Noot bij ECLI:CE:ECHR:2017:0117JUD002157508 - toegang tot internet in gevangenis

Auteur(s): Bron:
  • Computerrecht, Computerrecht 2017/101, Wolters Kluwer

Samenvatting

Verzoek om toegang tot internet in gevangenis om informatie over studieprogramma te ontvangen. Weigering van verzoek. Beroep op art. 10 EVRM, vrijheid om informatie te ontvangen. Belangenafweging. EHRM oordeelt dat art. 10 EVRM is geschonden.[1]

1

Deze uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) verdient om drie redenen aandacht. Ten eerste omdat het Hof aangeeft onder welke voorwaarden toegang tot internet voor gedetineerden onder de reikwijdte valt van de vrijheid van meningsuiting (art. 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)). Ten tweede omdat het Hof hierbij belicht wat de betekenis is van het internet voor de in art. 10 EVRM verankerde vrijheid om informatie te verspreiden en ontvangen. En ten derde omdat het Hof aangeeft welke factoren, in het kader van de noodzakelijkheidstoets, moeten worden meegewogen bij de beslissing op een verzoek van een gedetineerde op toegang tot internet. In het onderstaande worden deze drie aspecten belicht.

2

Klager in deze zaak, Henrikas Jankovskis, is gedetineerde in Pravieniškės Correctional Home in Litouwen. In mei 2006 diende Jankovskis vanuit deze gevangenis een schriftelijk verzoek in bij het Litouwse ministerie van Onderwijs en Wetenschap om informatie over de mogelijkheid om zich in te schrijven voor een universitaire rechtenstudie als tweede academische studie (online studeren op afstand). Hij gaf daarbij aan in 1996 een eerste universitaire studie in de geneeskunde te hebben afgerond en nu gedetineerd te zijn. Het ministerie antwoordde schriftelijk dat informatie over studieprogramma’s te vinden was op haar website AIKOS. De gevangenisdirecteur weigerde Jankovskis vervolgens toegang tot deze website. Jankovskis stelde administratief bezwaar en daarna beroep in tegen dit besluit van de gevangenisdirecteur. Nadat zijn beroep in december 2007 door het Administratief Hooggerechtshof van Litouwen was verworpen, diende Jankovskis in januari 2008 een klacht in bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Hij betoogde met een beroep op art. 10 EVRM dat de weigering hem in de gevangenis toegang tot internet te verlenen een schending zou opleveren van zijn vrijheid om informatie te ontvangen.

3

Ten aanzien van de vraag of toegang tot internet in detentie onder de reikwijdte van art. 10 EVRM valt, stelt het Hof, onder verwijzing naar zijn recente uitspraak Kalda/Estland (2016)[2], voorop dat “the right to receive information basically prohibits a Government from preventing a person from receiving information that others wished or were willing to impart”. Het Hof stelt vast dat deze zaak betrekking heeft op het verzoek van klager om als gedetineerde toegang te krijgen – specifiek via het internet – tot informatie die was gepubliceerd op een website van het Litouwse ministerie van Onderwijs en Wetenschap. Vervolgens overweegt het Hof, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie (Times Newspapers/Verenigd Koninkrijk2009[3], Ahmet Yildirim/Turkije[4], Delfi A.S./Estland[5]) dat het internet, gelet op zijn toegankelijkheid en zijn vermogen om grote hoeveelheden informatie op te slaan en over te brengen, een belangrijke rol speelt bij het vergroten van de publieke toegankelijkheid van nieuws en bij het faciliteren van de verspreiding van informatie in algemene zin. Het Hof merkt vervolgens op dat gevangenschap onvermijdelijk een aantal restricties oplevert op de communicatie van gedetineerden met de buitenwereld. Het Hof overweegt, onder verwijzing naar Kalda/Estland[6] dat art. 10 EVRM niet kan worden geïnterpreteerd als het opleggen van een algemene verplichting om gedetineerden toegang tot internet, of tot specifieke internetsites, te verschaffen. Het Hof geeft aan dat het, in de omstandigheden van het onderhavige geval, waar toegang tot informatie over onderwijs als recht werd erkend naar Litouws recht, aanneemt dat de restrictie op toegang tot de internetsite waarnaar het ministerie van Onderwijs en Wetenschap had verwezen, een inmenging (interference) vormde op het recht om informatie te ontvangen. Op grond van deze overwegingen wordt de klacht van Jankovskis onder de reikwijdte van art. 10 EVRM gebracht.

Welk gewicht heeft het Hof aan nationaal recht (in deze zaak: Litouws recht) toegekend bij het oordeel over de vraag of in casu sprake was van een inmenging op art. 10 EVRM? In dit kader wijs ik op de dissenting opinion van rechter Kjølbro bij Kalda/Estland, waarin deze rechter schreef:

“I do not find it decisive for the assessment of the existence of an interference that access to certain sites containing legal information is already granted under Estonian law [..] In my view, refusal to grant access to the Internet, thus rendering access to specific information either impossible or more difficult, will in general amount to an interference with the right to receive information (see Ahmet Yıldırım v. Turkey, no. 3111/10, §§ 47-56, ECHR 2012; Akdeniz v. Turkey (dec.), no. 20877/10, §§ 18-29, 11 March 2014; and Cengiz and Others v. Turkey, nos. 48226/10 and 14027/11, §§ 47-58, 1 December 2015). Therefore, it is sufficient for me that prisoners in Estonia are, with a few exceptions, generally prohibited from using the Internet.”

Naar mijn opvatting zou, in lijn met de dissenting opinion van rechter Kjølbro bij Kalda/Estland, in geval van het weigeren van toegang tot internet, nationaal recht niet doorslaggevend moeten zijn bij de toets of sprake is van een inmenging op art. 10 EVRM.

4

Het Hof stelt vast dat in de zaak Jankovskis/Litouwen de inmenging op art. 10 EVRM bij wet was voorzien. Weliswaar gold in 2006 in Litouwen geen expliciet verbod op het gebruik van internet door gedetineerden, maar er golden wel een aantal andere regels betreffende communicatie in gevangenschap, waaronder een verbod op telefooncommunicatie en een verbod op het gebruik van elektronische communicatieapparaten, op grond waarvan het Hof ervan uitgaat dat voor Jankovskis duidelijk was dat een verbod gold op het gebruik van internet in detentie. Het Hof overweegt dat deze inmenging op art. 10 EVRM een legitiem doel diende, nl. het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van rechten van derden.

5

Vernieuwend in de uitspraak Jankovskis/Litouwen zijn de rechtsoverwegingen over de vraag of de inmenging op art. 10 EVRM in casu ‘noodzakelijk in de democratische samenleving’ was.

Het Hof merkt op dat de website waartoe Jankovskis toegang vroeg informatie bevatte over studieprogramma’s in Litouwen. Deze informatie werd regelmatig vernieuwd en gaf onder meer de toegangseisen voor studies in het lopende academische jaar. Het is volgens het Hof niet onredelijk te betogen dat zulke informatie direct relevant was voor het belang van Jankovskis bij het volgen van onderwijs. Onderwijs is relevant voor rehabilitatie van een gedetineerde en zijn daaropvolgende re-integratie in de samenleving. In dit kader wijst het Hof op een rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT)[7] waarin wordt benadrukt dat een bevredigend activiteitenprogramma (werk, educatie, sport) van cruciale betekenis is voor het welzijn van gevangenen. Het Hof overweegt, onder verwijzing naar zijn uitspraak Mironovas e.a./Litouwen[8], dat het CPTover de Pravieniškės Correctional Home, waar Jankovskis gedetineerd is, na een inspectiebezoek in 2008 heeft opgemerkt dat stappen moesten worden genomen om alle gedetineerden in staat te stellen deel te nemen aan doelgerichte activiteiten, waaronder onderwijsprogramma’s.

Over het verzoek van Jankovskis om toegang tot internet in deze gevangenis overweegt het Hof dat de gevangenisdirectie in zijn besluit tot afwijzing van dit verzoek heeft gefocust op het verbod op toegang tot internet voor gedetineerden, en niet het argument van Jankovskis heeft onderzocht dat toegang tot een specifieke website (de AIKOS site van het ministerie van Onderwijs en Wetenschap) noodzakelijk zou zijn voor zijn educatie. Het Hof stelt vast dat de gevangenisdirectie Jankovskis weliswaar heeft gewezen op de mogelijkheden om binnen de gevangenis middelbaar onderwijs of computercursussen te volgen, maar dat deze onderwijsprogramma’s ver verwijderd waren van de wens van Jankovskis om een tweede universitaire graad te behalen.

In het kader van de noodzakelijkheidstoets benadrukt het Hof het belang van het internet voor de mensenrechten. Toegang tot internet wordt volgens het Hof in toenemende mate geïnterpreteerd als een recht.[9] Het Hof wijst op oproepen tot het ontwikkelen van beleid gericht op universele toegang tot internet en het dichten van de ‘digitale kloof’. Deze ontwikkelingen reflecteren volgens het Hof de belangrijke rol die internet speelt in het dagelijks leven, in het bijzonder nu bepaalde informatie uitsluitend nog op internet beschikbaar is.

Toegespitst op de onderhavige casus stelt het Hof vast dat de Litouwse autoriteiten niet hebben overwogen om Jankovskis in detentie gelimiteerde of gecontroleerde toegang te bieden tot de specifieke AIKOS-website van het ministerie van Onderwijs en Wetenschap, waarbij nauwelijks een veiligheidsrisico zou kunnen bestaan. In de omstandigheden van dit geval is het Hof er niet van overtuigd dat er voldoende argumenten zijn om de inmenging op het recht om informatie te ontvangen te rechtvaardigen. Het Hof concludeert dat de inmenging op art. 10 EVRM in casu niet noodzakelijk is in de democratische samenleving en dat derhalve sprake is van een schending van art. 10 EVRM.

6

Deze uitspraak Jankovskis/Litouwen is de eerste EHRM-uitspraak inzake toegang tot internet in detentie voor onderwijsdoeleinden. Deze uitspraak komt een jaar na de voornoemde EHRM Kalda/Estland[10], de eerste EHRM-uitspraak over toegang tot internet in detentie in zijn algemeenheid. Deze twee uitspraken bieden samen een beoordelingskader voor het toetsen van verzoeken om toegang tot internet in detentie aan art. 10 EVRM.

Voor Nederland kan in dit kader worden gewezen op de programma’s Modernisering Gevangeniswezen (MGW)en Sluitende aanpak nazorg[11], waarin, in het kader van voorbereiding op terugkeer in de samenleving, ‘zelf werken’ van gedetineerden centraal staat. Een van de kenmerken van de Nederlandse samenleving is dat vrijwel alle instanties en organisaties contacten met (potentiele) cliënten via internet laten lopen. Dat vergt, naast digitale vaardigheden, één ding waarover gedetineerden niet zonder meer beschikken: internettoegang. Het nieuw ingerichte re-integratiecentrum (RIC) binnen de Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwegein[12] biedt, naast de bibliotheek en onderwijslokalen, ook een ruimte met een aantal personal computers met (beperkte) internetaansluiting. In deze ruimte is fysiek toezicht aanwezig. Doel van de computer- en internetfaciliteiten is dat gedetineerden via het RIC hun terugkeer in de samenleving voorbereiden door te zorgen dat hun voorzieningen in orde zijn. Het gaat om het hebben van een identiteitsbewijs, werk en/of ander inkomen, huisvesting, eventuele passende zorg en/of schuldhulpverlening. De gedachte achter het RIC is dat gedetineerden zelf, ook digitaal, doen wat zij formeel moeten en kunnen doen, zoals het aanvragen van een DigiD[13], het bezoeken van digitale vacaturebanken, websites van woningcorporaties, alsmede overheidssites, in het bijzonder gemeenten en de Belastingdienst en met DigiD verrichten van rechtshandelingen op die sites.

Dit Nederlandse praktijkvoorbeeld in PI Nieuwegein laat zien hoe (beperkte) toegang tot internet voor gedetineerden ondersteunend kan zijn bij de voorbereiding op terugkeer naar de samenleving. Er zijn in Nederland verschillen in de mate waarin gedetineerden wel of geen toegang tot internet hebben.[14] De nieuwe jurisprudentie van het EHRM inzake toegang tot internet in detentie geeft aan hoe in het kader van de ‘noodzakelijkheidstoets’ een belangenafweging moet worden gemaakt bij individuele verzoeken om toegang tot internet van gedetineerden. Bij toekomstige verzoeken om internettoegang zal deze jurisprudentie, ook voor Nederland, leidend moeten zijn.

7 Eindnoten

1. M.M. Groothuis is universitair docent staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden.

2. EHRM 19 januari 2016, Kalda/Estland, 17429/10, ECLI:CE:ECHR:2016:0119JUD001742910, EHRC 2016/111, m.nt. B. van der Sloot, r.o. 41 en 42.

3. EHRM 10 maart 2009, Times Newspapers Ltd./Verenigd Koninkrijk (Nrs. 1 en 2), 3002/03 en 23676/03, ECLI:CE:ECHR:2009:0310JUD000300203, r.o. 27, NJ 2010/109, m.nt. E.J. Dommering.

4. EHRM 18 december 2012, Ahmet Yildirim/Turkije, 3111/10, ECLI:CE:ECHR:2012:1218JUD000311110, r.o. 48, NJ 2014/320, m.nt. E.J. Dommering, EHRC 2013/93, m.nt. M.M. Groothuis.

5. EHRM (GK) 16 juni 2015, Delfi AS/Estland, appl. 64569/09, ECLI:CE:ECHR:2015:0616JUD006456909, r.o. 133,  NJ 2016/457, m.nt. E.J. Dommering, EHRC 2015/172 m.nt. B. van der Sloot. Zie ook: K. Janssens en T. De Meese, ‘De aansprakelijkheid van nieuwswebsites en de Delfi- en Magyar-arresten van het EHRM: Much Ado About Nothing?’, Computerrecht 2016/46 (p. 101-112).

6. EHRM 19 januari 2016, Kalda/Estland, 17429/10, ECLI:CE:ECHR:2016:0119JUD001742910, EHRC 2016/111, m.nt. B. van der Sloot.

7. European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, Second General Report, 13 April 1992 (CPT/Inf (92) 3 [EN].

8. EHRM 8 december 2015, Mironovas e.a./Litouwen, 40828/12, 29292/12, 69598/12, 40163/13, 66281/13, 70048/13 en 70065/13, ECLI:CE:ECHR:2015:1208JUD004082812.

9. Zie voor een analyse over toegang tot internet als een nieuw fundamenteel recht: P. De Hert en D. Kloza, ‘Internet (access) as a new fundamental right. Inflating the current rights framework?’, European Journal of Law and Technology, Vol. 3, No. 3, 2012, p. 1-18.

10. EHRM 19 januari 2016, Kalda/Estland, 17429/10, ECLI:CE:ECHR:2016:0119JUD001742910, EHRC 2016/111, m.nt. B. van der Sloot. Klager in die zaak had in detentie verzocht om toegang tot websites met juridische informatie, o.a. jurisprudentie.

11. Deze programma’s werden aangekondigd in een brief van de Minister en de Staatssecretaris van Justitie van 29 augustus 2008 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2007/08, 24 587, 299). Zie voor een uitgebreide toelichting op deze programma’s, het juridisch kader (art. 2 Penitentiaire beginselenwet)en de uitvoering in re-integratiecentra (RIC’s): M.M. Kommer, ‘Zelf werken aan terugkeer’, Sancties 2016/32 (p. 211-215); R. Krabbendam en P. Nelissen, ‘Het gevangeniswezen op de schop: de ambities van het Programma Modernisering Gevangeniswezen’, Sancties 2012/35 (p. 225-241).

12. Een analyse van het beleid en doelstellingen inzake toegang tot internet in het RIC van PI Nieuwegein is te vinden in: M.M. Kommer, ‘Zelf werken aan terugkeer’, Sancties 2016/32 (p. 211-213).

13.  Website DigID.

14. Zie ook: Internet gedetineerden, Commissie van Toezicht.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:CE:ECHR:2017:0117JUD002157508 - toegang tot internet in gevangenis

Auteur(s)

Marga Groothuis

Bron

Computerrecht, Computerrecht 2017/101, Wolters Kluwer

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT96:1