Noot bij ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6850 - uitzendverbod misdaadprogramma

Auteur(s): Bron:

Samenvatting

Een man vordert in kort geding de uitzending van het televisieprogramma ‘Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’ dat is gewijd aan de man en zijn zeilschool, te verbieden. Verbod met het oog op het gestelde doel (het aan de kaak stellen van misstanden: het weer werken met minderjarigen) noodzakelijk in een democratische samenleving?

Als er bij de civiele rechter over een publicatie geprocedeerd wordt is dat vaak omdat de eisende partij vindt dat die publicatie inbreuk maakt op zijn persoonlijke levenssfeer of zijn reputatie (‘eer en goede naam’). Die twee onrechtmatigheidsgronden worden wel eens over één kam geschoren. Naar mijn mening is dat ten onrechte, want ze verschillen wezenlijk van elkaar. Een reputatie is per definitie openbaar, anders bestaat zij niet. De gestelde onrechtmatigheid zit hem in de negatieve invloed die de publicatie, naar de gelaedeerde aanneemt, op zijn reputatie heeft. Bij een privacy-inbreuk daarentegen gaat het er om dat het onderwerp van de uiting überhaupt niet openbaar had mogen worden.

Niettemin heeft het EHRM geoordeeld dat aan artikel 8 EVRM, waarin het recht op bescherming van privacy is neergelegd, ook een recht op reputatiebescherming kan worden ontleend.[1] Dat doet er echter niet aan af, dat het verschil tussen de twee categorieën doorwerkt in de beoordeling door de rechter. Bij publicaties die ‘slechts’ een aantasting van iemands reputatie opleveren geldt in beginsel de regel truth is an absolute defence. Als de journalist weet aan te tonen dat het wáár is wat hij heeft gepubliceerd of wil publiceren over – bijvoorbeeld – de extreem rechtse sympathieën waarvan een aspirant kamerlid in een eerdere fase van zijn leven heeft blijk gegeven, dan zal die publicatie niet snel onrechtmatig zijn, hoe zeer de reputatie van de betrokkene er ook door beschadigd wordt. Dat is anders als de (voorgenomen) publicatie diens liefdesleven betreft. Een uiting die inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer is in beginsel onrechtmatig, of zij nu wáár is of niet. Zie hierover bijvoorbeeld ook het mooie ‘Mediarechtelijk in memoriam’, dat in dit blad verscheen van de hand van Gerard Schuijt, nadat prins Claus was overleden.[2]

De grens tussen privacy-inbreuken en reputatieschendingen is niet altijd scherp te trekken, maar in deze zaak was dat niet het probleem. Algemeen aanvaard is dat iemands strafrechtelijke verleden tot zijn persoonlijke levenssfeer behoort. Het is dan ook een beginsel van behoorlijke journalistiek dat over verdachten en veroordeelden niet wordt gepubliceerd op een manier die ertoe leidt dat zij geïdentificeerd en getraceerd kunnen worden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn. Zo heeft de Raad voor de Journalistiek in talloze uitspraken geoordeeld en zo staat het ook in artikel 2.4.5 van zijn onlangs gepubliceerde Leidraad.[3] Zwaarwegende belangen kunnen overigens prevaleren boven dit beginsel, zoals bijvoorbeeld het geval was toen het televisieprogramma ‘Opsporing Verzocht’ in samenwerking met het Openbaar Ministerie een foto van Mohammed B., verdachte van de moord op Theo van Gogh, wilde publiceren, in het belang van de opsporing van medeplichtigen.[4]

In deze zaak gaat het om een eigenaar van een zeilschool die ook zelf zeilles geeft. Hij is in 2004 door de rechtbank Den Haag schuldig bevonden aan ontucht met leerlingen en veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar, met als voorwaarde dat hij tijdens een proeftijd van drie jaar geen zeilles zou geven aan kinderen van 6 tot en met 14 jaar. Die voorwaarde heeft de man geschonden, waarna hij op last van de rechtbank zes maanden van de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft moeten uitzitten. Na afloop van de proeftijd is hij weer aan de slag gegaan als instructeur op zijn zeilschool. Daar is hij eind augustus van dit jaar ‘betrapt’ door Peter R. de Vries die vragen op hem afvuurt terwijl zijn cameraploeg beelden maakt. De zeilleraar vraagt de voorzieningenrechter De Vries te verbieden die beelden uit te zenden. De Vries is weliswaar van plan de zeilleraar onherkenbaar te maken en zijn naam niet te noemen, maar de man vreest dat de beelden gemakkelijk tot hem te herleiden zullen zijn.

De Vries voert aan dat hij een misstand aan de kaak wil stellen, namelijk ontucht met kinderen en het negeren van door de strafrechter opgelegde voorwaarden. (De Vries beweert verder dat de proeftijd ook op het moment dat de beelden werden gemaakt nog niet was verstreken, en dat hij de zeilleraar dus op heterdaad betrapt had bij het opnieuw schenden van de voorwaarde, wat volgens De Vries zou bijdragen aan het belang van de uitzending. Als ik de uitspraken goed begrijp heeft De Vries hier strikt genomen gelijk in, omdat de proeftijd was opgeschort door de zes maanden detentie naar aanleiding van de eerdere schending van de voorwaarde, maar mocht de zeilleraar er op grond van andersluidende mededelingen van de zijde van justitie vanuit gaan dat de proeftijd op het moment dat De Vries langskwam wél afgelopen was.) De voorzieningenrechter oordeelt dat er niets ‘aan de kaak te stellen’ valt. De zeilleraar erkent immers dat hij ontucht heeft gepleegd, en dat hij in de proeftijd weer les is gaan geven aan jonge kinderen. Door de opnamen van De Vries zou de man ‘aan de schandpaal [worden] genageld hoewel hij al strafrechtelijk is veroordeeld en de gang van zaken daarna ook niet ontkent. Aldus bestaat er onvoldoende grond ter rechtvaardiging van de geconstateerde inbreuk op de privacy van [de zeilleraar]’.

Ik vind de benadering van de voorzieningenrechter sympathiek maar de vraag is of hij, in het licht van het recht op vrije meningsuiting, niet teveel op de stoel van de journalist gaat zitten met zijn oordeel dat de beelden die De Vries wil uitzenden ‘geen inhoudelijke functie’ hebben maar ‘slechts als visueel illustratiemateriaal bij de uitzending’ dienen. De relevante vraag is immers niet of de uiting noodzakelijk is, maar of de gevraagde beperking van de uitingsvrijheid dat is, ter bescherming van de privacy van de zeilleraar.

De uitspraak die het hof Amsterdam nog geen twee weken later doet, na door De Vries ingesteld ‘turbo-appèl’, is genuanceerder en voldoet daarmee beter aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit die in de noodzakelijkheidstoets van artikel 10 lid 2 EVRM besloten liggen. Het hof oordeelt ‘dat de door De Vries gestelde strekking van het programma, het aan de kaak stellen van ernstige misstanden [...], daaraan niet kan worden ontzegd’, maar dat De Vries méér moet doen om te voorkomen dat ‘willekeurige derden’ de beelden kunnen herleiden tot de zeilleraar. Het hof bepaalt dat De Vries zich niet mag beperken tot het onherkenbaar maken van de man en het afzien van het noemen van zijn naam, maar bovendien de naam van de zeilschool niet in beeld mag brengen, noch de plaats waar die gevestigd is mag noemen. Zo sluit de uitspraak van het hof goed aan bij het hierboven genoemde artikel 2.4.5 van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek: niet herleidbaar publiceren over verdachten en veroordeelden buiten de kring van mensen bij wie ze toch al bekend zijn. Het grondrecht op privacy blokkeert de uitingsvrijheid, maar niet verder dan noodzakelijk.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6850 - uitzendverbod misdaadprogramma

Auteur(s)

Dylan Griffiths

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT303:1