Noot bij ECLI:NL:HR:2018:553 - afgeleid verschoningsrecht ziekenhuis

Auteur(s): Bron:
  • Gezondheidsrecht Jurisprudentie, GJ 2018/95 Sdu

Samenvatting

Vallen camerabeelden wachtruimte en toegangspaden tot afdeling spoedeisende hulp van ziekenhuis onder verschoningsrecht?

1.

In deze zaak was zowel een procedureel als een inhoudelijk punt aan de orde. De procedurele kwestie had betrekking op de spoedprocedure van art. 98 Sv, zoals die op 1 maart 2015 is ingevoerd. Die houdt in dat eerst de r-c over de geoorloofdheid van de inbeslagneming dient te beslissen, hetgeen in deze zaak niet was gebeurd. Men leze over de (voorheen geldende en complexe) procedure de conclusie van A-G Knigge (ECLI:NL:PHR:2018:19). Vandaar dat de HR de beschikking van de Bredase rechtbank vernietigt en, hoewel daarover niet in cassatie werd geklaagd, de stukken eerst in handen van de r-c stelt als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv (vgl. r.o. 2.3.2.).

2.

In dit geval nam de HR de gelegenheid te baat door tevens het inhoudelijke oordeel van de rechtbank over het afgeleide verschoningsrecht te bekritiseren. Volgens de rechtbank vielen de camerabeelden niet onder het (medisch en afgeleid) verschoningsrecht van het ziekenhuis. De HR was het daarmee niet eens en terecht. In casu ging het om een mogelijke herkenning van de dader (van mishandeling) door het slachtoffer in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het ziekenhuis. Op vordering van het OM overhandigde het ziekenhuis de envelop met camerabeelden waarop de “dader” te zien zou zijn, en waartegen het beklag was gericht. De rechtbank was van oordeel dat het (van de artsen in het ziekenhuis) afgeleid verschoningsrecht niet van toepassing was, aangezien de camerabeelden niet zijn aan te merken “als informatie waarvan de wetenschap aan klaagster is toevertrouwd uit hoofde van haar stand, beroep of ambt en waarover aldus de geheimhoudingsplicht zich uitstrekt”. Op de camerabeelden zijn, aldus de rechtbank, ook andere personen dan patiënten te zien, zodat op de beelden derhalve individuele personen niet als patiënt kunnen worden geïdentificeerd, maar ook andere personen zoals bezoekers en begeleiders, dus ook personen die om hele andere redenen dan het krijgen van medische hulp het ziekenhuis betreden. De gevorderde camerabeelden bevatten dus geen geheimhoudersinformatie, aldus de rechtbank, die kan bijdragen aan “de waarheidsvinding ter zake van de opsporing van een (ernstig) strafbaar feit”.

3.

De “denkfout” die de rechtbank hier maakt ligt in het perspectief van de geheimhouding. Dat perspectief wordt door de rechtbank gezien als het belang van de opsporing, maar dat is niet het voornaamste belang dat door de medische verschoning wordt beschermd. De geheimhouder is immers geen automatisch verlengstuk van de politie. Het belang ligt hier niet zozeer in het doel dat met de opheldering van een strafbaar feit wordt beoogd, maar kan ook liggen in de beschaming van het vertrouwen dat de patiënt in de zorgverlener moet kunnen stellen, ook wanneer het op zichzelf en strikt genomen (nog) niet medische zaken betreft. Aan deze eis, zo overweegt de Hoge Raad onder verwijzing naar een oude civiele uitspraak uit 1990, zal in het bijzonder zijn voldaan, “wanneer het gaat om feiten die de persoonlijke levenssfeer van de aan hem toevertrouwde patiënten betreffen” (ECLI:NL:HR:1990:ZC0052, NJ 1991/761, m.nt. Vranken). Het perspectief van de patiënt staat dus bij de HR in deze (ondernemingsrechtelijke) zaak centraal, dus ook als de informatie niet wordt verkregen in het kader van een behandelrelatie, maar bijvoorbeeld op grond van het toezicht op patiënten waarmee een verpleger in een psychiatrische inrichting op een bepaald moment is belast. De eerste vraag is dus: wanneer is het (afgeleid) verschoningsrecht in het geding (wanneer komt iemand dat recht toe). Daarna volgt de tweede vraag: is er sprake van een uitzondering, op grond waarvan het verschoningsrecht moet wijken voor een ander en hoger belang.

4.

De HR wekt – door naar een beslissing uit 1990 te verwijzen – de indruk dat het privacyrecht hier in het geding was. Dat recht is wel belangrijk, maar daar ging het in onze casus niet om. In die zaak ging het om toegang tot de zorg. Dat is van betekenis wanneer andere “maatschappelijke belangen” (zoals de opheldering van een ernstig strafbaar feit) om voorrang strijden. In de concurrentie van belangen staat het (afgeleid) verschoningsrecht sterker als dit als een maatschappelijk belang wordt geduid. Daarvoor had de HR beter niet naar een uitspraak uit 1990 kunnen verwijzen. Meer recente overwegingen maken de positie van de HR veel duidelijker. Zie bijv. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, GJ 2017/129, m.nt. Schalken en NJ 2018/92, m.nt. Vellinga-Schootstra, over het (afgeleid) verschoningsrecht van een 112-centralist (waarbij het om een levensdelict ging). Verwezen mag ook worden naar HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979 (LUMC), GJ 2009/82, m.nt. Schalken en NJ 2009/263, m.nt. Legemaate, waarin de HR het belang “dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden”. Ik ben zo vrij tevens te verwijzen naar mijn opmerkingen in J.G. Sijmons e.a. Recht en kwaliteit van zorg, Hubben-bundel, Den Haag 2012, ‘Over marktwerking, vertrouwen en vertrouwelijkheid’, p. 63, i.h.b. p. 68. Bij het medisch verschoningsrecht verandert het individueel belang van het privacyrecht in een maatschappelijk belang inzake toegang tot zorg. Daartoe behoort ook de aanwezigheid in de wachtkamer van een ziekenhuis op een bepaald moment. De vrije toegang kan door openbaarmaking van die vertrouwelijke informatie worden belemmerd. Wie wendt zich nog tot de spoedeisende hulp van een ziekenhuis als je daar wordt bespied? Dat perspectief van de hulpzoekende burger, verdacht of niet, dient derhalve centraal te staan.

5.

Wat onder het verschoningsrecht valt moet dus, met de steun van A-G Knigge (par. 4.8 van zijn conclusie), ruim worden getrokken. Dat vindt ook de Hoge Raad in deze zaak. Maar dan niet vanwege het privacybelang, maar vanwege het maatschappelijke belang van toegang tot de zorg. Als dat eenmaal is vastgesteld, is de vraag naar de uitzondering van toepassing. Ook dan kan niet direct medische informatie worden gerekend tot het medisch verschoningsrecht, tenzij er sprake is van “een zwaarwegend ander belang” of “een zeer uitzonderlijke omstandigheid”, afhankelijk van de ernst van de situatie en de afweging van de in het geding zijnde belangen. Zie voor dit soort uitzonderingen het rapport dat als bijlage 1 is gevoegd bij de brief die minister Schippers op 15 juni 2016 aan de Tweede Kamer toezond ‘Basisprincipes medisch beroepsgeheim’, p. 3. Als het om strafrechtelijke inbeslagneming gaat (op vordering van het OM) dient de opheldering van de waarheid – na de toets van subsidiariteit en proportionaliteit – te worden afgewogen ten opzichte van andere belangen.

Op grond van de jurisprudentie kan verdedigd worden dat de HR minder toegeeflijk is als een strafrechtelijke dimensie in het geding is (W.R. Kastelein in TvGr 2013/8). In deze zaak moet, na de terugwijzing, de verdenking wegens (ernstige) mishandeling nog door de r-c gewogen worden. Op grond van het dossier lijkt mij die afweging in het voordeel van de (afgeleid) verschoningsgerechtigde uit te vallen. Toegang tot de zorg lijkt een zwaarder maatschappelijk belang – anders dan in bovenstaande beschikking wordt gesuggereerd – dat opweegt tegen het individuele belang van het privacyrecht.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:HR:2018:553 - afgeleid verschoningsrecht ziekenhuis

Auteur(s)

Tom Schalken

Bron

Gezondheidsrecht Jurisprudentie, GJ 2018/95 Sdu

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT47:1