Noot bij ECLI:NL:HR:2017:221 - schadeverhaal politie na valse aangifte

Samenvatting

Politie heeft zich gevoegd als benadeelde partij met als grondslag onrechtmatige daad ex art 6:162 BW, omdat zij schade heeft geleden doordat verdachte in deze zaak een valse aangifte heeft gedaan ex art. 188 Sr.

1

Plaats van dit arrest. Dit strafrechtelijke arrest is voor dit tijdschrift interessant vanwegede beëindiging van privaatrechtelijk verhaal van kosten van opsporing door de politie naar aanleiding van een valselijk gedane aangifte van een strafbaar feit.

De Hoge Raad ziet zulk kostenverhaal in beginsel als een onaanvaardbare doorkruising van de betrokken publiekrechtelijke regelgeving. Aldus geeft de Hoge Raad de praktijk in ieder geval een duidelijk antwoord op een vraag die tot diverse antwoorden in lagere rechtspraak heeft geleid, soms ten faveure en soms ten nadele van zulk kostenverhaal. Welke regelgeving precies doorkruist wordt, laat de Hoge Raad evenwel onbenoemd.

Het arrest ligt ook wat dat betreft in het verlengde van het arrest van 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2835 (Premiefraudeur), NJ 2003/360, AB 2005/59, m.nt. G.A. van der Veen. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat een opsporingsonderzoek naar een wél gepleegd strafbaar feit een uitvloeisel is van de publiekrechtelijke taak tot het opsporen van met strafrechtelijke of administratieve sancties bedreigde feiten en dat de kosten van een dergelijk onderzoek, verbonden aan de uitoefening van een bijzondere opsporingsbevoegdheid die primair het algemeen belang dient, in het algemeen niet op individuele burgers worden afgewenteld. In dat arrest zag de Hoge Raad geen regelgeving waarop de opsporingsbevoegdheid van de betrokken functionarissen berustte, waarin een afwijking van dit uitgangspunt was opgenomen. Die regelgeving voorzag niet in de mogelijkheid van kostenverhaal. Kostenverhaal via het privaatrecht zou dan ook op onaanvaardbare wijze de publiekrechtelijke regeling doorkruisen.

Het thans gewezen arrest behandelt in wezen de aan zulk opsporingsonderzoek voorafgaand ander opsporingsonderzoek, namelijk niet het onderzoek naar de verdachte van het uiteindelijk wél vastgestelde strafbare feit (zijnde in dit geval het doen van valse aangifte door een aangever), maar het onderzoek dat op basis van die aangifte is gestart naar de door de aangever gestelde strafbare feiten en eventueel de daarvan verdachte personen, welk onderzoek achteraf als zinloze werkverschaffing kon worden gekwalificeerd.

In het arrest uit 2003 werd ook geen nadere aanduiding van de betrokken publiekrechtelijke regeling gegeven, maar werd wel in het publiekrecht zelf een mogelijke uitzondering op het uitgangspunt gezocht: indien in het publiekrecht een mogelijkheid van kostenverhaal was gegeven, zou dat verhaal (uiteraard) toegestaan zijn. Het ligt voor de hand dat zulks ook moet gelden voor verhaal van kosten naar aanleiding van een valse aangifte. Indien immers in een publiekrechtelijke regeling een voorziening zou zijn te vinden, zou die voorziening de uitzondering op de hoofdregel vormen. Het huidige arrest zoekt echter elders ruimte voor uitzondering: indien vaststaat dat degene die de aangifte heeft gedaan, niet alleen wist dat het feit niet is gepleegd, maar de aangifte ook heeft gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en bij de aangifte wist of moest begrijpen dat deze de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen, valt kostenverhaal volgens de Hoge Raad niet meer aan te merken als een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht.

Meervoudig opzet doorkruist doorkruising. In zijn noot bij dit arrest in de Gemeentestem (Gst. 2017/177) vraagt P.J. Huisman zich, in mijn optiek terecht, waarom nu precies sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht in geval van privaatrechtelijk verhaal van opsporingskosten. Dat is inderdaad niet zo duidelijk. Evenmin acht Huisman duidelijk wat de ratio van de uitzonderingsgrond is, die kostenverhaal wel zou kunnen toestaan bij (kort samengevat) opzet op schadetoebrenging aan de gemeente en opzet op nodeloze opsporingshandelingen. De uitzondering zou volgens Huisman gevonden kunnen worden in de bijzondere verwerpelijkheid van het gedrag van degene die de valse aangifte deed. Hij verwijst naar andersoortige gevallen waarin een dergelijke uitzondering is aanvaard, onder verwijzing naar S.D. Lindenbergh in zijn annotatie bij dit arrest onder punt 7 (NJ 2017/140) onder verwijzing naar HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2775 (Oogmerk), NJ 2002/216, m.nt. J.B.M. Vranken; en HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419 (Tuin Beheer), NJ 2007/256, m.nt. J.M.M. Maeijer.

Zie ik het echter goed, dan ging het in die beide arresten om puur privaatrechtelijke kwesties. In het eerste arrest was de reikwijdte van civielrechtelijke aanspraken op vergoeding van immateriële schade aan de orde en ging het om de invulling van art. 6:108 en 6:106 lid 1 sub a BW. Het tweede arrest had betrekking op de invulling van de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW jegens aandeelhouders bij een onnodig en welbewust veroorzaakt faillissement van een vennootschap.

In de onderhavige zaak gaat het evenwel niet om binnen het privaatrecht gelegen invullingen van begrippen, maar om de verhouding tussen het publiekrecht en het privaatrecht. Die verhouding wordt in belangrijke mate geregeerd door de doorkruisingsleer. Aan de doorkruisingsleer ligt het primaat van het publiekrecht ten grondslag. Indien het publiekrecht zich in het algemeen tegen privaatrechtelijk kostenverhaal ten aanzien van opsporingsonderzoek verzet (zoals de Hoge Raad in dit arrest en in 2003 oordeelde) en dat publiekrecht zelf geen uitzondering kent (vide de overwegingen van het arrest van 2003), dan is lastig te begrijpen waarom vervolgens toch in het privaatrecht nog een uitzondering gevonden zou mogen worden. Uit het door de Hoge Raad algemeen geschetste publiekrechtelijke kader blijkt die uitzondering immers niet. Dan zou de kous af moeten zijn.

Dat is in ieder geval de benadering die de Hoge Raad koos in het brandweerkosten-arrest (HR 11 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0788 (Vlissingen/Rize), AB 1993/301, m.nt. G.A. van der Veen, NJ 1994/639, m.nt. M. Scheltema). Uit de wetsgeschiedenis van de Brandweerwet 1985 en enige andere overwegingen volgde dat verhaal van kosten van (na)blussing via publiekrechtelijke weg is uitgesloten. Kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg zou neerkomen op een onaanvaardbare doorkruising van deze publiekrechtelijke regeling. Tegen deze achtergrond is er ook geen reden hierbij een uitzondering te maken voor gevallen waarin de brand te wijten is aan opzet of grove schuld, aldus de Hoge Raad toen.

Zo’n uitzondering maakt de Hoge Raad thans — voor opsporingskosten — wel. Wellicht heeft de Hoge Raad inspiratie opgedaan bij P.F.A. Bierbooms, Privaatrechtelijk kostenverhaal door de overheid (diss.), 1997, p. 148. Hij acht uitsluiting van aansprakelijkheid onwenselijk vanwege de preventieve effecten en de normstellende werking van het aansprakelijkheidsrecht. Als nadeel van het brandweerkosten-arrest ziet hij, dat zelfs opzettelijke brandstichting niet tot aansprakelijkheid leidt. Bierbooms zou menen dat bij opzettelijke benadeling van de overheid ten aanzien van de uitoefening van haar publieke functies of indien door grove schuld overheidskosten worden veroorzaakt, aansprakelijkheid in beginsel moet worden aangenomen. Voor dat standpunt valt best wat te zeggen, maar het blijft lastig te verenigen met het eerder genoemde primaat van het publiekrecht, de uitwerking via de doorkruisingsformule en de weigering uit het Brandweerkosten-arrest om een uitzondering voor opzet of grove schuld te aanvaarden.

Of de politie met de uitzondering intussen gebaat is, moet nog worden bezien. Het valt niet te verwachten dat veel aangiften het enkele doel hebben de politie te schaden. Veeleer zullen pogingen tot verzekeringsfraude of zwartmaken van andere personen of instellingen aanleiding vormen voor valse aangiften. Het voldoende noemen daarvan door de gedaagde zal de politie al tot andersluidende bewijslevering moeten brengen (r.o. 3.4.4) en dat maakt verhaal voor de politie nog lastiger.

Drempelgedachte. In het zojuist genoemde Brandweerkosten-arrest was nog aan de orde dat verhaal van kosten ertoe zou kunnen leiden dat bij de burger een drempel zou kunnen ontstaan bij diens keuze om wel of niet tot alarmering over te gaan. Dat werd uit het oogpunt van het openbaar belang van tijdige brandbestrijding onwenselijk geacht. De drempelgedachte verzette zich niet tegen kostenverhaal van rampbestrijding na een helikopterongeval (HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1278 (Apache), AB 2016/394, m.nt. P.J. Huisman, NJ 2017/139, m.nt. S.D. Lindenbergh), maar daar viel voor de stroomuitval veroorzakende piloten ook weinig meer te kiezen.

Bovendien kan de drempelgedachte ook worden omgedraaid. De mogelijkheid van kostenverhaal kan juist een wenselijke drempel opwerpen tegen ongewenst gedrag dat de samenleving met kosten opzadelt. Die richting sloeg de Hoge Raad in bij het arrest inzake de premiefraudeur, waar het hof volgens de Hoge Raad heeft kunnen oordelen dat de kosten van de uiteindelijk plaatsgevonden hebbende herverkiezingen zijn aan te merken als een aan de frauderende kandidaat toerekenbaar gevolg van de door hem met grove schuld gepleegde verkiezingsfraude. De fraudeur had kortom met kostenverhaal rekening kunnen houden en ook dat had tot afzien van fraude moeten leiden. Privaatrechtelijk kostenverhaal op valse aangevers zou wellicht ook zo’n drempel kunnen bieden. Alleen, als de dreiging met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie uit art. 188 Sr in concreto al geen drempel opwerpt, is het de vraag wat de mogelijkheid van privaatrechtelijk verhaal daaraan nog toevoegt. Wellicht heeft het argument daarom geen rol gespeeld.

4

De stand in het publiekrecht. Het arrest leert dat de algemene regel dat privaatrechtelijk kostenverhaal nu juist wel toelaatbaar is wanneer de betrokken publiekrechtelijke regeling niet in een mogelijkheid tot kostenverhaal voorziet, niet opgaat in de hoek van strafrechtelijk optreden. Normaliter staat het overheden in beginsel vrij om kosten te verhalen via het privaatrecht, ook wanneer activiteiten die tot kostenverhaal aanleiding geven, in meer of mindere mate ook een algemeen belang dienen (vgl. onder meer HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3594 (Achmea), AB 2015/264, m.nt. A.H.J. Hofman en G.A. van der Veen, NJ 2015/366, m.nt. S.D. Lindenbergh en HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1836 (Qubio), AB 2016/114, m.nt. A.H.J. Hofman en G.A. van der Veen, NJ 2015/441, m.nt. K.F. Haak).

Het onderhavige arrest en het al genoemde arrest uit 2003 tonen dat bij kostenverhaal in de meer strafrechtelijk getinte sfeer het uitgangspunt in wezen tegengesteld is: geen (privaatrechtelijk) verhaal, tenzij een wettelijk voorschrift voorziet in verhaal. In het publiekrecht zijn of worden diverse pogingen tot verhaal ondernomen, maar die lopen niet immer goed af. Voorgesteld was om onder omstandigheden tot enig verhaal van politiekosten te komen (Kamerstukken II 2005/06, 30526, Wet bijdrage politiekosten bij publieksevenementen), maar dat is niet doorgegaan. Gesneuveld zijn ook pogingen tot oplegging van een eigen bijdrage aan kosten van strafvervolging. Het voorstel tot wijziging van het Wetboek van strafvordering op dit punt is ingetrokken (Kamerstukken II 2017/18, 34700, 50 en Kamerstukken II 2017/18, 34067, 17). Bij die stand van zaken past ook wel de terughoudendheid die uit het arrest naar voren komt. De gedachte gaat hier niet op dat de wetgever een materie ongeregeld heeft gelaten en daarmee ‘dus’ stilzwijgend heeft ingestemd (vgl. HR 8 juli 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0315 (Kunst- en Antiekstudio Lelystad), AB 1991/659, m.nt. F.H. van der Burg, NJ 1991/691, m.nt. M. Scheltema).

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:HR:2017:221 - schadeverhaal politie na valse aangifte

Auteur(s)

Gerrit van der Veen

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT218:1