Noot bij ECLI:NL:RBAMS:2018:1601 - overboeking naar verkeerde rekening

Samenvatting

Uitgangspunt is dat banken (automatische) overboekingen niet controleren en dat zij dat ook niet hoeven te doen (zie de Richtlijn nr. 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt en art. 7:542 BW). Banken hoeven dus geen naam-/nummercontrole uit te voeren. Wanneer een betaalopdracht wordt uitgevoerd op basis van een unieke identificator, zoals in dit geval een bankrekeningnummer, wordt de betaalopdracht geacht correct te zijn uitgevoerd wat betreft de met dat nummer gespecificeerde begunstigde. Dit betekent dat een bank niet aansprakelijk is voor het uitvoeren van een betaalopdracht als een klant per ongeluk een onjuist nummer intoetst, zoals door eiser is gedaan.

Deze rechtszaak gaat over de uitvoering van een overeenkomst betreffende een betalingstransactie (de raamovereenkomst als bedoeld in art. 7:514 onderdeel o BW). Op deze overeenkomst zijn onder meer de bepalingen van afd. 7.7B.3 BW van toepassing.

In deze kwestie werd het overgemaakte bedrag door een vergissing van de betaler bijgeschreven op een andere betaalrekening dan die van de beoogde begunstigde. De rechtbank merkt terecht op dat uit art. 7:542 BW volgt dat een betaalopdracht wordt geacht correct te zijn uitgevoerd als het bedrag wordt bijgeschreven op de betaalrekening die de betaler in de opdracht heeft opgegeven. Het opgegeven rekeningnummer is leidend bij de uitvoering van een betaalopdracht. De implementatie van de herziene richtlijn betaaldiensten (PSD2) zal op dit punt geen wijziging van de wettelijke regeling meebrengen nu art. 88 lid 1 PSD2 een gelijkluidende bepaling bevat als die opgenomen in art. 7:542 lid 1 BW.

Er kunnen uiteraard bijzondere omstandigheden zijn waaronder de contractuele zorgplicht van een betaaldienstverlener jegens de betaaldienstgebruiker hem noopt om ten minste de uitvoering op te schorten en bij de betaler te informeren of aan de ontvangen verklaring met de betaalopdracht zijn wil ten grondslag ligt. Deze bijzondere omstandigheden dienen naar mijn oordeel dan wel kenbaar te zijn voor de betaaldienstverlener van de betaler. En die kenbaarheid mag in deze tijd van geautomatiseerde verwerking van betalingstransacties niet snel worden aangenomen. De bewijslast rust bij de betaler. Schendt de betaaldienstverlener zijn zorgplicht jegens de betaler, dan kan de schending van de zorgplicht als basis dienen voor aansprakelijkheid jegens de betaler voor de schade die de betaler als gevolg van de onjuiste overboeking heeft geleden.

In deze zaak weet de betaler de vergissing aan de IBAN-converter die hij van zijn bank had ontvangen in verband met de conversie van Nederlandse betaalrekeningnummers naar Europese betaalrekeningnummers en die op basis van de opgegeven gegevens het rekeningnummer suggereerde van de uiteindelijke ontvanger. De rechtbank was kennelijk van oordeel dat deze omstandigheid voor de bank niet de rechtsplicht meebracht om de uitvoering van de betaalopdracht op te schorten of na te laten. Ik kan me in dit oordeel vinden. Dat zou bijvoorbeeld anders kunnen zijn geweest als de converter een gebrek had waardoor het Nederlandse rekeningnummer verkeerd werd geconverteerd naar het daarmee corresponderende IBAN-nummer en de bank van dit gebrek op de hoogte was. Overigens zou in dat geval ook de vraag kunnen worden gesteld of de aansprakelijkheid kan worden gebaseerd op art. 6:77 BW (aansprakelijkheid voor hulpzaken gebruikt bij de uitvoering van de raamovereenkomst tussen de bank en de betaler). Ik zou deze vraag ontkennend willen beantwoorden omdat dit artikel gaat over de toerekenbaarheid van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, terwijl art. 7:542 lid 1 BW juist meebrengt dat er geen sprake is van een tekortkoming als het bedrag wordt overgemaakt naar het opgegeven rekeningnummer.

Art. 6:101 BW brengt mee dat bij eigen schuld van de benadeelde (i.c. de betaler) de vergoedingsplicht kan worden verminderd of zelfs geheel kan vervallen. De rechtbank was kennelijk van oordeel dat, ook als aangenomen zou dienen te worden dat de bank in casu haar zorgplicht had geschonden door de betaalopdracht uit te voeren, de billijkheid gezien de ernst van de fout van de betaler in vergelijking tot de ernst van de fout van de bank eiste dat de schade geheel voor rekening van de betaler zou komen.

Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Zie art. 6:248 lid 1 BW. Uit art. 7:542 lid 2 BW vloeit voort dat de betaaldienstverlener na uitvoering van een betaalopdracht op basis van een opgegeven onjuist rekeningnummer van de begunstigde redelijke inspanningen moet leveren om de met de betalingstransactie gemoeide geldmiddelen terug te krijgen. Een soortgelijke verplichting is opgenomen in art. 88 lid 3 PSD2. De rechtbank oordeelde dat de bank in dit geval redelijke inspanningen had geleverd om het overgemaakte bedrag terug te krijgen door de procedure “Onverschuldigde betaling” van de Nederlandse banken toe te passen. Het systeem van de wet biedt ruimte voor verdergaande contractuele verplichtingen van een bank dan die genoemd in art. 7:542 lid 2 BW. Brachten de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat de bank van de betaler onder de gegeven omstandigheden druk uitoefende op de bank van de ontvanger om mee te werken aan een stornering van de girale betaling? De rechtbank meent – naar mijn oordeel terecht – van niet.

Art. 88 PSD2 bevat in vergelijking met art. 74 PSD1 twee nieuwe rechtsplichten. De betaaldienstverlener van de ontvanger is verplicht mee te werken aan de inspanningen van de betaaldienstverlener van de betaler om de geldmiddelen gemoeid met de betalingstransactie terug te krijgen, mede door alle voor de te innen geldmiddelen relevante informatie aan de betaaldienstverlener van de betaler mee te delen. De betaaldienstverlener van de betaler is verplicht om bij oninbaarheid van de geldmiddelen alle voor hem beschikbare informatie op diens schriftelijk verzoek aan de betaler te verstrekken die relevant is voor de betaler om een rechtsvordering in te stellen om de geldmiddelen terug te krijgen. In het voorstel voor de Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten (Kamerstukken II 2017/18, 34813, 2) wordt voorgesteld om deze twee nieuwe rechtsplichten op te nemen in een nieuw in te voegen lid 3 van art. 7:542 BW. Vanuit het perspectief van de Algemene verordening gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679) zijn de verstrekkingen van de persoonsgegevens van de ontvanger door de betaaldienstverlener van de ontvanger aan de betaaldienstverlener van de betaler en door de betaaldienstverlener van de betaler aan de betaler rechtmatige verwerkingen in de zin van art. 6 van de verordening omdat zij noodzakelijk zijn om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de betaaldienstverleners berust.

Gaan deze verplichtingen verder dan het doorgeven van de persoonsgegevens van de ontvanger die de betaler nodig heeft om hem aan te spreken op basis van onverschuldigde betaling? Denk aan een verplichting voor de betaaldienstverlener van de ontvanger om boekhoudkundig de creditering van de betaalrekening van de ontvanger zonder diens medewerking te corrigeren. Het is de vraag of een bank jegens een klant naar Nederlands recht zulk een bevoegdheid toekomt. Ik meen van niet. Art. 19 lid 2 Algemene Bankvoorwaarden voorziet weliswaar in zo’n bevoegdheid, maar deze bepaling beperkt zich naar mijn oordeel – voor zover relevant – tot gevallen waarin de bank van de begunstigde bij de uitvoering van de betalingstransactie een fout heeft gemaakt. Daarvan was in de casus die onderwerp was van dit vonnis, geen sprake. Ook de MvT op het Voorstel voor de Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten lijkt ervan uit te gaan dat de verplichting van de betaaldienstverlener van de ontvanger niet verder gaat dan contact opnemen met de ontvanger teneinde hem te bewegen het ontvangen bedrag aan de betaler terug te betalen (Kamerstukken II 2017/18, 34813, 3, p. 6), hoewel het begin van de alinea in de MvT waarin dit onderwerp wordt aangesneden, voor een andere uitleg vatbaar is.

Tot slot wijs ik in dit verband nog op het initiatief van de Nederlandse banken om aan betalers een IBANnaamcheckprogramma beschikbaar te stellen bij het opmaken van betaalopdrachten met internetbankieren of mobiel bankieren. Dit hulpprogramma waarschuwt de betaler als de ingevoerde naam sterk afwijkt van de naam die volgens de gegevens van de bank van de betaler bij het opgegeven rekeningnummer hoort.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:RBAMS:2018:1601 - overboeking naar verkeerde rekening

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT160:1