Naar een nieuwe juridische kennisinfrastructuur

Auteur(s): Bron:

Samenvatting

Volgens de auteurs is nu het moment om toe te werken naar een nieuwe open infrastructuur voor juridische informatie. Er worden al vele initiatieven genomen om zowel het publiceren, als het waarderen, als het  controleren van juridisch materiaal te verplaatsen naar het open domein. Voorkomen moet echter worden dat er tal van losse initiatieven ontstaan, die niet of slecht op elkaar afgestemd zijn, die koppeling van juridische data lastig maakt, en die de (kleine Nederlandse) juridische gemeenschap afhankelijk maakt van systemen die een eigen leven gaan leiden. In ieder geval moeten met publieke middelen gefinancierde teksten  ondergebracht worden in de open infrastructuur. Rechtswetenschap en -praktijk zullen er van profiteren.

1 Inleiding

Het is aantrekkelijk voor de juridische gemeenschap om tegen lagere kosten sneller toegang te hebben tot kwalitatief goede artikelen, annotaties en andere juridische teksten. Waarom blijft, zoals Dirk Visser eerder in dit blad  stelde, de focus van de meeste juridische wetenschappers, faculteiten en de rechtspraktijk dan nog steeds liggen op boeken en papieren tijdschriften? En waarom wordt nog relatief weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheden van het internet? Eén oorzaak lijkt te zijn gelegen in de patstelling waarin relevante actoren zich bevinden. Juridische auteurs, faculteiten, rechtspraktijk en uitgevers geven vaak aan wel te willen, maar niet eigenhandig ‘het systeem’ te kunnen veranderen. Individuele juridische auteurs valt daarbij weinig te verwijten als we kijken naar de minimale veranderingen op het gebied van ontsluiting van juridische informatie. Er zijn namelijk onvoldoende mogelijkheden voor nationaal georiënteerde juristenwetenschappers om bijvoorbeeld open access te kunnen publiceren. Online publiceren staat nu nog veelal gelijk aan publiceren via de papieren tijdschriften van de juridische uitgevers, waarna deze tijdschriften uiteindelijk (vaak) digitaal ontsloten worden via abonneedatabanken. Verder geldt dat over de hele linie juridische wetenschappers zich steeds meer moeten laten leiden door de waarderingssystemen binnen universiteiten en onderzoeksfinancieringsorganisaties.

Artikelen moeten in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd zijn om mee te tellen in visitatierondes. In de Nederlandstalige markt betekent dit een papieren tijdschrift. Veel juridische open access-tijdschriften, zoals Amsterdam Law Forum, Utrecht Law Review, Global Jurist, zijn namelijk Engelstalig. Internationaal gezien geldt dan echter weer dat juist de toptijdschriften erom bekend staan dat zij, zacht gezegd, niet enthousiast zijn over open access publiceren. Sterker, zij verbieden dit vaak expliciet in de publicatieovereenkomsten die auteurs moeten tekenen, waarbij overigens nog wel eens een uitzondering gemaakt wordt voor publicatie in eigen lay-out op een persoonlijke homepage. Kwaliteitsborging is misschien wel het grootste aandachtspunt bij het open en online publiceren. Als het web vol komt te staan met niet door een onafhankelijke redactie of peer reviewers bekeken stukken, moet de lezer zelf de inhoud elke keer weer op waarde schatten. En als een online tijdschrift wel werkt met een redactie of reviewers heeft zo’n tijdschrift nog niet zo maar een reputatie verdiend.

Datzelfde geldt voor de auteurs die voor die tijdschriften schrijven. Het feit dat een jurist-wetenschapper vooral aan zijn reputatie lijkt te kunnen werken door ‘op papier’ te publiceren, doet de ontwikkeling van papier naar online in een impasse belanden. Dat is jammer want het soms veronderstelde gebrek aan kwaliteit en status van online tijdschriften is deels ook een kwestie van de kip en het ei. Voor bijvoorbeeld het Nederlands Juristenblad geldt dat als het morgen open access wordt en de hele redactie meegaat, het blad niet aan kwaliteit inboet terwijl het bereik vele malen groter zal zijn, het ontsluitingsproces sneller wordt en het productieproces goedkoper. Hiernaast bewijst een internationaal tijdschrift als Global Jurist dat kwaliteit en open access best samen kunnen gaan.

2 Naar meer vrij toegankelijke juridische informatie

Dat ondanks de bovengenoemde hobbels de ontsluiting van juridische informatie in de toekomst anders zal gaan, staat wat ons betreft vast. De vraag is alleen wanneer, en hoe.

Om de patstelling te doorbreken en een mogelijkheid te creëren om kwalitatief goed materiaal vrij toegankelijk te maken, heeft NWO een voorzichtig initiatief genomen. Het stelt middelen beschikbaar om licenties te kunnen afkopen opdat goede (juridisch-)wetenschappelijke publicaties toch vrij toegankelijk gemaakt kunnen worden.  Het initiatief is lovenswaardig maar heeft wat ons betreft een verkeerde insteek. Als het geld op is, houdt het weer op en daarna kunnen alleen rijke instellingen en onderzoekers van een dergelijk verdienmodel profiteren. De uitgevers lijken hiermee bovendien de lachende derde. Het oude verdienmodel gebaseerd op abonnementen blijft bestaan en er komt een nieuwe bij dat hen in staat stelt nog meer te verdienen aan hetzelfde materiaal. Interessanter lijkt de ontwikkeling die plaatsvindt in andere wetenschapsgebieden, en voorzichtig ook in de rechtswetenschap, om te werken met publication fees, een bijdrage in de publicatiekosten van een open access-tijdschrift te betalen door de auteur. Het meeste bekende voorbeeld is PLOS, een verzameling van vrij toegankelijke tijdschriften in disciplines als geneeskunde en biologie.

Auteurs betalen bij PLOS een publication fee waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen van het land dat het in een artikel beschreven onderzoek financiert. De bedragen lopen uiteen van 0 tot 2900 dollar.  Ook in Nederland zijn er al faculteiten en onderzoeksgroepen die hiervoor een concreet budget reserveren en NWO accepteert deze kostenpost bij het budget van onderzoeksvoorstellen. Wij hebben bij deze ontwikkeling onze twijfels, omdat het hebben van een financiële armslag in dit geval leidend kan worden voor het bekend worden van publicaties, en niet de kwaliteit ervan. Tevens kan het feit dat tijdschriften per artikel betaald worden een perverse prikkel geven voor het acceptatiebeleid. Uiteraard kunnen mechanismen bedacht worden die deze bezwaren ondervangen (zoals de vrijstelling van publicatiekosten voor auteurs uit arme landen (PLOS) of het vragen van geld per aangeboden artikel in plaats van per gepubliceerd artikel), maar deze hebben vaak weer ongewenste neveneffecten. Los van het NWO zien we ook juristen in praktijk en wetenschap kleine stappen zetten in de richting van een online en vrij toegankelijke wereld. Zo stimuleren veel universiteiten medewerkers om na publicatie van een artikel op papier, op zijn minst de bibliografische gegevens vrij toegankelijk online te zetten. Plaatsing van een artikel of bibliografische gegevens zorgt immers voor meer publiciteit. Althans, de kans dat een gebruiker van het internet tegen het artikel of de gegevens aanloopt, is aanzienlijk groter dan wanneer die gegevens slechts op papier of in een abonneedatabank beschikbaar zijn. Voorwaarde is dan natuurlijk wel dat de site waar de gegevens zijn geplaatst, goed vindbaar is voor de meest gangbare zoekmachines. Bijkomend voordeel van dit soort plaatsingen (achteraf) is dat er geen afbreuk gedaan wordt aan status en kwaliteit, omdat het stuk immers al is goedgekeurd door de redactie van de traditionele papieren uitgave.

Het online plaatsen van een tekst gebeurt niet alleen achteraf om publicitaire redenen, maar vaak ook vooraf om een onderwerp te claimen. Sommige onderzoekers plaatsen in afwachting van de publicatiebeslissing van een tijdschrift een versie van hun paper op een vrij toegankelijk online platform, zoals bijvoorbeeld SSRN. Hierbij is men echter wel weer afhankelijk van de toestemming en dus van de goede wil van de redactie van het tijdschrift waar het artikel is ingediend. Indien men echter die toestemming krijgt, kunnen die auteurs wel aangeven dat zij de eerste waren die bevindingen over een bepaald onderwerp naar buiten brachten. Artikelen worden trouwens ook na publicatie op SSRN geplaatst. Er zijn ons echter meerdere anekdotes bekend waarbij hiervoor geen toestemming werd verkregen, althans niet binnen een relevant tijdsbestek. Wij hebben dit niet wetenschappelijk onderzocht, maar het zou ons niet verbazen als de toegenomen bekendheid van SSRN hier een handicap is. Nu sommige faculteiten het aantal SSRN-hits gaan gebruiken om rankings samen te stellen, lijken uitgevers in de concurrentiemodus te schieten en staan zij dubbele publicatie – in hun boeken of tijdschriften en op SSRN – niet toe. Publiciteit en het claimen van een deskundigheid op een zeker juridisch terrein zijn ook de belangrijkste redenen dat steeds meer advocatenkantoren artikelen, opinies en commentaren op hun eigen websites plaatsen. Hierbij speelt uiteraard de commercie een rol. Daar waar een wetenschapper middels openheid de wereld wil laten weten waar hij goed in is, wellicht in de hoop een onderzoeksopdracht binnen te slepen, zal het de commerciële advocatuur natuurlijk vooral gaan om nieuwe cliënten. Een andere plek waar steeds meer juristen zich roeren, zijn weblogs of blogs. Dirk Visser schreef hierover zelfs dat het schrijven op een blog inmiddels de meeste efficiënte manier is om een publiek van geïnteresseerde vakgenoten te bereiken. Voorbeelden van Nederlandse juridische weblogs zijn: Weblog Publiekrecht & Politiek, NJBlog, Weblog Recht en Bestuur NRC Handelsblad. Deze blogs hebben allemaal een redactie en bieden daarom een zekere kwaliteit.

3 Openheid en creativiteit

De openheid waar wij voor pleiten heeft niet alleen het voordeel van een groter bereik. Ook de creativiteit kan een impuls krijgen. Redacteur Corien Prins verwees eerder in dit blad naar de lange staart.14 In relatie tot dit economische concept stelde zij dat wij heel veel kennis en ideeën van een enorme groep collega-juristen en deskundigen niet in het vizier hebben, maar dat wij door het schrijven in de digitale wereld beter in staat zijn deze groep te bereiken. Dit maakt de kans groter dat nu juist dat ene idee komt bovendrijven dat we gegeven een probleem of ambitie net nodig hebben. Dit sluit nauw aan bij de wijsheid van de menigte, de wisdom of the crowd, een mechanisme waarmee men niet alleen meer mensen bereikt, maar waarbij ook de diversiteit van het bereik heel groot is. Met een groot aantal en een grote diversiteit aan meningen, ideeën en bijdragen kan iets intelligents tot stand gebracht worden dat de mogelijkheden van individuen en individuele organisaties overtreft. Zoals ook al eerder aangekaart door Tom Barkhuysen, wordt door juridische artikelen en commentaren vrij toegankelijk op het internet te plaatsen, een grote diverse groep mensen bereikt en kan door middel van actie en reactie een artikel of commentaar scherp geslepen worden. En actie en reactie zijn essentieel voor een goede ontwikkeling van het recht. De mogelijkheid van interactie tussen de juridische wetenschap en de praktijk, zou hierbij in het bijzonder moeten aanspreken. Bijkomend voordeel is, dat een open juridische infrastructuur door een breder publiek geraadpleegd kan worden dan in de papieren wereld vaak het geval is, waardoor niet-juristen ook de mogelijkheid hebben een opinie te uiten of op andere aspecten van de zaak te wijzen. Voor het succes van dit mechanisme zijn overigens wel de onafhankelijkheid en diversiteit van de individuen essentieel, evenals het bestaan van een kritische massa.

4 Kwaliteit en open juridisch publiceren
De verspreiding is zo goed als gratis, het bereik is groot, de creativiteit kan een impuls krijgen, dan rest nog de kwaliteit van open online juridisch materiaal. Deze moet goed zijn en bovendien moet inzichtelijk zijn hoe een kwaliteitstoets heeft plaatsgevonden. Ook hierbij zou de crowd zou ook een rol kunnen spelen. Het vaak nog gebruikte traditionele redactiewerk zou meer en meer vervangen kunnen worden door peer review, een vorm van beoordelen die makkelijk online te organiseren is. Naast de gebruikelijke vormen (blind, double blind) zou bijvoorbeeld open peer review een alternatief kunnen zijn. Dit is een vorm van peer review waarbij een artikel dat nog niet is beoordeeld online gezet wordt en waarbij een groep van deskundigen gevraagd wordt hun commentaar te geven en dat online te plaatsen, vrij toegankelijk. Hiernaast kunnen ook andere gebruikers van het internet worden uitgenodigd om te reageren. Ook die commentaren zijn vrij toegankelijk. Vervolgens gaan de auteurs met de commentaren aan de slag en wordt het definitieve artikel online gezet. De prestigieuze Shakespeare Quarterly heeft geëxperimenteerd met deze vorm van peer reviewing, waarbij dit blad overigens de uiteindelijke versie nog een keer door de redactie liet beoordelen om vervolgens het besluit te nemen om het artikel in het papieren blad te plaatsen. Een ander peer review-experiment dat aandacht verdient, is wat men noemt Natural Selection of Academic Papers (NSAP). Bij deze vorm van peer review spelen de repositories van de universiteiten een belangrijke rol. Dat moet de plek worden waar alle wetenschappelijke output gearchiveerd moet worden, ook niet eerder beoordeelde output. Vervolgens worden deze repositories gekoppeld aan een voor de gehele juridische gemeenschap toegankelijke repository, die de basis zou moeten worden voor review. In deze opzet dienen de individuele universiteiten zorg te dragen voor de kwaliteit van de voor peer review aangeboden stukken. Auteurs kunnen zelf ongelimiteerd reviewers uitnodigen, die commentaar plaatsen in het

archief. Anders dan gebruikelijk is in het double blind review-systeem van veel papieren tijdschriften, gebeurt dit niet anoniem. Sterker nog, door verificatie van e-mailadressen kan juist bewust gezorgd worden dat commentaar van lezers met een wetenschappelijke aanstelling geoormerkt wordt. Daarnaast kunnen lezers zowel commentaar geven op het artikel als op de commentaren. Zo ontstaat er volgens dit model een natuurlijke selectie. In zekere zin zijn de Research Paper Series van SSRN, waarbij rechtenfaculteiten hun naam verbinden aan een bepaalde collectie artikelen, een rudimentaire vorm van deze wijze van selecteren. Alleen is SSRN dan weer zo ontworpen dat uiteindelijk de nadruk komt te liggen op het aantal downloads, wat natuurlijk een heel ander selectiemechanisme is dan peer review. Deze ontwikkelingen maken evenwel duidelijk dat openheid samen kan gaan met creativiteit en kwaliteit. Hiernaast is het vandaag de dag niet moeilijk meer om een mechanisme te koppelen aan een website zodat anderen reacties kunnen toevoegen aan juridische artikelen en commentaren. Een veelgehoorde klacht is echter dat commentaar op internet achterlaten anoniem kan en dat daardoor de auteurs niet ter verantwoording geroepen kunnen worden. Dit kan echter ook anders. Denk aan het succes van Facebook en Twitter en het gebruik van officiële e-mailadressen ter validering. Ook goed gemodereerde commentarenfora zoals dat van de Britse krant The Guardian, waarbij gewaardeerde commentatoren een steeds hogere status kunnen verdienen, kunnen een inspiratiebron zijn.

5 Kwaliteit en juridisch onderzoek

Tot slot zouden juristen zich bewust moeten zijn van de mogelijkheden die online ontsluiting met zich meebrengt voor activiteiten in de onderzoeksketen. Het internet biedt ook mogelijkheden om de communicatie omtrent de resultaten en het samenstellen van publicaties anders aan te pakken. Zo is het thema van de openbaarheid en het delen van onderzoeksdata onlangs weer op de agenda gezet. Deze discussie heeft daarbij een extra impuls gekregen door de affaire-Stapel, wat geleid heeft tot de instelling van de Commissie Onderzoeksgegevens in de Wetenschap die voor de KNAW gerapporteerd heeft over criteria voor schending van de integriteit. Dit debat raakt ook juristen-wetenschappers. Ook degenen die geen empirisch onderzoek doen, zouden in de toekomst geconfronteerd kunnen worden met nieuwe eisen omtrent de verantwoording van, bijvoorbeeld, jurisprudentie-analyse. Daarnaast groeit het aantal juridische onderzoeksgroepen dat een meer sociaalwetenschappelijke insteek kiest en het onderzoek (mede) baseert op data verkregen uit enquêtes en interviews of zelfs experimenten. Open publicaties over dergelijk onderzoek moeten vergezeld gaan met de beschikbaarheid van het materiaal waarop de publicaties gebaseerd zijn. Wellicht dat het SURFshareprogramma hierbij een rol kan spelen. Dit programma claimt de onderzoekscyclus van aard te doen veranderen door publicaties in samenhang te presenteren met onderliggende onderzoeksmaterialen.

6 Naar een nieuwe juridische kennisinfrastructuur

Er vinden dus initiatieven plaats om zowel het publiceren, als het waarderen, als het controleren van juridisch materiaal naar het open domein, naar een open infrastructuur te verplaatsen. Hoe zal zo’n een open juridische kennisinfrastructuur eruit gaan zien? Daartoe kunnen we bijvoorbeeld kijken naar de ontwikkeling die in gang gezet is door de advocatuur in samenwerking met de overheid en de wetenschap. Daarbij is eerst en vooral duidelijk geworden dat het van belang is dat juridische teksten worden opgeslagen op een wijze die er voor moet zorgen dat de informatie-uit-wisseling en koppeling op een zo efficiënt mogelijke wijze kan geschieden. Bij de overheid is deze ontwikkeling al jaren geleden in gang gezet met als gevolg dat er inmiddels een proof of concept, Linked Data Overheid, is ontwikkeld waarbij verschillende soorten overheidsdata aan elkaar geknoopt zijn. Dit maakt het mogelijk dat wanneer een gebruiker van bijvoorbeeld Wetten.nl een wetsartikel oproept, hij tevens andere aan dat artikel gerelateerde documenten te zien krijgt: parlementaire documenten, Staatsbladen, de Staatscourant. De advocatuur, in samenwerking met de wetenschap, is aangehaakt bij dit concept en heeft (in eerste instantie) commentaren op wet- en regelgeving en annotaties toegevoegd aan het concept van de overheid. Dit betekent dat niet alleen overheidsdocumenten, maar ook door advocaten, wetenschappers en andere juristen geproduceerde commentaren bij wetgeving zichtbaar kunnen worden als een gebruiker een wetsartikel oproept in Wetten.nl. Deze commentaren staan net als de wet- en regelgeving in het publieke domein. Een vurige wens van de juristen-wetenschappers die meedenken over het concept, is dat na de commentaren ook juridische artikelen toegevoegd gaan worden en dat deze middels een peer review-systeem beoordeeld gaan worden. Dit moet dan in de toekomst leiden tot een of meer databases met vrij toegankelijke altijd traceerbare gekoppelde juridische teksten. En dat niet alleen, tevens moet het een infrastructuur worden die de mogelijkheden van onderzoek in, naar en met gekoppelde juridische teksten faciliteert. Zoals een van de oprichters van het open platform voor de bèta-wereld, arXiv.org, het onlangs zo mooi schetste: If scholarly infrastructure can be upgraded to encourage maximal spontaneous participation, then we can expect not only increasingly automated interoperability among databases and increasing availability of materials online for algorithmic harvesting — articles, datasets, lecture notes, multimedia, and software — but also qualitatively new forms of academic effort. Het moet een elektronische juridische infrastructuur worden die gebruik maakt van de mogelijkheden tot interactie en integratie en die meer biedt dan alleen een snellere, goedkopere verspreiding van informatie en wetenschappelijke publicaties. Het gaat niet alleen om een transformatie van de toegang tot (wetenschappelijke) juridische informatie, maar ook om de manier waarop rechtswetenschappers en praktisch werkzame juristen deze informatie verwerken. Het verdient hierbij wat ons betreft aanbeveling om zoveel mogelijk aan te sluiten bij buitenlandse ontwikkelingen. Het internet kent immers nauwelijks landsgrenzen en zelfs steeds minder taalbarrières nu (geïntegreerde) vertaalfuncties kwalitatief steeds beter worden. Wij noemen hier de gratis database genaamd WorldLII31 die uitspraken van buitenlandse rechters ontsluit als voorbeeld van een bron die via verbindingen met een online platform meer gebruikt zou kunnen worden in Nederland. Een ander voorbeeld van een publiek toegankelijke database, waarbij aansluiting gezocht zou kunnen worden is die van het Comparative Constitutions Project, waarin data over alle grondwetten wereldwijd sinds 1789 opgenomen zijn. Een nieuwe kennisinfrastructuur kan het doorzoeken van rechtsbronnen vereenvoudigen door middel van nieuw ontwikkelde zoekalgoritmes waarin tal van dwarsverbanden gemaakt worden naar verklarende en complementaire teksten. Om een concreet voorbeeld te geven uit de beleidscontext: technologisch gezien zou het mogelijk moeten zijn publicaties en commentaar over een bepaalde wet gefilterd van het internet te oogsten en te gebruiken voor wetsevaluatie. Verdere mogelijkheden zijn attendering op andere interessante teksten met gebruikmaking van sociale media en tekstanalyse-software.

Het is hierbij wel van belang dat goed nagedacht wordt over de structuur van deze attendering en over de manier waarop algoritmes hierbij in gezet worden. In een wetenschappelijke infrastructuur is het immers belangrijk dat men ook geattendeerd wordt op afwijkende meningen en resultaten en niet, zoals helaas nog vaak gebeurt op het internet, gestimuleerd wordt in het ontwikkelen van een tunnelvisie.

7 Conclusie

Uiteraard is het pleidooi voor het denken in termen van een nieuwe open infrastructuur voor juridische informatie ambitieus. Toch is wat ons betreft nu het momentum daar. Maar, online eerder op papier verschenen materiaal openbaar maken is één ding, echt online publiceren en daarbij optimaal gebruik maken van de mogelijkheden die het internet biedt, is iets heel anders. En een belangrijke vraag is, wie neemt het initiatief om de infrastructuur te organiseren en te financieren? Het internet zelf mag zich weinig aantrekken van landsgrenzen, voor de organisatie en financiering van een structuur die zowel gebruikmaakt

van de mogelijkheden van het internet, als rekening houdt met de lokale behoeften en beperkingen, geldt dit niet. Echter, als deze ontwikkeling voet aan de grond krijgt, kan dat tal van voordelen hebben: open juridische data (wetten, verdragen, Kamerstukken, uitspraken, commentaren, artikelen); op basis van afgesproken standaarden gekoppelde juridische data als gevolg waarvan relevante dwarsverbanden getoond kunnen worden; meer mogelijkheden voor (empirisch) onderzoek; betere mogelijkheden voor juridisch tekstonderzoek; transparante opslag van onderzoeksdata; creatieve en kwalitatieve impulsen door een groter bereik en transparante beoordeling; geen afhankelijkheid van commerciële juridische uitgevers, en dat allemaal tegen geringe kosten in vergelijking met de huidige ontsluiting van juridische informatie. Dat laatste met name omdat de juridische teksten vrij toegankelijk zijn en niet meer op papier via de post verspreid worden. Van groot belang voor de kans van slagen van de geschetste ontwikkeling is de deelname van vertegenwoordigers van alle belangrijke spelers in de juridische (informatie)markt. Er moet voorkomen worden dat er tal van losse initiatieven ontstaan, die niet of slecht op elkaar afgestemd zijn, die koppeling van juridische data lastig maakt, en die de (kleine Nederlandse) juridische gemeenschap afhankelijk maakt van systemen die een eigen leven gaan leiden en partijen die hun particuliere belang boven het algemene belang stellen. In ieder geval moeten de met publieke middelen gefinancierde teksten ondergebracht worden in de open infrastructuur. Rechtswetenschap en -praktijk zullen er van profiteren.

8 Eindnoten

1. Dr. A.C.M. Meuwese is universitair hoofddocent bij het departement Public Law, Jurisprudence & Legal History van Tilburg Law School. Mr. J.G.L. van der Wees is lid van het dagelijks bestuur van de stichting Platform Open Commentaren.

2. D.J.G. Visser, ‘Le plaisir de se voir digitalisé’, NJB 2010/728, afl.14, p. 879. De terugtrekking van een aantal universiteiten als financiers/ondersteuners van het Electronic Journal for Comparative Law (EJCL) is in lijn met deze papieren focus.

3. Op de website van de Universiteit van Amsterdam lezen we: ‘Op dit moment belemmert het klassieke systeem van betaalde abonnementen voor velen de toegang tot wetenschappelijk materiaal.’ Hiernaast stelt dat Eric Tjong Tjin Tai dat de toegankelijkheid van proefschriften te wensen overlaat, NJB 2010/1400, afl. 27, p. 1754.

4. Zie https://www.degruyter.com/view/j/gj voor de website van de Global Jurist.

5. Stimuleringsfonds Open Access, NWO. Dit najaar wordt ondersteund door NWO een open access platform Familie & Recht gelanceerd.

6. Karel Berkhout, ‘ Wat mag een wetenschappelijk artikel kosten? ’, NRC Handelsblad, 26 juli 2012 (online).

7. Een aantal buitenlandse open access tijdschriften vraagt vergoedingen. Zo kost een publicatie in het Canadese Journal of Law and Politics 300 dollar. 

8. Publication Fees, Plos.org.

9. Karel Berkhout, ‘ PLOS toont dat goed niet duur hoeft te zijn ’, NRC Handelsblad, 24 juli 2012.

10. Zo verwijst de UvA medewerkers naar de website The effect of open access and downloads (‘hits’) on citation impact . Zie ook Netkwesties, ‘ Open Access verplicht bij Erasmus Universiteit ’, 20 januari 2010.

11. Zoals de website van de repository van de Universiteit van Amsterdam aangeeft: ‘Aan het wereldwijd toegankelijk maken zijn grote voordelen verbonden. Publicaties die vrij toegankelijk zijn, worden bijvoorbeeld vaker gedownload en geciteerd.’ Zie ook: Digital Academic Repository (DARE), dare.uva.nl.

12. Een voorbeeld hiervan is TILT-onderzoeker Arnold Roosendaal. Hij schreef het artikel ‘Facebook Tracks and Traces Everyone: Like This’, diende het ter publicatie in bij een online tijdschrift een plaatste het tegelijkertijd met toestemming van het tijdschrift op SSRN. Hij had het idee een spraakmakend artikel geschreven te hebben en wilde daar via SSRN alvast een ‘claim’ op leggen. Althans, hij wilde ruchtbaarheid geven aan het onderwerp en aan het feit dat hij degene is die het onderwerp op de kaart gezet heeft. Hij kreeg toestemming van het online tijdschrift tot plaatsing op SSRN en had binnen een maand 1000 downloads. En dat was niet alles. Het artikel kreeg wereldwijd aandacht op blogs, Roosendaal kreeg verzoeken om artikelen te schrijven voor andere tijdschriften, en werd (bijna) belaagd door de Nederlandse pers.

13. Zie noot 1. Overigens zou nu Twitter wel eens een beter middel kunnen zijn om de vakgenoten te bereiken.

14. Chris Anderson, The Long Tail, How endless choice is creating unlimited demand, Random House Business Books, 2009.

15. J.E.J. Prins, ‘Digitaal krabbelen met Alex en Inge’, NJB 2010/724, afl. 14, p. 874

16. James Surowiecki, The Wisdom of Crowds: Why the Many Are Smarter Than the Few and How Collective Wisdom Shapes Business, Economies, Societies and Nations, Doubleday; Anchor, 2004.

17. Zie Wisdom of the crowd, wisdomofthecrowd.nl/achtergrond, en ook Wisdom of the crowd, Wikipedia, en.wikipedia.org/wiki/Wisdom_of_the_crowd .

18. T. Barkhuysen, Geëngageerde juridische literatuur, NJB 2010/700, afl.14, p. 846.

19. J.K.M. Gevers, ‘Schrijven: ernst of spel?’, NJB 2010/705, afl.14, p. 853.

20. Zie Maurits Kreijveld, ‘ Sociale media vernietigen de ‘wisdom of the crowd’? ’, Netkwesties, 31 mei 2011 en ‘ Stupidity of the crowds ’, Netkwesties, 13 juni 2011 en ‘When We’re Cowed by the Crowd’, Wall Street Journal, 28 mei 2011.

21. ‘ Scholars Test Web Alternative to Peer Review ’, New York Times, 23 augustus 2010 en zie ook: Open peer review, Wikipedia .

22. Pandelis Perakakis, Michael Taylor, Marco Mazza, Varvara Trachana, ‘Natural selection of academic papers’, Scientometrics, Springer, 2010.

23. Volgens het woordenboek betekent repository: schatkamer, bewaarplaats, magazijn. Het is een faciliteit voor het opslaan en beheren van digitale informatie (objecten) in een via internet toegankelijke vorm. Het is in wezen een ‘digitale database’. Dankzij een repository wordt het mogelijk digitaal materiaal van een onderwijs-

of onderzoeksinstelling voor een breder publiek beschikbaar te stellen. (bron: Kennisnet).

24. A Surfboard for Riding the Wave. Towards a four country action programme on research data, Knowledge Exchange, 2011.

25. Rapport ‘ Zorgvuldig en integer omgaan met wetenschappelijke onderzoeksgegevens ’, Commissie Onderzoeksgegevens, KNAW, 2012.

26. SURFshare, SURFfoundation 27. Zie Rechtencommentaar.nl voor een presentatie over het proof of concept.

28. De advocatuur in de vorm van het Platform Advocatenkantoren Uitgevers Contacten (PAUC) en de wetenschap in de vorm van de stichting RechtenOnline.

29. Zie hierover ook R.W.M. Giard, ‘ Rechtswetenschap mankeert een eigentijdse kennisinfrastructuur ’, NJB 2010/168, afl. 4, p. 232.

30. Paul Ginsparg, ‘ It was twenty years ago today . . . ’, arXiv:1108.2700v1, arXiv.org.

31. Zie www.worldlii.org .

32. Dit betreft een door de National Science Foundation gefinancierd project dat geleid wordt door Zachary Elkins, Tom Ginsburg en James Melton, zie www. comparativeconstitutions.org . Zie in het kader van buitenlandse ontwikkelingen ook M. Versteeg, Access to Foreign and International Case Law: A Practical Guide, prepared for the West African Judicial Colloquium, Accra, Ghana, 8-10 October 2007.

33. Een scan van de nieuwskoppen onder Nieuws op Rechtencommentaar.nl geeft aan dat wereldwijd er een drang is naar anders publiceren.

 

Titel, auteur en bron

Titel

Naar een nieuwe juridische kennisinfrastructuur

Auteur(s)

Leo van der Wees
Anne Meuwese

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT2:1