Noot bij ECLI:CE:ECHR:2006:0105JUD003235202 - afname bloed en speeksel

Auteur(s): Bron:
  • Nederlandse Jurisprudentie, NJ 2007/403, Wolters Kluwer

Samenvatting

Afname van bloed en speeksel tijdens opsporingsonderzoek levert geen onmenselijke of vernederende behandeling op.

1

Deze Straatsburgse beslissing heeft na de uitspraak in de zaak-Jalloh (EHRM 11 juli 2006,  ECLI:CE:ECHR:2006:0711JUD005481000, NJ 2007, 226 m.nt. Schalken, ook geannoteerd door P.H. van Kempen in NJCM-Bulletin 2007/3, p. 354) een belangrijk deel van haar importantie verloren, maar is niettemin vermeldenswaard, al was het maar omdat daarin impliciet de Nederlandse DNA- regeling EVRM-conform is verklaard. Die regeling komt op hoofdlijnen met de Duitse overeen.

Afname van bloed of speeksel ten behoeve van DNA-onderzoek voor bewijsdoeleinden in een strafzaak wordt door het EHRM niet in strijd geoordeeld met het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling (art. 3 EVRM). Evenmin is een dergelijke inbreuk op iemands fysieke integriteit disproportioneel in het licht van art. 8 EVRM, mits aan de voorwaarden van het tweede artikellid wordt voldaan. Dat was hier het geval, omdat de afname van lichaamsmateriaal op een wettelijke basis berustte en de afname verder aan alle criteria voldeed. De betrokken persoon werd van een ernstig feit verdacht dat verband hield met een zaak die grote maatschappelijke commotie had veroorzaakt (iemand valselijk beschuldigen van brandstichting waarbij vijf personen omkwamen). Verder was het DNA-onderzoek noodzakelijk om de waarheid aan het licht te brengen (vereiste van subsidiariteit) – de verdachte had weliswaar bij de politie bekend, maar had die bekentenis later weer ingetrokken -, er was dus sprake van een legitiem doel (interests of national security and public safety), terwijl alle procedurele waarborgen in acht waren genomen (bevel van een rechter, afname door een arts, beroep tegen de beslissing mogelijk). Anders dan de Nederlandse regeling voorschrijft (art. 195d lid 2 Sv) was de verdachte in de Duitse zaak voorafgaande aan het rechterlijk bevel niet gehoord, maar het Europese Hof viel daar niet over; art. 6 EVRM dwingt daartoe niet.

2

Dat het EHRM het nemo tenetur-beginsel, zoals besloten in art. 6 EVRM, niet geschonden achtte, lag nogal voor de hand na hetgeen het Hof eerder in het Saunders-arrest had overwogen – DNA betreft materiaal dat onafhankelijk van verdachte’s wil bestaat en dan geldt nemo tenetur niet – en thans, verwijzend naar art. 8 EVRM, over de bloedafname heeft opgemerkt: het ging om een zeer korte ingreep, die slechts weinig lichamelijke schade veroorzaakte en geen intens fysiek of geestelijk lijden tot gevolg had.

In deze overwegingen wordt het opstapje zichtbaar naar de beslissing in de Jalloh-zaak; wanneer de ingreep namelijk wel ernstige schadelijke effecten tot gevolg heeft, dan zou er wel van strijdigheid met het nemo tenetur-principe sprake kunnen zijn. En dat was nu juist in de Jalloh-zaak het geval. De daar toegepaste braakmethode, hoewel door een arts uitgevoerd in het kader van een wettelijk toegestane procedure, bracht zoveel fysiek en geestelijk lijden met zich dat die methode niet alleen in strijd werd geoordeeld met het verbod op een onmenselijke en vernederende behandeling, maar ook in strijd met nemo tenetur, aangezien de concrete ingreep niet noodzakelijk was (vereiste van subsidiariteit) en, gelet op de ingrijpendheid, niet in verhouding stond tot de ernst van het delict, het inslikken van een bolletje drugs (vereiste van proportionaliteit).

3

Het is duidelijk dat de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in de Straatsburgse jurisprudentie een prominente rol spelen zowel in het licht van een mogelijke privacyschending ex art. 8 EVRM, alsmede steeds vaker ook bij het beoordelen van de fairness van de bewijsverkrijging op titel van art. 6 EVRM. Dat geeft tevens de belangrijke aanvullende betekenis van beide beginselen aan. De braakmethode voldeed immers aan alle wettelijke vereisten, toch stond de uitvoering op gespannen voet met het in het recht op een eerlijk proces verankerde beginsel van nemo tenetur.

In de zaak Jalloh lijken de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit niet alleen een aanvullend normerende functie te hebben, maar is hun normatieve gewicht zelfs van dien aard dat zij bij machte zijn de wet opzij te zetten. Immers, niet slechts de met dwang toegepaste uitvoering, die op zichzelf lege artis was, stond ter discussie, ook de methode zelf waaraan ernstige gezondheidsrisico’s waren verbonden kon de toets van de Straatsburgse kritiek niet doorstaan. De normatieve kracht van de twee beginselen kan dus, afhankelijk van de omstandigheden, een wettelijke methode c.q. bevoegdheid ongedaan maken.

Dit betekent overigens niet dat het omgekeerde ook het geval kan zijn. Het is niet zo dat de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit een niet bestaande bevoegdheid in het leven kunnen roepen. Dat zou weer een brug te ver zijn.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:CE:ECHR:2006:0105JUD003235202 - afname bloed en speeksel

Auteur(s)

Tom Schalken

Bron

Nederlandse Jurisprudentie, NJ 2007/403, Wolters Kluwer

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT487:1