Grooming in het wetsvoorstel Computercriminaliteit III

Auteur(s): Bron:
  • Computerrecht, Computerrecht 2018/162, Wolters Kluwer

Samenvatting

In deze bijdrage behandelt de auteur een specifiek onderdeel van de Wet Computercriminaliteit III namelijk de aanpassing van artikel 248e Sr dat ziet op online kinderlokken (grooming). De auteur maakt kanttekeningen bij de nieuwe strafbaarstellingen.[1]

1 Inleiding

Net als zijn voorgangers Computercriminaliteit I (1993) en Computercriminaliteit II (2006) kent het wetsvoorstel Computercriminaliteit III (hierna: WCC III) een lange ontstaansgeschiedenis. Voordat het definitieve wetsvoorstel het licht zag werd het meerdere malen aangepast, herzien en aangevuld met nieuwe onderdelen wat resulteerde in het veelkoppige monster dat uiteindelijk op 20 december 2016 door een meerderheid in de Tweede Kamer werd aangenomen. In de zomer van 2018 werd het wetsvoorstel behandeld in de Eerste Kamer waar het op 26 juni 2018 is aanvaard.[2]

In het politieke en publieke debat over het wetsvoorstel ging vrijwel alle aandacht uit naar de nieuwe, controversiële hackbevoegdheid voor de politie. In deze bijdrage richt ik mij echter op een ander onderdeel van de wetswijziging, te weten de aanpassing van artikel 248e Sr dat ziet op online kinderlokken (online grooming).[3] Een tweetal zaken trekt daarbij de aandacht. In de memorie van toelichting bij WCC III wordt voorgesteld ook de poging tot grooming strafbaar te stellen. Bovendien maakt WCC III het wettelijk mogelijk om de zogenoemde lokpuber – ook in de vorm van een “virtuele creatie” – in te zetten in de strijd tegen digitaal kinderlokken. Nu het WCC III is aangenomen kent Nederland weldra een ‘nieuw’ type delict: niet alleen de poging tot grooming van een kind onder de zestien jaar is dan strafbaar, maar ook het sexchatten met politieagenten en robots die zich voordoen als zestienminner vormt binnenkort een strafbaar feit. Moeten we ons gelukkig prijzen met deze ontwikkeling? Of vormt die een regelrechte bedreiging voor de rechten en (internet)vrijheden van burgers?

In het hierna volgende bespreek ik kort de inhoud en reikwijdte van de huidige grooming-bepaling (paragraaf 2), de verstrekkende gevolgen die de aanpassing van artikel 248e Sr met zich meebrengt, zowel met betrekking tot de strafbaarstelling van poging tot grooming (paragraaf 3) als de codificering van de lokpuber en de virtuele creatie als opsporingsmiddel (paragraaf 4), waarna ik afsluit met een enkele kritische opmerking over deze wijzigingen (paragraaf 5).

2 Huidige invulling en reikwijdte van grooming

Het huidige artikel 248e Sr staat sinds juli 2010 in het Wetboek van Strafrecht en geeft uitvoering aan artikel 23 van het Verdrag van Lanzarote.[4] Het luidt als volgt:

“Hij die door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon is betrokken, te vervaardigen wordt, indien hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

Vier onderdelen zijn van belang: a. Een ontmoeting voorstellen langs digitale weg (bijvoorbeeld op social media, in online chatboxes of games); b. aan iemand van wie men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zestienminner is; c. met het oogmerk om ontuchtige handelingen te verrichten met deze zestienminner; d. en het ondernemen van enige handeling gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting met deze zestienminner.[5]

Grooming is een zelfstandig, individueel voorbereidingsdelict. In het algemeen criminaliseert dit type delicten handelingen die worden verricht met de intentie om een bepaald ander delict te plegen zonder dat er al sprake is van een begin van uitvoering van dat beoogde delict. Bij grooming moeten de strafbare voorbereidende handelingen die de dader verricht dus leiden tot datgene waarop het oogmerk van de dader uiteindelijk is gericht: het verrichten van ontuchtige handelingen met het slachtoffer dat jonger is dan zestien jaar.

De memorie van toelichting uit 2008 zegt over artikel 248e Sr het volgende:

“De in het Verdrag opgenomen strafbaarstelling richt zich nadrukkelijk op het grijze gebied waarin nog geen sprake is van het plegen van daadwerkelijk seksueel misbruik, maar waar wel misbruik wordt gemaakt van de open communicatiemogelijkheden op internet om kinderen te benaderen en tot misbruik te verleiden. Voor strafbaarheid is niet vereist dat het contact op internet daadwerkelijk leidt tot fysiek contact tussen kind en dader (…). De nadruk ligt meer op de communicatiefase; de fase waarin het kind op internet in chat- en emailverkeer door de dader wordt bewerkt en verleid.”[6]

Het idee is dat de potentiële groomer na de eerste online kennismaking met de zestienminner door veelvuldig chat- of emailcontact langzaam het vertrouwen van de zestienminner wint, het kind verleidt tot het delen van intimiteiten en het aldus vatbaar maakt voor seksueel misbruik in de fysieke wereld.[7] Grooming-gedrag bestaat daarmee in essentie volledig uit communicatie. Die communicatie wordt in bepaalde literatuur wel opgedeeld in een aantal opeenvolgende fasen: respectievelijk de trust development stage (het opbouwen van een vertrouwensband), de groomingstage (het inkapselen van de minderjarige) en de approach stage (het zoeken van toenadering). Uit onder meer psycho-linguistisch onderzoek blijkt dat alle drie de fasen worden gekenmerkt door hun eigen specifieke woordgebruik (dictionaries).[8]

Uit dat taalgebruik – de inhoud van de desbetreffende chat- en emailcommunicatie – zal veelal het oogmerk van de dader op het plegen van seksueel misbruik kunnen worden afgeleid.[9] Hoewel de online communicatie tussen een groomer en een zestienminner weliswaar ook neutraal kan zijn en niet per se seksueel geladen hoeft te zijn, is het ontuchtige oogmerk in de praktijk lastig te bewijzen als de voorafgaande communicatie geheel vrij zou zijn van seksuele toespelingen.[10] Overigens stelt de memorie van toelichting bij het gewijzigde artikel in WCC III inmiddels geen erg zware eisen meer aan het bewijs daarvan, waar deze stelt dat het oogmerk “uit de feiten kan worden afgeleid”. Daarvoor is voldoende dat het kind aan de verdachte heeft kenbaar gemaakt dat het de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt of dat de verdachte met zijn handelingen of uitlatingen tot uitdrukking heeft gebracht op zoek te zijn naar een kind onder de zestien jaar. Voor het bewijs van oogmerk is dus voldoende “dat de verdachte aantoonbaar zijn zinnen heeft gezet op een willekeurige zestienminner”, aldus de memorie van toelichting.[11]

De voorbereidende handelingen die een potentiële groomer verricht zijn echter niet zonder meer strafbaar gesteld. Voor strafbaarheid van grooming is namelijk vereist dat de communicatiefase uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het ondernemen van enige handeling gericht op de verwezenlijking van die ontmoeting.[12] Wat die laatste handeling zoal kan inhouden is in de loop der jaren uitgekristalliseerd en wordt duidelijk uit achtereenvolgens de toelichting bij het Verdrag van Lanzarote, de Nederlandse parlementaire geschiedenis én de rechtspraak.

Het Explanatory Report bij artikel 23 van het Verdrag van Lanzarote gaf nog de minst ruime uitleg aan de ‘material acts leading to a meeting’ en noemde als voorbeeld: ‘the fact of the perpetrator arriving at the meeting place’.[13] Alleen indien het groomen uitmondt in een afspraak én de dader werkelijk aankomt op de afgesproken plaats, dan was er volgens deze toelichting sprake van strafbare grooming. De Nederlandse wetgever vatte “een handeling ter verwezenlijking van de ontmoeting” al wat ruimer op en stelde bij de parlementaire behandeling van de oorspronkelijke groomingbepaling dat van strafbaarheid pas sprake zou zijn wanneer de betrokkene zich bijvoorbeeld begeeft naar de afgesproken plek of het slachtoffer voorziet van een treinkaartje of routebeschrijving naar die plek.[14]

De Hoge Raad gaf aan de uitvoeringsfase de tot nu toe ruimste uitleg door in zijn arrest van 11 november 2014 het concrete ontmoetingsvoorstel of een concrete zelfstandige handeling ter verwezenlijking ervan los te laten en die twee onderdelen in wezen in elkaar te laten opgaan.[15] Hij oordeelde dat ‘het er bij het slachtoffer in chats en sms-berichten herhaaldelijk op aandringen dat er snel een ontmoeting moest plaatsvinden en daarbij het slachtoffer onder druk zetten’, plus ‘het geven van een telefoonnummer aan het slachtoffer’, tezamen moesten worden beschouwd als de strafbare uitvoeringsfase van grooming.

De fase die voorafgaat aan de uitvoeringsfase is lange tijd expliciet van strafbaarheid uitgesloten. Deze voorfase – waarin de potentiële groomer en de zestienminner online in contact komen en al dan niet seksueel geladen gesprekken voeren – valt buiten het bereik van het delict, zo lezen we in het Explanatory Report bij het Verdrag van Lanzarote en ook in de memorie van toelichting bij de groomingbepaling uit 2010. Het eerste zegt daarover:

“The negotiators felt that simply sexual chatting with a child, albeit as part of the preparation of the child for sexual abuse, was insufficient in itself to incur criminal responsibility.”[16]

En de memorie van toelichting stelde in 2010:

“Er is voor strafbaarheid (…) meer nodig dan het uitsluitend op internet communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen. Een zodanige verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase zou te ver voeren en is bovendien niet goed handhaafbaar.”[17]

De bestanddelen die leiden tot strafbaarheid van grooming (het voorstel voor een ontmoeting en het ondernemen van enige handeling ter verwezenlijking van de ontmoeting) kregen daarmee de uitdrukkelijke functie te voorkomen dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid te ver zou opschuiven naar de voorfase.[18]

3 Poging tot grooming: sexchatten met kinderen strafbaar?

Van de oorspronkelijke uitgangspunten bij de strafbaarstelling van grooming lijkt in WCC III weinig te zijn overgebleven. Dat zou althans de conclusie kunnen zijn na wat speurwerk in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel. Daarin doet de minister namelijk, bijna terloops, een opmerkelijke uitspraak over de strafbaarheid van de poging tot grooming – een toelichting dus bij een onderdeel van artikel 248e Sr dat in WCC III juist ongewijzigd blijft. “Bij wet is de strafbaarheid van de poging tot grooming (…) niet uitgesloten”, zo staat er te lezen.

“Er kan sprake zijn van een strafbare poging tot grooming wanneer een persoon online communiceert met een zestienminner en daarbij weliswaar een ontmoeting voorstelt, maar geen handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, bijvoorbeeld omdat het potentiële slachtoffer niet ingaat op het voorstel of omdat een ouder bijtijds heeft ingegrepen.”[19]

Over de invulling van poging tot grooming kan, vermoedelijk, verschillend worden gedacht. Dit hangt voor een deel samen met de vraag of het ontmoetingsvoorstel en de “material acts” als één onlosmakelijk geheel van voorbereidingshandelingen moeten worden gezien of als twee duidelijk in tijd te onderscheiden momenten.[20] De invulling door de minister van de poging tot grooming is in ieder geval een ongelukkige omdat de geschetste situatie vrijwel geheel overeenkomt met wat de Hoge Raad in 2014 al als zuivere grooming bestempelde.[21] In deze zaak, die ik hierboven al noemde, drong de verdachte er bij het slachtoffer in chats en sms-berichten herhaaldelijk op aan dat er snel een ontmoeting moest plaatsvinden, zette het slachtoffer onder druk en gaf haar zijn telefoonnummer. Het meisje hield een afspraak steeds af, waarna de moeder het chatverkeer ontdekte en aangifte deed. Dit tezamen beschouwde de Hoge Raad als een strafbare vorm van pure grooming, niet als een poging daartoe.

Als we, met de Hoge Raad, het voorbereidingsdelict grooming op die manier afbakenen, dan kunnen we niet anders dan de strafbare poging tot dat voorbereidingsdelict definiëren als datgene wat de potentiële groomer onderneemt voorafgaand aan, dus als een begin van uitvoering van het ontmoetingsvoorstel. Het ligt daarom wellicht meer voor de hand te veronderstellen dat een poging tot grooming – in weerwil van het voorbeeld in de memorie van toelichting – (ook) zou kunnen zien op de fase waarin nog geen (concreet) voorstel voor een ontmoeting is gedaan, en zeker nog geen handeling ter verwezenlijking van die ontmoeting is ondernomen.

Er moet overigens op gewezen worden dat in de literatuur de ‘poging tot voorbereiding’ als een problematische figuur wordt beschouwd en “in beginsel als strafrechtelijke modaliteit wordt afgewezen”.[22] Bij de parlementaire behandeling van de algemene strafbaarheidsstelling van voorbereidingshandelingen werd al vastgesteld dat zowel poging tot voorbereiding als voorbereiding tot voorbereiding van een delict geen strafbaarheid zouden kunnen opleveren.[23] Voor grooming als zelfstandig voorbereidingsdelict geldt in beginsel hetzelfde. De onmogelijkheid van de strafbaarheid van poging tot grooming werd bij de introductie van het delict in het wetboek van strafrecht in 2010 ook expliciet zo benoemd. Behalve onmogelijk was het volgens de wetgever, destijds, bovendien onwenselijk om poging tot grooming strafbaar te stellen wegens de eerder genoemde verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase die volgens de minister te ver zou voeren en niet goed handhaafbaar zou zijn.[24]

In de jaren na de introductie van grooming in de Nederlandse strafwet leek de rechtspraak wisselend om te gaan met de poging tot grooming. Sporadisch deed zich een veroordeling voor poging tot grooming voor, maar dan wel in combinatie met andere, zwaardere delicten als kinderpornografie en seksueel misbruik.[25] In een aantal gevallen werd poging tot grooming wel bewezen, maar niet strafbaar geacht. Het ging dan om gevallen waarin een verdachte zinspeelde op een ontmoeting, maar zonder daarin concreet te worden, en het slachtoffer niet inging op dat voorstel. Of waarin de rechtbank niet zo ver wilde gaan om het (enkel) versturen van sms-berichten met seksuele toespelingen, hoe laakbaar ook, te bestraffen.[26] In een ander geval werd geoordeeld dat uit de handelingen van de verdachte niet was af te leiden dat hij reeds een wilsbesluit had genomen “tot het doen van een voorstel tot een min of meer concrete ontmoeting” en werd de verdachte vrijgesproken van poging tot grooming.[27]

In beginsel zou de rechter geen rekening hoeven te houden met de uitlatingen van de minister betreffende de poging tot grooming in de memorie van toelichting bij WCC III. Deze hebben immers betrekking op bestaande wetgeving (het onderdeel van de grooming-bepaling dat niet wordt gewijzigd in het wetsvoorstel, te weten, het ontmoetingsvoorstel en het verrichten van enige handeling ter verwezenlijking van die ontmoeting) en niet op de werkelijke wetswijziging (de introductie van de lokpuber).[28]

Maar in de praktijk hebben de ministeriële uitlatingen hun invloed wel degelijk al bewezen. Dit blijkt uit een tweetal arresten, in december 2017 gewezen door het Hof ’s-Hertogenbosch, waarin het Hof enkele overwegingen wijdde aan de vraag of poging tot grooming strafbaar is. Met een verwijzing naar de bewuste passage in de memorie van toelichting bij WCC III oordeelde het Hof dat dat inderdaad het geval is. Grooming werd bewezen geacht in de zaak waarin de verdachte een concrete plaats en tijdstippen voor het hebben van een ontmoeting had voorgesteld en voorts het verwezenlijken van deze afspraak had getracht af te dwingen door druk op het slachtoffer uit te oefenen.[29] In de tweede zaak overwoog het Hof dat voor de bewezenverklaring van poging tot grooming volstond dat de verdachte gedurende een geruime periode contact had gehad met het slachtoffer, seksueel getinte berichten had verstuurd en uitnodigingen met het oogmerk op ontuchtige handelingen had gedaan, zonder concrete handelingen te ondernemen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting.[30]

Hiermee kunnen we vaststellen dat de poging tot grooming definitief ingang heeft gevonden in de Nederlandse rechtspraak. Met de invulling van strafbare poging tot grooming als het doen van niet concrete uitnodigingen in de context van seksueel getinte online communicatie zijn we langzaam maar zeker op het terrein van de strafbaarstelling van seksuele communicatie aanbeland. De uitlatingen van de minister in de memorie van toelichting zouden we daarom kunnen interpreteren als een goed geslaagde proefballon, een wegbereider voor een verbod op sexchatten met zestienminners.

Het zou overigens niet voor het eerst zijn dat dit onderwerp wordt aangeroerd. Begin 2016 liet de minister aan de Tweede Kamer weten dat hij voornemens was de mogelijkheden te onderzoeken om het seksueel communiceren met kinderen strafbaar te stellen “als dit gedrag leidt tot het seksueel inkapselen van een kind”.[31] En ook het OM deed diverse malen uitspraken in de media over de noodzaak en wenselijkheid om online sexchatten strafbaar te stellen.[32] Officier van justitie Patist deed dat nog eens in een uitzending van EenVandaag van 12 januari 2017:

“Belangrijk is de strafbaarheid van een aantal feiten die op dit moment nog niet strafbaar zijn: het sexchatten in een eerdere fase waarin kinderen worden benaderd door pedofielen die iets van zo’n kind willen en daar seksuele gesprekken mee gaan voeren. [Strafbaarstelling daarvan] zal opsporing en vervolging echt ten goede komen.”[33]

In de context van WCC III, waarin de poging tot grooming direct samenhangt met de codificatie van de (geautomatiseerde) lokpuber, krijgt een verbod op sexchatten met minderjarigen echter een bijzondere betekenis.

4 Sexchatten met robots strafbaar?

De werkelijke wijziging van artikel 248e Sr is in wezen van strafvorderlijke aard en heeft betrekking op het inzetten van lokmiddelen bij de preventie en de opsporing van digitaal kinderlokken, zowel in de vorm van lokagenten als in de vorm van lokrobots.

Van 2010 tot 2012 experimenteerden de Nederlandse opsporingsautoriteiten met zogenaamde lokpubers bij het opsporen en bestrijden van groomers. Opsporingsambtenaren deden zich online voor als zestienminner, gebruikten daarvoor een fake profiel en fictieve persoonlijke informatie over hun leeftijd (en eventueel geslacht) en legden met behulp van die dekmantel contact met potentiële groomers om deze op heterdaad te kunnen betrappen.[34]

Aan deze lokpraktijk kwam in 2012 een einde met een uitspraak van de Rechtbank Den Haag.[35] Die overwoog dat in artikel 248e Sr een geobjectiveerde leeftijd van 16 jaar wordt gehanteerd en dat er geen sprake kan zijn van strafbaarheid indien de verdachte weliswaar subjectief dácht dat het om een zestienminner ging, maar het ‘slachtoffer’ objectief gezien ouder was dan zestien jaar. Dat was precies het geval in deze zaak waarin twee zedenrechercheurs zich op de babbelbox Gaychat.nl voordeden als de 13-jarige Lars en werden gegroomd door een 36-jarige man.[36]

“Los van de moreel uiterst verwerpelijke intenties, gedragingen en handelingen van de verdachte had een feitelijke ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met een minderjarige nooit tot stand kunnen komen”, aldus de rechtbank.

Ook in hoger beroep kon de opvatting van het OM dat het in dergelijke gevallen niet ging om de leeftijd van het potentiële slachtoffer maar om de intentie van de verdachte blijkend uit diens gedragingen niet rekenen op instemming. Het Gerechtshof Den Haag haalde de woorden van de Minister van Justitie aan die bij de behandeling van het oorspronkelijke groomingwetsvoorstel had benadrukt dat er geen sprake van strafbaarheid zou zijn als het slachtoffer objectief gezien achttien zou zijn, maar de verdachte subjectief dacht dat het om een zestienminner ging.[37] De minister meende destijds dat daartoe geen aanleiding bestond, omdat het uitgangspunt van het Verdrag van Lanzarote immers de bescherming van minderjarigen was geweest, en niet de bescherming van meerderjarige politieambtenaren.[38]

Omstreeks dezelfde tijd dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten het gebruik van lokpubers moesten staken, gaf de Nederlandse kinderrechtenorganisatie Terre des Hommes het startschot voor hun eigen lokpubercampagne. In het kader van hun strijd tegen webcam kindersekstoerisme (WCST of webcamprostitutie) in met name de Filippijnen ontwikkelde de organisatie een lokpuber die de naam Sweetie kreeg: een nepprofiel van een Filipijns meisje dat achter de schermen werd beheerd door medewerkers van de organisatie.[39] Deze personen legden online contact met meerderjarige verdachten die internetfora en chatrooms bezochten met het oogmerk Filipijnse kinderen seksueel te misbruiken. Naar verluidt werden met deze lokpuber wereldwijd enkele duizenden verdachten betrapt van wie er uiteindelijk enkelen in hun eigen land zijn veroordeeld.

Enigszins curieus was het bericht in 2016 waarin Terre des Hommes aankondigde vanaf de zomer van 2016 ook dit soort ‘lokprofielen’ te gaan inzetten tegen kindermisbruikers in Nederland.[40] Het initiatief leek onderdeel te zijn van een intensieve lobbycampagne van de organisatie die eind november werd afgesloten met een petitie waarin Terre des Hommes aankondigde in 2017 loverboys en jongensprostitutie te gaan aanpakken met nepprofielen en nepadvertenties en waarin zij de kamer opriep in te stemmen met het wetsvoorstel om zo de strijd tegen “kindermisbruikers, ronselende loverboys en hun klanten” mogelijk te maken.[41]

Alhoewel het WCC III niet ziet op jongensprostitutie, laat staan op webcamsekstoerisme, bleek Den Haag toch niet ongevoelig voor dit soort geluiden. Dit resulteerde erin dat de Tweede Kamer, vijf jaar na het stopzetten van het Nederlandse lokpuberexperiment, instemde met de wijziging van de groomingbepaling in WCC III die het gebruik van de lokpuber als opsporingsinstrument wettelijk vastlegde. Het aangepaste artikel 248e Sr luidde daarmee als volgt:

“Hij die (…) aan een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt of iemand die zich voordoet als een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken…”

Lindenberg wijst erop dat deze wijziging van artikel 248e Sr in één en dezelfde beweging twee afzonderlijke veranderingen met zich meebrengt: de aanduiding van de persoon aan wie een ontmoeting wordt voorgesteld wordt gewijzigd én de inhoud van het oogmerk wordt losgekoppeld van de persoon aan wie die ontmoeting is voorgesteld:

“Groomt de verdachte in werkelijkheid een opsporingsambtenaar, terwijl zijn oogmerk was gericht op een zestienminner, dan pleegt hij onder toekomstig recht toch een strafbaar feit”.[42]

Dat wil zeggen dat de verdachte niet meer hoeft te weten of te vermoeden met wie hij communiceert. Het slachtoffer mag immers ook een volwassen politieagent zijn.

Verder moet – voor het plegen van een strafbaar feit – wel vaststaan dat de verdachte met zijn voorstel erop uit is ontucht te plegen met een zestienminner, maar hoeft die willekeurige zestienminner op wie de groomer zijn oogmerk heeft gericht niet dezelfde te zijn als degene met wie hij communiceert. In het geval van een lokpuber zijn degene met wie de potentiële groomer communiceert en degene op wie zijn oogmerk is gericht per definitie immers nooit één en dezelfde persoon. Sterker nog, deze zestienminner hoeft überhaupt niet te bestaan – althans niet buiten de verbeeldingswereld van de potentiële groomer. Met de aanpassing van artikel 248e Sr hielp de wetgever de (bewijs)problemen bij het gebruik van de lokpuber ten aanzien van de feitelijke leeftijd van het (fictieve) slachtoffer definitief de wereld uit.[43]

Maar daar hield het niet mee op. In 2016 introduceerde Terre des Hommes, na hun eerste Sweetie-project, de chatbox Sweetie 2.0 als nieuw wapen in de strijd tegen WCST.[44] Sweetie 2.0 is een volledig autonome, kunstmatige intelligentie die in staat is om zonder menselijke tussenkomst in meerdere chatrooms tegelijkertijd tientallen volwaardige gesprekken te voeren. De virtuele creatie bestaat uit drie technologische onderdelen: een bewegend, realistisch driedimensionaal beeld van een jong meisje, een chatbot-functionaliteit gebaseerd op AI-technologie en een onderliggend software framework dat Sweetie onder meer in staat stelt om op verschillende platforms tegelijkertijd te communiceren, maar dat ook (terugkerende) chatpartners, en beelden, woordgebruik en communicatiepatronen van seksuele aard herkent en bovendien alle gevoerde gesprekken opslaat. Het systeem deelt tevens waarschuwingen uit aan verdachten die meerdere malen zijn betrapt in het kader van webcamsekstoerisme.[45]

Parallel aan de promotiecampagne rond het lokprofiel trok Terre des Hommes – dat hoeft geen verbazing te wekken – ook met Sweetie 2.0 de boer op met het doel de Nederlandse politiek ervan te overtuigen de lokrobot ook in te zetten als opsporingsinstrument tegen kindermisbruik en grooming. En zo dook, onvermijdelijk, naast de menselijke lokpuber ook de lokrobot of ‘virtuele kindcreatie’ in het CCIII-wetgevingsproces op.[46] Hoewel de minister niet de intentie had om ‘virtuele kind-creaties’ als lokmiddel in de wet op te nemen, was de tekst van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel op dit punt dermate inconsistent dat deze zonder meer aanknopingspunten bood voor een amendement op dat vlak.[47] De Tweede Kamerleden Tellegen en Van Toorenburg stelden op 13 december 2016 bij amendement voor om de inzet van technische hulpmiddelen, waaronder virtuele creaties (d.w.z. Sweetie-achtige chatbots) bij de Nederlandse opsporing van groomers mogelijk te maken.[48] Het gewijzigde artikel 248e Sr luidt inmiddels, na het overnemen van het amendement, als volgt:

“Hij die (…) aan een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt of iemand die zich, al dan niet met een technisch hulpmiddel, waaronder een virtuele creatie van een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, voordoet als een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken (…)”

Met deze wijziging zou nu dus gelden (vrij naar Lindenberg):

“Groomt de verdachte in werkelijkheid een chatbot-functionaliteit terwijl zijn oogmerk gericht was op een zestienminner, dan pleegt hij onder toekomstig recht toch een strafbaar feit.”

Niet alleen leidde het amendement tot een vrijwel onleesbare bepaling, de tekst van het geamendeerde artikel 248e Sr wijkt inmiddels ook wel zeer sterk af van zijn bron, het oorspronkelijke artikel 23 van het Verdrag van Lanzarote. Des te verrassender is het daarom dat er tijdens de behandeling van het amendement Tellegen/Van Toorenburg in de Tweede Kamer geen enkele discussie plaatsvond over de noodzaak, de wenselijkheid en de mogelijke negatieve gevolgen van de inzet van dergelijk virtuele opsporingsmiddelen, anders dan betreffende het gevaar van uitlokking.[49] Het amendement werd, integendeel, door een overweldigende meerderheid van de Tweede Kamer aangenomen. Dit is alleen al daarom opvallend omdat het voor het eerst is dat kunstmatige intelligentie als opsporingsmiddel zo expliciet in de strafwet is opgenomen.

5 Enkele kritische opmerkingen

Met het wetsvoorstel CCIII hebben de inhoud en de reikwijdte van artikel 248e Sr drastische wijzigingen ondergaan. Eerdere bewijsproblemen rond het gebruik van lokpubers zijn met het wetsvoorstel vakkundig de wereld uitgeholpen. Bovendien lijkt het wetsvoorstel de nodige politieke ruimte te hebben gecreëerd voor de door sommigen zo gewenste strafbaarheid van online (seksuele) communicatie met minderjarigen. En niet in de laatste plaats: het bevat de primeur waar het de inzet van robottechnologie ten behoeve van de opsporing van zedendelicten tegen kinderen betreft. De senaat heeft weliswaar onlangs zijn fiat uitgesproken ten aanzien van het gehele wetsvoorstel. Maar de vraag blijft of de implicaties van dit onderdeel van het wetsvoorstel wel volledig helder zijn.

De noodzaak en de wenselijkheid ervan staan, in mijn ogen althans, allesbehalve vast. Ter discussie staat allereerst of de omvang van het probleem van online kinderlokken de inzet van deze drastische middelen rechtvaardigt. Vormt grooming een zodanig groot maatschappelijk probleem dat dergelijke vergaande voorstellen onvermijdelijk zijn geworden? Het is zeker niet mijn bedoeling om online misbruik van kinderen en de kwade bedoelingen van bepaalde internetgebruikers te bagatelliseren. Maar zodra het over “onze kinderen” gaat lijkt er maar weinig ruimte te zijn voor een kritische reflectie op de daadwerkelijke risico’s.

Onderzoek wijst echter uit dat slechts een klein percentage van de jongeren ernstige risico’s op het internet loopt of hetgeen ze online meemaken als problematisch ervaart. Zo bleek uit een grootschalige Europese studie dat het aantal slachtoffers van grooming verwaarloosbaar klein is.[50] Van der Hof en Koops stelden vast dat het risico op online grooming niet significant groter is dan het risico op seksueel misbruik in de offline omgeving.[51] Bovendien staat vast dat de potentiële slachtoffers van grooming tot sociaal kwetsbaardere groepen horen, vaker lijden onder psychologische problemen en een gebrek aan zelfvertrouwen, afkomstig zijn uit problematische gezinssituaties en ook offline een groter risico lopen slachtoffer te worden van misbruik. Het lijkt gerechtvaardigd om te concluderen dat de strafbaarstelling van (poging tot) grooming deze specifieke groep kinderen niet significant meer bescherming zal bieden of een oplossing vormt voor hun specifieke problematiek.[52] De noodzaak van verruiming van het delict met de strafbaarstelling van poging tot grooming en van de inzet van nieuwe opsporingsmiddelen wordt, kortom, niet overtuigend onderbouwd door de slachtoffercijfers.

Zodra het om het risico op misbruik van kinderen gaat, vertonen de wetgever en ook burgers echter een niet te onderdrukken neiging om alle mogelijke voorzorgsmaatregelen in te zetten en koste wat het kost, bij voorkeur via het strafrecht, bescherming te bieden aan deze per definitie kwetsbare groep. Staksrud noemt dat ‘knee jerk regulation’: een vorm van reflexmatige, en in sommige gevallen onnodige, regelgeving waarmee de wetgever reageert op de veronderstelde toename van online dreigingen en de ongerustheid die bestaat in de samenleving met betrekking tot de veiligheid van minderjarigen.[53] Ook campagnes als die van Terre des Hommes spelen perfect in op dit soort sentimenten. De strafbaarstelling van poging tot grooming moet dan beschouwd worden als het politieke antwoord op de publieke opinie aangaande de online kwetsbaarheid en beschermwaardigheid van minderjarigen, een geval van technopaniek 2.0.[54]

Laten we ook niet vergeten dat minderjarigen dagelijks worden geconfronteerd met online media die per definitie sterk geseksualiseerde media zijn. In dat licht lijkt het mij doeltreffender om minderjarigen te ondersteunen in hun ontwikkeling tot bewuste, weerbare en veerkrachtige internetgebruikers dan om elk online gesprek bij voorbaat te beschouwen als een mogelijke voorbode van strafbaar gedrag. En hoewel dit door niemand met zoveel woorden wordt gezegd ligt hieraan uiteindelijk ook de overtuiging ten grondslag dat dit een niet te rechtvaardigen inmenging of beperking van de vrijheid van meningsuiting zou betekenen.

Bij de wenselijkheid van het strafbaar stellen van online (seksuele) communicatie zijn nog enkele kanttekeningen te maken. Internetcontact tussen volwassenen en kinderen dat in wezen onschuldig en onproblematisch is, kan misschien, met name voor ouders, alarmerend overkomen maar kan en mag naar mijn mening niet verboden worden. Te makkelijk worden op dit moment nauwelijks problematische gedragingen toch strafbaar geacht, gebaseerd op de angst of een vermoeden dat er kwade intenties achter relatief onschuldige communicatie schuilgaan.[55] Wanneer online gesprekken een zweem van seksuele connotatie krijgen is het uiteraard belangrijk te voorkomen dat zestienminners in de greep komen van potentiële groomers maar ook daar ligt niet in de eerste plaats een rol voor het strafrecht weggelegd. Bij de behandeling van het oorspronkelijke grooming-artikel van 2010 wees de toenmalige regering nog op de grenzen van het strafrecht en de inzet van andere middelen dan het strafrecht om kinderen te beschermen tegen onwenselijk online gedrag.[56] Louter seksueel communiceren met minderjarigen in woord of geschrift, hoe laakbaar en onaangenaam ook, werd niet strafwaardig geacht.

“Voor strafbaarheid is meer nodig dan alleen een seksuele inhoud van de woordelijke communicatie.”[57]

Inmiddels is dat een gepasseerd station. Moeten we er nu vanuit gaan dat de strafbaarheid zich nog verder zal uitstrekken tot gesprekken die zich slechts bevinden in een vroeg stadium van grooming of slechts mogelijkerwijs leiden tot ‘echte’ seksuele communicatie? Die vraag is zeker relevant waar het de inzet van lokpubers betreft. Op welk moment moeten opsporingsautoriteiten ingrijpen in communicatie die zich mogelijk als poging tot grooming zal ontvouwen? Bij de vraag van de verdachte (aan de lokpuber) naar de leeftijd van deze (fictieve) minderjarige? Bij het verzoek van de verdachte om een foto op te sturen? Bij WhatsApp berichten met verwijzingen naar niet concrete ontmoetingen als: “Schatje ik hou van jou ik wil samen met jou slapen liefje, kusje”?[58] Het is van belang dat wordt nagedacht over de vraag of het werkelijk nodig en wenselijk is dat er een verbod gaat gelden op dergelijke conversaties.

Een laatste opmerking betreft de opsporing van poging tot grooming door middel van chatbots. Ook hiervoor geldt in mijn ogen dat dit een te zwaar en potentieel schadelijk opsporingsinstrument vormt dat niet in verhouding staat tot het werkelijke grooming-probleem en de werkelijke schade die online (seksueel) communiceren aanricht. Het is onwenselijk wanneer allerlei online gesprekken door AI systemen automatisch en systematisch zullen worden gemonitord. Zeker wanneer daarbij de overheid (via de ontwikkelaars van deze systemen) de talige maatstaven zal aanleggen waarlangs online communicatie wordt beoordeeld op mogelijke strafbaarheid, en deze communicatie vervolgens blokkeert, verbiedt en bestraft.[59] Al vormt de wijziging van artikel 248e Sr nog maar een eerste voorzichtige stap in die richting, toch roept deze onwillekeurig het beeld op van een overheid die door middel van AI-technologie in staat zal zijn eender welke online gesprekken te controleren. De stap van de bestrijding van online zedendelicten naar censuur en gedachtenpolitie is dan niet groot meer.

6 Eindnoten

1. Anne de Hing is universitair docent internetrecht VU Amsterdam.

2. Kamerstukken I 2016/17, 34372, A. Op het moment van schrijven is nog niet bekend wanneer WCC III in werking zal treden.

3. Het daaraan gerelateerde  artikel 248a Sr (verleiding minderjarige) zal ik hier niet afzonderlijk behandelen. Mutatis mutandis gelden de wijzigingen ook voor deze bepaling.

4. Wet tot uitvoering van het op 25 oktober 2007 te Lanzarote tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen uitbuiting en seksueel misbruik (Trb. 2008, 58), in werking getreden per 1 januari 2010. Zie ook de latere Richtlijn 2011/93/EU van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.

5. Zie ook K. Lindenberg, ‘De lokpuber verstopt zich in het materiële recht’, Ars Aequi december 2016, p. 942-950, en A.R. Lodder, ‘Opinie. Grooming: over meerderjarigen die internet en jeugdigen misbruiken’, Tijdschrift voor Internetrecht nr. 2 juli 2015, p. 56-62.

6. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 6-7.

7. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 6.

8. Zie onder meer A. Cano Basave, M. Frnez & H. Alani, 2014 ‘Detecting child grooming behavior patterns on social media’, in: SociInfo 2014: The 6th International Conference on Social Informatics, 10-13 Nov. 2014, Barcelona, Spain. En C. Laorden et al., ‘Negobot: A conversational agent based on game theory for the detection of paedophile behavior’, in: Herrero Á. et al. (eds.), International Joint Conference CISIS’12-ICEUTE´12-SOCO´12 Special Sessions. Advances in Intelligent Systems and Computing, vol 189. Springer, Berlin, Heidelberg.

9. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 6-7.

10. K. Lindenberg, ‘De strafbaarheid van seksueel getint communiceren met minderjarigen in woord of geschrift: over sexting, poging tot grooming en andere toenaderingen’, DD 2016/4 (p. 37-64), p. 52.

11. Kamerstukken II 2015/16, 34372, 3, p. 90.

12. Blijkens de memorie van toelichting is voor strafbaarheid van “grooming” ex artikel 248e Sr vereist dat de communicatiefase, waarbij de dader in een langer lopend proces door veelvuldig chat- en e-mailcontact langzaam het vertrouwen wint van het kind, het kind verleidt tot het delen van intimiteiten en op die wijze het kind in de digitale wereld vatbaar maakt voor seksueel misbruik in de fysieke wereld, uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Er dient aldus sprake te zijn van het treffen van concrete voorbereidingen gericht op het verwezenlijken van de ontmoeting. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3.

13. Overwegingen 157 en 160, Explanatory Report, Raad van Europa.

14. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 7.

15. HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3140, m.nt. N. Keijzer.

16. Overweging 157 van het Explanatory Report, Raad van Europa.

17. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 6-7.

18. M.J. Borgers, Bij nader inzien (Afscheidsrede VU Amsterdam, 22 januari 2016), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 39.

19. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 91.

20. Dat laatste wordt door Keijzer verondersteld in zijn noot bij HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3140, m.nt. N. Keijzer.

21. Zie HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3140, m.nt. N. Keijzer.

22. K. Lindenberg, ‘De lokpuber verstopt zich in het materiële recht’’, Ars Aequi december 2016, p. 942-950. Zie ook M.J. Borgers, Bij nader inzien (Afscheidsrede VU Amsterdam, 22 januari 2016), Deventer: Wolters Kluwer 2016.

23. HandelingenII 1990/91, 22268, 3, p. 13 en zie ook K. Lindenberg, ‘De strafbaarheid van seksueel getint communiceren met minderjarigen in woord of geschrift: over sexting, poging tot grooming en andere toenaderingen’, DD 2016/4 (p. 37-64).

24. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 6-7. Zie ook Rechtbank Amsterdam 2 juli 2013,  ECLI:NL:RBAMS:2013:4000.

25. Veroordeling voor een poging tot grooming: Rechtbank Oost-Brabant 13 juni 2013,  ECLI:NL:RBOBR:2013:CA2959.

26. Poging tot grooming wel bewezen, maar niet strafbaar geacht: Rechtbank Oost-Brabant 9 december 2014,  ECLI:NL:RBOBR:2014:7494; Rechtbank Amsterdam 2 juli 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:4000; Rechtbank Oost-Brabant 24 juli 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:4757.

27. Poging tot grooming niet bewezen: Rechtbank Oost-Brabant 18 november 2016,  ECLI:NL:RBOBR:2016:6439.

28. Zie voor de betekenis van ministeriële uitlatingen bij bestaande (grooming-)wetgeving M.J. Borgers, Bij nader inzien (Afscheidsrede VU Amsterdam, 22 januari 2016), Deventer: Wolters Kluwer 2016.

29. Hof ’s Hertogenbosch 13 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5514. Vergelijk ECLI:NL:HR:2014:3140.

30. Hof ’s Hertogenbosch 13 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5513.

31. Kamerstukken II 2015/16, 29279, 300, p. 9.

32. Zie bijvoorbeeld ‘Digitaal kinderlokken moeilijk te vervolgen, OM wil nieuwe regels’, NRC Handelsblad 29 juli 2015.

33. Erop of eronder: de lokpuberwet moet er komen, EenVandaag 12 januari 2017.

34. 'Waarom de 'lokpuber' een mislukt experiment is', Sidney Smeets, de Volkskrant, 27 september 2012.

35. Rechtbank Den Haag 14 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8188. Zie ook Hoge Raad 3 februari 2015,  ECLI:NL:HR:2015:212. Zie ook F.P. Ölçer, ‘De lokmethode bij de opsporing van grooming’, Computerrecht 2014/3.

36. S.F.J. Smeets, ‘De ‘lokpuber’: een mislukt experiment’, Strafblad september 2013, p. 332-338.

37. Hof Den Haag 25 juni 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:2302.

38. Kamerstukken II 2008/09, 31808 (R 1872), 6, p.12.

39. Webcam-child-sex-tourism, Terres des Hommes, 2013. 

40. Jennie Barbier, Met online nepprofielen op kindermisbruikers jagen, mag dat wel?, de Volkskrant, 29 augustsus 2016. 

41. Petitie, Loverboys maken kinderlevens kapot, Terres des Hommes. 

42. K. Lindenberg, ‘De lokpuber verstopt zich in het materiële recht’’, Ars Aequi december 2016, p. 942-950, p. 944.

43. Zie voor een kritische beschouwing ook C. Grijsen, B.J. Polman & A de Lange, ‘De uitbreiding van de strafbaarstelling van grooming met de inzet van de lokpuber tot doel’, Strafblad 2017/54.

44. Het gebruik van een chatbot bood grote voordelen ten opzichte van de inzet van mensen van vlees en bloed achter een lokpuber-profiel, omdat dit laatste arbeidsintensief, tijdrovend en ook zeer belastend kan zijn, en in verhouding uiteindelijk weinig resultaten oplevert.

45. Zie voor een technische beschrijving van dergelijke chatbots: B.W. Schermer et al., Legal aspects of Sweetie 2.0 (onderzoeksrapport), Universiteit Leiden 2016, p. 10-11. Zie ook de website van de ontwerper/bouwer van Sweetie 2.0: Tracks Inspector develops software for Sweetie 2.0; Tracks Inspector, 22 april 2016.

46. Vincent Bongers, Veroordeeld door algoritmen, Mare, 27 oktober 2016.

47. De memorie van toelichting spreekt zichzelf hierin tegen: Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 70-72.

48. Kamerstukken II 2016/17, 34372, 15. Zie  Kamer stemt in met inzet Sweetie in Nederland, Terre des Hommes, 20 december 2016.

49. Handelingen 13 december 2016, 34 item 26. Kamerstukken II 2016/17, Aanhangsel Handelingen 948 (antwoord op vragen).

50. S. Livingstone et al., EU Kids Online: final report 2011, EU Kids Online Network, London, 2011. Zie ook S. van der Hof, ‘Online grooming – een geval van technopaniek?’, Strafblad maart 2014, p. 19-25, p. 20-21.

51. S. van der Hof & B.J. Koops 2011, ‘Adolescents and Cybercrime: Navigating between Freedom and Control’, Policy & Internet, Volume 3, Issue 2, 2011

52. E. Staksrud, ‘Online grooming legislation: Knee-jerk legislation?’ European Journal of Communication 28 (2) 2013, p. 152-167; Van der Hoof & Koops 2011, p. 22.

53. E. Staksrud, ‘Online grooming legislation: Knee-jerk legislation?’ European Journal of Communication 28 (2) 2013, p. 152-167.

54. S. van der Hof, ‘Online grooming – een geval van technopaniek?’, Strafblad maart 2014, p. 19-25.

55. J.M. ten Voorde, ‘Aanzetten tot criteria voor strafbaarstelling van de voorfase’, in: C.P.M. Cleiren et al., Criteria voor strafbaarstelling in een nieuwe dynamiek. Symbolische legitimiteit versus maatschappelijke en sociaalwetenschappelijke realiteit, Den Haag: Boom Lemma 2012, p. 65-86.

56. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 4.

57. K. Lindenberg, ‘De strafbaarheid van seksueel getint communiceren met minderjarigen in woord of geschrift: over sexting, poging tot grooming en andere toenaderingen’, DD 2016/4 (p. 47).

58. Citaat ontleend aan Rechtbank Amsterdam 2 juli 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:4000.

59. Het bedrijf Track Inspectors dat het platform voor Sweetie 2.0 ontwikkelde is al klaar voor nieuwe uitdagingen op dat vlak: “The core frame work that has been developed for the Sweetie 2.0 project is separately available as a Cyber Agent Technology platform and can be used as a fundament for other similar solutions to target different problems”. Zie website Tracksinspector.

Titel, auteur en bron

Titel

Grooming in het wetsvoorstel Computercriminaliteit III

Auteur(s)

Anne de Hingh

Bron

Computerrecht, Computerrecht 2018/162, Wolters Kluwer

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT114:1