Noot bij ECLI:NL:GHSHE:2018:345 - hulp bij zelfdoding

Auteur(s): Bron:
  • Gezondheidsrecht Jurisprudentie, GJ 2015/86, Sdu

Samenvatting

Zaak Heringa. Hulp bij zelfdoding. Het hof is van oordeel dat bij het handelen van de verdachte geen sprake was van een conflict van plichten (noodtoestand), zodat hem geen beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toe komt.

1.

Na het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:418), waarin in niet mis te verstane bewoordingen werd afgerekend met het arrest van het Arnhemse hof (die ruimte zag om Heringa te ontslaan van alle rechtsvervolging, ECLI:NL:GHARL:2015:3444), lag het hierboven gepubliceerde arrest van het Bossche hof (waarin de gevorderde straf zelfs werd verhoogd) wel enigszins voor de hand. Wat verdachte Heringa werd verweten (die buiten de wet om zijn moeder hielp bij haar zelfdoding) legde het Arnhemse hof in zijn voordeel uit, terwijl het hof te Den Bosch tot een diametraal tegengestelde conclusie kwam: Heringa handelde niet alleen buiten de wet om en dus “eigenmachtig” – terwijl de wetgever, de Hoge Raad en, iets ruimer, de KNMG die hulp aan een (in hoofdzaak) medische oorzaak bindt – hij handelde daarbuiten ook onzorgvuldig (in de zin van algemene overmacht in de zin van noodtoestand): hij had niet voldoende onderzoek gedaan naar alternatieven, hij nam geen of veel te laat verantwoordelijkheid voor zijn handelen, hij diende als niet-arts zelf gespaarde en oneigenlijke medicijnen toe, en hij liet zijn stervende moeder alleen achter (hetgeen het hof “volstrekt onverantwoord en onbegrijpelijk” noemde en bovendien in strijd met de eigen bedoelingen van Heringa; hij wilde niet dat zij alleen zou sterven). De wetgever had immers, juist om een dergelijk onprofessioneel handelen te voorkomen, gekozen voor een stelsel van zorgvuldigheidseisen waaraan getoetst diende te worden, zodat controle – gelet op de in het geding zijnde belangen – mogelijk zou zijn. Aan dit wettelijk kader van toezicht en controle, na een moeizame parlementaire discussie tot stand gekomen (vgl. E. Pans, De normatieve grondslagen van het Nederlandse euthanasierecht, VU-dissertatie 2006), heeft Heringa zich onttrokken, zo luidt de boodschap van hof en Hoge Raad.

2.

Wie heeft er gelijk? Is hiermee de “overtuigingsdader” – die meent vanuit zijn persoonlijke benadering juist te handelen – passé? Is het mededogen ineens minder belangrijk dan een “kille” naleving van de wet? Het lijkt goed in herinnering te brengen dat het hier niet om de sluitingstijd voor winkels gaat, waarop juristen zich bij een rechtvaardigende noodtoestand graag beroepen (HR, Opticiën-arrest uit 1923), maar om de fundamentele uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht in een “voltooide fase” van het leven, waarover maatschappelijk zeer verschillend wordt gedacht. In dat geval gaat het niet aan dat de particuliere overtuiging van de dader – Heringa wist dat hij tegen de morele keuze van de wetgever inging – belangrijker werd bevonden dan wat in de wet is vastgelegd, aldus de lijn in het Bossche arrest. Dat blijkt reeds hieruit dat een drietal gesprekken over verschillende maanden met de eigen (weifelende) arts nodig waren die tot afwijzing van het verzoek om euthanasie hebben geleid. Met andere woorden: de acuutheid, die bij noodtoestand vereist is voor een ogenblikkelijke belangenafweging (het belang om het standpunt van de wetgever te volgen versus het belang om de wens tot levensbeëindiging te respecteren), ontbrak. De diverse fysieke klachten bestonden al jarenlang. Ook langs die weg was er voor Heringa geen pardon, zegt het hof. En het feit dat mw. Heringa zelf medicijnen verzamelde, stond een beroep op psychische overmacht in de weg.

3.

Waarom werd de voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, zoals door het openbaar ministerie gevorderd, tot 6 verhoogd? Waarschijnlijk omdat het Bossche hof het normbevestigende karakter van zijn uitspraak wilde onderstrepen. Heringa, zich ervan bewust wat hij deed, voldeed niet aan de wettelijke vereisten voor de (bijzondere) rechtvaardigingsgrond die voor artsen geldt (en die niet in strijd met het EVRM werd geoordeeld), maar ook niet – zoals de Hoge Raad als voorwaarde stelde – aan het hoge uitzonderingskarakter van de algemene noodtoestand als rechtvaardigingsgrond (die voor iedereen geldt). Zowel in het ene als in het andere geval handelde Heringa in strijd met de wet en was hij zich daarvan bewust. Dit zou een reden kunnen zijn voor een strafverzwaring, hoewel het hof zelf dacht dat herhaling niet in de rede lag (r.o. 5.3). In dat opzicht bijt het arrest in zijn eigen staart. Het was – gelet op de van toepassing zijnde strafdoelen en de eigen overweging van het hof – onwaarschijnlijk dat Heringa nogmaals zou doen wat hem nu verweten werd. Wat heeft het dan voor zin dat hem een, zij het voorwaardelijke, gevangenisstraf, zelfs een hogere werd opgelegd?

4.

De KNMG sluit existentiële vragen (zoals eenzaamheid e.d.) bij hulp inzake zelfdoding en euthanasie niet uit, maar dan niet als enig of doorslaggevend motief. Ook de Commissie-Schnabel is de mening toegedaan dat de huidige regelgeving, mede om die reden, volstaat. Zie mijn bijdrage in de afscheidsbundel voor Dorien Pessers, Van Beers/Van Domselaar (red.), Homo Duplex, Boom 2017, p. 347. Het Bossche hof was het met de morele keuze van Heringa niet eens, niet alleen omdat deze buiten de wet om plaatsvond maar bovendien onzorgvuldig was in de zin van overmacht in de zin van noodtoestand.

Was hier sprake van mededogen of activisme? Moet de rechter rekening houden met de datum van het strafbare feit of met de tijdgeest zoveel jaren later? Maar de tijdgeest is ongewis, overweegt het hof, er is niet eens een wetsontwerp dat voorligt. Dat is juist maar de tijd heeft intussen niet stilgestaan. Nochtans is de rechter geen wetgever, memoreert het hof. In ethisch opzicht verkeren wij in chaotische tijden (men zie het gelijktijdige parlementaire debat over de Donorwet). De ongewisheid van hetgeen aanvaardbaar wordt geacht noopt juist tot terughoudendheid in het licht van het maatschappelijke en politieke debat, zegt de Hoge Raad. Dat belooft weinig coulance als het om de “coöperatie van believers” gaat die zelf middelen voor zelfdoding wil inkopen.

De “hardheid” van de taal verbergt soms de twijfels die moesten worden overwonnen. Sommige rechters houden niet zo van activisme (en daar lijkt de kruistocht van Albert Heringa en de NVVE wel op). Paginagrote advertenties en demonstraties bij gerechtsgebouwen mochten niet baten. De constatering dat onzorgvuldig en in strijd met de wet is gehandeld, waarmee de rechtbank Zutphen in 2013 volstond (ECLI:NL:RBGEL:2013:3976), was ook een mogelijkheid geweest (rechterlijk pardon ex art. 9a Sr). De tijdgeest beweegt zich kronkelend voort als een slang, al is niet altijd duidelijk in welke richting.

5. Eindnoten

1. EHRM 29 april 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602 (Dianne Pretty v. United Kingdom), NJCM-Bulletin, 2002, Vol. 27, nr. 7, 910-925.

2. EHRM 24 november 1986, ECLI:CE:ECHR:1986:1124JUD000906380 (Joseph Gillow v. United Kingdom), Publ. Hof, Serie A, Vol. 109, par. 55.

3. EHRM 26 maart 1985, ECLI:CE:ECHR:1985:0326JUD000897880 (X and Y v. The Netherlands), (1985), 8 EHRR 235.

4. EHRM 19 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0719JUD000049709 (Koch v. Germany).

5. Zie voorts in gelijke zin o.a.: EHRM 20 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0120JUD003132207 (Haas v. Switzerland), Publ. Hof, Serie. 2011 en EHRM 14 mei 2013, ECLI:CE:ECHR:2014:0930JUD006781010 (Gross v. Switzerland).

6. Zie: Kamerstukken II, 1999-2000, 26 691, 6.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:GHSHE:2018:345 - hulp bij zelfdoding

Auteur(s)

Tom Schalken

Bron

Gezondheidsrecht Jurisprudentie, GJ 2015/86, Sdu

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT42:1