Noot bij ECLI:EU:C:2013:711 - minimumloonbegrip in de Detacheringsrichtlijn

Auteur(s): Bron:
  • Tijdschrift Recht en Arbeid, TRA 2014/19, Wolters Kluwer

Samenvatting

Het Europese Hof van Justitie definieert minimumloonbegrip in de Detacheringsrichtlijn, ook voor zuiver interne aangelegenheden.

1.

Op het eerste gezicht lijkt deze zaak te draaien om een poging tot cherry-picking tussen niet geheel complementaire cao-bepalingen in een zuiver interne Duitse zaak, en in die zin niet zo heel interessant voor de Nederlandse situatie. Het zou een misvatting zijn het arrest op grond daarvan terzijde te schuiven, want de koers die het Hof inzet ten aanzien van de definitie van het begrip ‘minimumlonen’ is ook voor ons van groot belang. Dat belang ligt voor Nederland juist wel op het terrein van grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van arbeid. Wat kunnen in Nederland gedetacheerde werknemers claimen op grond van de WML, die op hen krachtens de Nederlandse implementatie van de Detacheringsrichtlijn van toepassing is? Het loonbegrip van art. 6 WML sluit voor ons land nu reeds de spaarloonregeling uit, maar is enigszins onduidelijk over ‘uitkeringen bij bijzondere gelegenheden’. Het Hof definieert dit begrip in het arrest nader. Maar daarin ligt niet het grootste belang van de uitspraak voor ons, die ligt in de aanpak van schijnconstructies binnen de WML. Op 11 april 2013 stuurde de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een brief naar de Tweede Kamer waarin hij uiteenzet op welke wijze hij het gebruik van schijnconstructies op de arbeidsmarkt wil aanpakken. Een deel van de problematiek betreft complexe internationale constructies in relatie tot het vrij verkeer van diensten en werknemers binnen de EU. Overigens spelen nationaal ook gerelateerde problemen, waarop ik in deze beperkte bijdrage helaas niet kan ingaan. Een van de problemen die de minister onderscheidt is, zo blijkt uit het actieplan dat bij de brief is gevoegd, de ontduiking van het minimumloon. Het blijkt regelmatig voor te komen dat een groot deel van het loon van in Nederland gedetacheerde werknemers als onkostenvergoeding wordt uitbetaald om premieafdrachten te omzeilen. Het is dan lastig om onderbetaling vast te stellen, onderzoeken van de inspectiedienst I-SZW hiernaar zijn zeer tijdrovend.

2.

Het beleid ten aanzien van deze onkostenvergoedingen moet volgens de minister worden aangescherpt. Het probleem is deels publiekrechtelijk. Over onkostenvergoeding hoeven op grond van communautair recht in Nederland voor een bepaalde duur geen belasting en premies te worden afgedragen. De invloed van dit arrest op die concurrentievoordeel opleverende praktijken zie ik niet direct. Maar de minister constateert ook dat de onkostenvergoedingen in verhouding tot het loon erg hoog zijn, zo hoog dat het niet langer aannemelijk is dat het daadwerkelijk gaat om een onkostenvergoeding. Mijn eerste gedachte daarbij was dat ter bestrijding van deze praktijk aansluiting zou moeten worden gezocht bij art. 7:617 BW. Dit artikel staat weliswaar toe dat loon in natura wordt betaald, maar ook dat de waarde overeen moet komen met de werkelijke waarde. Dat artikel is echter niet in de Waga opgenomen als van overeenkomstige toepassing op gedetacheerde werknemers. Bovendien heeft het uiteraard vooral een functie in het privaatrecht en de naleving moet tussen partijen worden afgedwongen. De minister constateert terecht dat dit in de praktijk een hindernis oplevert. Wel is in 2011 al eens een handhavingsnorm opgesteld op grond waarvan voor huisvesting maximaal 20% van het minimumloon mag worden ingehouden en voor de zorgverzekering maximaal 10%. Die maatregel is echter onvoldoende effectief gebleken. Het kabinet kondigt aan te gaan bekijken of en zo ja, hoe de handelswijze om te hoge onkostenvergoedingen uit te betalen aan gedetacheerde werknemers kan worden beperkt binnen het kader van de Detacheringsrichtlijn. Gedacht wordt aan een beperking in tijd en aard van de onkostenvergoeding of in de omvang van de onkostenvergoeding in relatie tot het minimumloon. Ook het uitsluiten van contante betaling wordt overwogen. Het hier besproken arrest levert het kabinet een flink handvat voor die exercitie. Het deel dat als onkosten wordt bestempeld zal op basis van deze redenering niet meetellen binnen de definitie minimumloon. Een werkgever die een deel van de beloning als ‘onkosten’ betaalt is daarmee vervolgens niet ontheven van de verplichting alsnog aan de werknemer het minimumloon, in de zin van de volle tegenprestatie van de arbeid, te voldoen. Het nalevings- en handhavingsprobleem van de individuele werknemer en de belanghebbende werkgevers- en werknemersorganisaties is daarmee uiteraard niet opgelost, maar uit het plan van aanpak van de minister blijkt dat daarvoor ook meer juridisch instrumentarium wordt ontwikkeld. Nu eens met een Europees arrest als steuntje in de rug.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:EU:C:2013:711 - minimumloonbegrip in de Detacheringsrichtlijn

Auteur(s)

Klara Boonstra

Bron

Tijdschrift Recht en Arbeid, TRA 2014/19, Wolters Kluwer

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT79:1