De aansprakelijkheid van de wegbeheerder voor voorwerpen op de weg

Auteur(s): Bron:

Samenvatting

Aansprakelijkheid van de wegbeheerder. Art. 6:174 en 6:162 BW. Struikeling over elektriciteitskabels naar marktkramen. Geldt de risicoaansprakelijkheid van art. 6:174 BW ook voor voorwerpen op de weg? Aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW uit hoofde van algemene zorgplicht. Toepasselijkheid ‘kelderluikcriteria’ in beide gevallen.

Inleiding

Op grond van artikel 6:174 BW rust op de wegbeheerder een risicoaansprakelijkheid voor gebreken aan de weg. Dat wil niet zeggen dat de wegbeheerder altijd aansprakelijk is. De wegbeheerder is enkel aansprakelijk indien de schade is veroorzaakt doordat de betreffende weg niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de weg mag stellen. De vraag is wat onder de definitie van een 'weg' valt. In artikel 6:174 lid 6 BW is bepaald dat onder een openbare weg mede begrepen wordt het weglichaam, alsmede de weguitrusting. Volgens de wetgever wordt daarmee bedoeld 'voorwerpen, die op, naast of boven de verkeersbaan zijn aangebracht en die dienen ter inrichting van die verkeersbaan voor het verkeersgebruik'. Er wordt dan onder meer gedoeld op vangrails, lichtmasten, verkeersborden en lichten. Maar gaat de aansprakelijkheid van de wegbeheerder ook zo ver dat hij aansprakelijk is voor voorwerpen die op de weg liggen? Daarover heeft de Hoge Raad op 7 oktober 2016[1] een arrest gewezen die in het navolgende zal worden toegelicht.

De casus 

De feiten in deze casus laten zich tamelijk kort samenvatten. Op 3 januari 2009 is eiseres op de stoep van de Burchtstraat in Nijmegen ten val gekomen doordat zij is gestruikeld over een of meer stroomkabels. Deze kabels, eigendom van marktkraamhouders, liepen van een elektriciteitskast, eigendom van de Gemeente, aan de gevelzijde van de stoep van de Burchtstraat naar de marktkramen aan de andere zijde van die stoep. Als gevolg van de val heeft eiseres letsel opgelopen aan haar knieën. Eiseres houdt in dit geding de Gemeente aansprakelijk voor haar schade op grond van art. 6:174 BW dan wel art. 6:162 BW.

De rechtbank en het hof hebben de vorderingen afgewezen. Het hof[2] heeft in het bestreden arrest met betrekking tot artikel 6:174 BW overwogen dat de openbare weg een opstal in de zin van art. 6:174 BW is. Ook voorwerpen die op, naast of boven de verkeersbaan zijn aangebracht of dienen ter inrichting van de verkeersbaan voor het verkeersgebruik, vallen onder het begrip opstal in de zin van die bepaling. Stroomkabels die ter plaatse worden neergelegd door marktlieden als er markt is, maken geen deel uit van de opstal, nu zij niet vast zijn verbonden met de weg of de weguitrusting en niet dienen ten behoeve van enige functie van de weg. Ook de elektriciteitskasten, hoewel permanent aanwezig en vast verbonden met het wegdek en geplaatst door de Gemeente, maken geen deel uit van de weg(uitrusting), omdat zij niet zijn geplaatst ten behoeve van de weg of van het verkeersgebruik. De omstandigheid dat noch de stroomkabels, noch de elektriciteitskasten deel uitmaken van de weg, brengt mee dat in het midden kan blijven of die weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert.

Ten aanzien van de tweede grondslag, art. 6:162 BW dient toetsing aan de kelderluikcriteria plaats te vinden. Toepassing van die criteria op het onderhavige geval brengt niet mee dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de kans dat voetgangers struikelen over de goed zichtbare kabels niet groot is, de kans dat daaruit (ernstige) ongevallen ontstaan evenmin groot is, onvoldoende is gebleken dat de Gemeente veiligheidsmaatregelen had kunnen treffen die een ongeval als het onderhavige hadden kunnen voorkomen en onvoldoende is gebleken dat het risico van (ernstig) letsel zo groot was dat tot zeer vergaande veiligheidsmaatregelen als het ondergronds leggen van de kabels had moeten worden overgegaan.

Oordeel Hoge Raad 

In cassatie stelt eiser zich op het standpunt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de stroomkabels en elektriciteitskast geen deel uitmaken van de openbare weg. De Hoge Raad acht deze klacht ongegrond. In het kader van voorwerpen op de weg in het licht van de risicoaansprakelijkheid overweegt de Hoge Raad:

"De aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van art. 6:174 BW betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge art. 6:174 lid 6 BW mede zijn te verstaan het weglichaam en de weguitrusting. Die aansprakelijkheid is beperkt tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg. De aanwezigheid op een openbare weg van een voorwerp dat niet behoort tot de weg in de zin van art. 6:174 BW en dat gevaar schept voor personen of zaken, is derhalve niet een gebrek van de weg als bedoeld in art. 6:174 lid 1 BW (vgl. met betrekking tot ijzel op de weg HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2202, NJ 2002/465, Rook/Staat, rov. 3.3)." 

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de wegbeheerder desondanks aansprakelijk kan zijn op grond van artikel 6:162 BW:

"De wegbeheerder kan echter, mede uit hoofde van zijn algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers, wel aansprakelijk zijn voor de aanwezigheid van - niet van de weg, het weglichaam of weguitrusting deel uitmakende - voorwerpen op de weg op grond van art. 6:162 BW. Ter zake zal hem dan het verwijt moeten kunnen worden gemaakt dat hij in de nakoming van deze plicht is tekortgeschoten."

Commentaar 

Het oordeel van de Hoge Raad is in lijn met de bedoeling van de wetgever en de lagere rechtspraak. Zoals in de inleiding al aangegeven, behoort niet alles op of aan de weg tot de 'weguitrusting'. Kenmerkend voor zaken die tot de weguitrusting behoren, is het feit dat deze dienen ter inrichting van de verkeersbaan voor het verkeersgebruik of die anderszins ten dienste van het verkeer zijn bestemd (Parl. Gesch. Boek 6, p. 1393). Ook blijkt uit uitspraken van lagere rechters dat een andere opvatting van artikel 174 BW tot een onredelijke verruiming van de aansprakelijkheid van de wegbeheerder zou leiden. Zo overwoog de Rechtbank Assen eerder dat "Een andere opvatting omtrent artikel 6:174 BW zou leiden tot het onaanvaardbare gevolg dat op de wegbeheerder een aansprakelijkheid zou rusten voor schade ontstaan door talloze denkbare corpora aliena die op de weg zijn gekomen, zoals scherven van (bier)flessen, spijkers of blikjes, en dat dit zelfs zou gelden bij het opzettelijk en verdekt aanbrengen van die voorwerpen door derden."[3] Dit kan onder bijzondere omstandigheden wellicht anders zijn voor voorwerpen welke in nauw verband staan tot het wegonderhoud en/of de situatie van de weg ter plaatse - bijvoorbeeld wegklinkers, bitumen, delen van wegafscheidingen - maar een dergelijk geval doet zich hier niet voor.[4] In de literatuur is naar onze mening eerder terecht opgemerkt dat het in dit soort gevallen gaat om 'onderdelen' van de weg die op een verkeerde plaats terecht zijn gekomen.[5] Dat is dus iets anders als voorwerpen die in geen enkel verband staan tot de weg. In de feitenrechtspraak is bijvoorbeeld eerder geoordeeld over de aanwezigheid van olie, geloosd water, takken, bladeren, een uitlaat en een autoband op het wegdek.6 Dergelijke voorwerpen op de weg vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6:174 BW. Die aansprakelijkheid is beperkt tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg. Met het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 is nogmaals duidelijk geworden dat de wegbeheerder op grond van artikel 6:174 BW niet aansprakelijk is voor voorwerpen op de weg die geen deel uitmaken van de openbare weg. Dat laat echter onverlet dat er aansprakelijkheid kan bestaan op grond van artikel 6:162 BW. In dat kader zal met toepassing van de kelderluik-criteria vastgesteld moeten worden of er sprake is van een onrechtmatige gedraging.

Noten

1. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283.

2. Hof 3 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1498.

3. Rb. Assen 7 april 2010, ECLI:NL:RBASS:2010:BN1608.

4. HR 6 september 1996, NJ 1998,415, Rb. Zwolle 8 november 2000, Prg. 2001,5609 en Ktr. Tilburg 14 september 1995, ECLI:NL:KTGTIL:1995:AJ6271.

5. Mw. mr. T.A. Hekster, 'Vreemde voorwerpen op de weg: de aansprakelijkheid van de wegbeheerder ex artikel 6:174 BW', VRA 2003, p. 4.

6. Hof Den Bosch 6 december 2005, ECLI:NL: GHSHE:2005:AV0370, NJF 2006/190 (vettige substantie), Ktg. Tilburg 14 september 1995, ECLI:NL:KTGTIL:1995:AJ6271, VR 1996/141 (olie), Rb. Groningen 17 februari 1995, ECLI:NL:RBGRO:1995:AJ6181, VR 1995/164 (olie), Ktg. Gorinchem 27 augustus 2001,  ECLI:NL:KTGGRC:2001:AJ0670, Prg. 2001/5748 (geloosd water), Rb. Den Haag 25 februari 2013,  ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3900, NJF 2013/157 (boomtak), Rb Assen 7 april 2010, ECLI:NL:RBASS:2010:BN1608, Prg 2010/192 (boomtak), Rb.Utrecht 1 november 2006,  ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ1716 (bladeren), Ktg. Den Haag 14 oktober 1993,  ECLI:NL:KTGSGR:1993:AJ6072, VR 1994/156 (uitlaat), Ktg. Den Haag 13 oktober 1993, ECLI:NL:KTGSGR:1993:AJ6071.

Titel, auteur en bron

Titel

De aansprakelijkheid van de wegbeheerder voor voorwerpen op de weg

Auteur(s)

Edith de Koning-Witte
Rutger Boogers

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT177:1