industriële Eigendom, BIE, juli/augustus 2018, deLex

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT64:1