De juridische wetenschap moet online!

Auteur(s): Bron:

Samenvatting

Het momentum lijkt daar om toe te werken naar een nieuwe open infrastructuur voor juridische informatie. In ieder geval moeten met publieke middelen gefinancierde teksten ondergebracht worden in het open domein. Rechtswetenschap en -praktijk zullen ervan profiteren.
 

1 Inleiding

We hebben het internet, en we hebben juristenwetenschappers die graag hun kennis en opinies ventileren. Het internet is min of meer gratis en bijna voor de hele wereld toegankelijk. Dus ligt het voor de hand dat juristen-wetenschappers het internet inzetten voor informatieoverdracht in de vorm van artikelen en anderszins. En dan heb ik niet over de bibliografische gegevens van publicaties, maar over de gratis toegang tot volledige teksten. Gebeurt dat dan? Nee, althans niet of nauwelijks als je dat afzet tegen het aantal juridische artikelen dat verschijnt. Het kan dus beter, veel beter. Sterker, het moet beter.[1]

2 Gratis toegankelijke online juridischwetenschappelijke publicaties

Anno 2010 lijken juristen-wetenschappers op een volstrekt onoverzichtelijke wijze wetenschappelijke artikelen beschikbaar te maken via het internet. De volledige teksten van enige artikelen en een enkel boek of proefschrift staan in Portill, de Portal Internet Law Library.[2] Dit is een website in de lucht gehouden door een zestal juridische faculteiten en de Koninklijke Bibliotheek. Daarnaast doet NARCIS een duit in de zak.[3] NARCIS is het National Academic Research and Collaborations Information System. Dit systeem bevatte ten tijde van het schrijven van dit stuk gegevens van ruim 600.000 publicaties, waarvan bijna de helft open access (OA).[4] Het laatste betekent dat van bijna de helft van de in NARCIS opgenomen publicaties de volledige tekst gratis beschikbaar is. Hoeveel juridische publicaties volledig beschikbaar zijn in NARCIS is lastig te achterhalen, omdat de publicaties niet gesorteerd zijn naar domein. Een zoektocht met de woorden recht en juridisch geeft evenwel aan dat er ruim 1000 (waarschijnlijk) juridische publicaties het label open access hebben. Schandalig weinig natuurlijk, maar ik mag aannemen dat daar dagelijks stukken aan worden toegevoegd. Ook juridisch-wetenschappelijke organisaties zelf plaatsen vandaag de dag soms de volledige tekst van publicaties online. Het Instituut voor Informatierecht (IViR) van de Universiteit van Amsterdam is daar een goed voorbeeld van.[5] En ook individuen nemen steeds vaker het initiatief hun wetenschappelijke publicaties gratis toegankelijk te maken door deze bijvoorbeeld aan te bieden bij een site als Social Science Research Network.[6] Dat laatste is dan weer wel een buitenlands en dus anderstalig initiatief waar geen plaats is voor Nederlandstalige juridische artikelen. En dan verschijnt een enkel juridisch artikel in een open access-tijdschrift, waarvan er slechts drie een Nederlandse oorsprong hebben.[7]

Juridisch-wetenschappelijke publicaties worden dus vandaag de dag wel eens gratis toegankelijk gemaakt, maar er zit niet echt een lijn in de wijze van ontsluiten. Het lijkt afhankelijk van de bereidwilligheid van organisaties en personen en dan is er ook nog geen goed gestructureerd kanaal dat de verschillende publicaties goed toegankelijk maakt.

De bovengenoemde vormen van gratis online ontsluiting van teksten betreft veelal het herpubliceren van eerder op papier verschenen juridische publicaties, vaak artikelen. Dat kan, mag en gebeurt gelukkig meer dan in het verleden, omdat veel juridische wetenschappers inmiddels hun auteursrecht niet meer overdragen en omdat auteurs vandaag de dag vaak bedingen dat hun publicaties, soms na verloop van een zekere tijd, online gezet mogen worden.[8] Gezien het feit dat de manier waarop weinig gestructureerd is, brengt dat de gemiddelde auteur nog weinig voordeel. Vaak zijn de publicaties niet zomaar te vinden. Wel kan men zeggen, ik publiceer op papier én digitaal, dus ik besta, maar dat dat nu zoveel meer aandacht oplevert…

Moeten die juridisch-wetenschappelijke publicaties dan per se volledig en gratis online gezet worden? Ja, dat moet. Het internet is immers een uitstekend medium om een veel groter publiek te bereiken en dus te komen tot een betere, meer uitgebreide wetenschappelijke uitwisseling van ideeën en standpunten.[9] Daarnaast wordt een wetenschapper door de gemeenschap betaald om onderwijs te geven en/of onderzoek te doen. Als hij in het kader van deze activiteiten publiceert dan dienen deze publicaties gratis toegankelijk te zijn. We moeten dus af van het achterhaalde systeem dat artikelen en boeken gepubliceerd worden door uitgevers en dat universiteiten vervolgens deze publicaties moeten terugkopen om deze aan collega’s en studenten beschikbaar te kunnen stellen. Richard Stallman, een van de grondleggers van de vrije software-beweging, zei al bijna tien jaar geleden dat wanneer het auteursrecht de vooruitgang van de wetenschap tegenhoudt de wetenschap dit auteursrecht dan terzijde moet schuiven.[10]

De gedachte dat we af moeten van de huidige systematiek van juridisch-wetenschappelijk publiceren is dus niet nieuw. Wel lijkt nu het momentum daar om de verandering echt eens in gang te gaan zetten. Juristen-wetenschappers staan als gezegd vaak hun auteursrechten niet meer af en het internet is in een dermate staat van ontwikkeling terechtgekomen dat het ook mogelijk moet zijn een online wetenschappelijke uitgeefomgeving te realiseren. Ook lijkt de e-reader eindelijk aan een niet meer te stuiten opmars bezig. Bovendien zullen de huidige (wat jongere) juristen er net zoveel, zo niet meer, plezier aan beleven om hun ideeën gedigitaliseerd te zien in plaats van gedrukt op papier.[11]

3 Overgang van analoog naar gratis digitaal wetenschappelijk publiceren

Bij de overgang naar een digitaal systeem van (open access) uitgeven zullen minimaal twee groepen zich achter de oren krabben: juridische uitgevers en de bestuurders van de juridische faculteiten. Om met de eerste groep te beginnen: deze zal een substantiële hoeveelheid inkomsten gaan mislopen omdat er geen abonnementen meer worden afgesloten bij open access-uitgeven. Daarnaast zal deze een andere rol krijgen in het uitgeefproces, maar zeker niet per se uitgerangeerd zijn. Een uitgever zou bijvoorbeeld een redactie- en publicatiesysteem kunnen gaan opzetten via welke de artikelen worden aangeleverd, beoordeeld en uiteindelijk gepubliceerd. Als tegemoetkoming voor het onderhouden van een dergelijk systeem zou de uitgever een advertentiesysteem om de uitgave heen kunnen bouwen en op die wijze inkomsten kunnen genereren. Een dergelijke systematiek hoeft per uitgever maar één keer opgezet te worden. Het kan voor tal van verschillende titels worden ingezet. Grote titels zullen hierbij inkomsten genereren voor kleine titels, die minder advertentieinkomsten zullen trekken. Vergeleken met het papieren proces vallen voor de uitgevers de (eind)redactie en het drukproces weg.

Wel moeten de tekstenleverende onderwijs- en onderzoeksinstellingen bij deze opzet een oplossing bedenken voor de uit te voeren eindcontrole van publicaties. Gezien het feit dat er bij gebruik van het geschetste systeem (uiteindelijk) veel geld bespaard zal worden op abonnementen op tijdschriften, lijkt me de financiering van een redacteur echter geen probleem. Ook zouden de uitgevers die een systeem als geschetst gaan opzetten geld kunnen vragen aan de auteurs die een artikel gepubliceerd willen zien. Met dat geld zouden zij dan de redactionele activiteiten kunnen uitvoeren. Persoonlijk ben ik geen voorstander van dit laatste verdienmodel, omdat de meer welgestelde personen en instellingen dan makkelijker van deze manier van publiceren gebruik kunnen maken, dan de personen en instellingen die het wat minder hebben. En het hebben van geld zegt niets over de inhoudelijke kwaliteit van een publicatie.

In feite kunnen de uitgevers van de ene dag op de andere over naar het open access-systeem. Echter, ze zullen dat niet doen. Immers, stel dat Kluwer het Nederlands Juristenblad (NJB) wil overzetten van analoog naar digitaal, en de inkomsten uit abonnementen vallen daarbij in één klap weg; dat zou dan alleen al voor het NJB, uitgaande van een prijs van € 261,- per jaar en 6.000 abonnees[12] dus een inkomstenderving van € 1.566.000,- met zich meebrengen. Dus het NJB gaat nooit digitaal. Alleen als de redactie en masse besluit over te stappen naar een door een andere partij aangeboden online uitgeefsysteem of daar wellicht toe gedwongen wordt door de besturen van de onderwijsinstellingen waaraan de (meeste) redactieleden verbonden zijn, dan zou een dergelijk abrupte overgang kunnen plaatsvinden.

Los van de vraag of bestuurders wel een dergelijke dwang zouden kunnen uitoefenen, denk ik trouwens dat uit loyaliteitsoverwegingen redactieleden niet zomaar overstappen naar een ander systeem, behalve als de uitgever zelf het initiatief neemt, maar die kans is als gezegd klein. Dus zullen de bestuurders van onderzoeks- en onderwijsinstellingen, de andere groep die een rol kan spelen bij de overgang naar ander systeem van publiceren en uitgeven, hun nek uit moeten steken en de boel eens moeten opschudden en een verandering moeten initiëren en stimuleren. Het laatste zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat juristenwetenschappers zich alleen nog mogen aansluiten bij redacties van open access-tijdschriften, die gratis toegankelijk zijn. Hetzelfde geldt voor op te zetten nieuwe tijdschriften, waarbij natuurlijk wel een online uitgeefen publicatiesysteem beschikbaar moet zijn. Tegelijkertijd dient geëist te worden dat een steeds groter wordend percentage artikelen gepubliceerd wordt in open access-tijdschriften. Handboeken mogen ook alleen nog maar online. En last but not least, het gratis online publiceren moet een prominente plek krijgen in de waardering van wetenschappelijke output.

Bij het laatste moet natuurlijk gedacht worden aan het toekennen van waarde aan het publiceren in open access-tijdschriften zoals het Electronic Journal of Comparative Law (EJCL),[13] maar ook aan het publiceren op weblogs. En dan heb ik het niet over weblogs van individuen die zich als ter zake kundig op een zeker terrein willen profileren en daarom een weblog in de lucht houden. Ook heb ik het niet over blogs van advocatenkantoren en adviesbureaus die veelal ook alleen maar voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ik denk meer aan weblogs die onder toezicht staan van een gerenommeerde redactie zoals de NJBlog, de weblog Recht en Bestuur van NRC Handelsblad, Publiekrecht en politiek en Boek9.[14] Alleen als dit soort maatregelen genomen wordt, zal er wellicht langzaam een verandering kunnen gaan plaatsvinden; dan zal een digitale auteur kunnen claimen dat hij wetenschappelijk bestaat. Daarbij voorzie ik trouwens dat dit heel langzaam zal gaan. Ik vrees dat we over dertig jaar nog steeds ‘opgescheept’ zitten met onder meer een papieren NJB.

4 Van boeken en tijdschriften naar online gemeenschappen

Om wat meer vaart te krijgen in een overgang naar open access zou het daarom wellicht beter zijn ook eens na te denken over andere concepten om informatie over te dragen. Misschien moeten we het keurslijf van boeken en tijdschriften zoals we dat nu kennen, verlaten en overgaan naar juridische online gemeenschappen ingedeeld naar juridisch domein. Het is immers intussen behoorlijk achterhaald om op een deadline te wachten alvorens ergens melding van te maken. In een online gemeenschap wordt nieuws vermeld als het nieuws is: als er een nieuwe spraakmakende uitspraak verschijnt wordt daar een noot bij geschreven, als een artikel klaar is en door de redactie goed bevonden wordt het gepubliceerd, als een onderdeel van een handboek aanpassing behoeft in verband met nieuwe (juridische) ontwikkelingen dan wordt dat stante pede gedaan, en dient er over één of meer van deze zaken gediscussieerd te worden dan kan dat ook.

Deze online juridische gemeenschappen zouden bijvoorbeeld kunnen worden opgezet met behulp van SURF, de organisatie waarin universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen samenwerken aan ICT-innovaties. SURF zou een infrastructuur kunnen klaar zetten in de cloud[15] (het internet) voor het online uitgeven van tijdschriften, (hand)boeken, het verzorgen van nieuws en blogs, en het in goede banen leiden van discussies. Deze infrastructuur behoeft slechts eenmaal ontwikkeld te worden om vervolgens voor tal van juridische (en andere) domeinen ingezet te kunnen worden. Mogelijk nadeel van SURF als facilitator van een dergelijke online uitgeef/ publicatieomgeving is dat er uiteindelijk nog veel taken om het uitgeven en publiceren heen uitgevoerd moeten worden door de onderzoeks- en onderwijsinstellingen zelf: eindredactie, marketing, onderhoud van het systeem en ondersteuning (wachtwoorden, bediening, informatieverstrekking). Een deel van het geld dat universiteiten besparen doordat ze minder hoeven uit te geven aan abonnementen zijn ze dan weer kwijt aan genoemde activiteiten.[16]

Een alternatief zou zijn het opzetten van online juridische gemeenschappen over te laten aan commerciële partijen, niet zijnde traditionele uitgevers. Die laatsten zullen immers geen systemen gaan ontwerpen en onderhouden waarvan het uiteindelijke resultaat zal zijn dat zij een veel lagere omzet gaan genereren. Het ligt meer voor de hand deelnemers aan dit soort initiatieven te zoeken in de wereld van de online onlybedrijven. Voor het juridische domein zou men daarbij kunnen denken aan de initiatiefnemers van Boek9, Recht.nl of United Academics.[17]

5 Waardering voor het online publiceren

Het gemiddelde juridische tijdschrift bevat een voorwoord, artikelen, wetgeving, jurisprudentie (al dan niet met annotatie), nieuws, een boeken- en/of tijdschriftenrubriek, en een agenda. Dit wordt aangevuld met advertenties. Als ik dan kijk naar sites als Boek9 en Recht.nl bevatten deze sites in meer of mindere mate een groot aantal van deze onderdelen. Het zal voor deze sites dan ook weinig problemen opleveren de bovengeschetste publiceeromgeving te creëren. Met alle voordelen van dien. Het nieuws verschijnt op het moment dat het vers is; echt belangrijke uitspraken worden snel van een eerste commentaar voorzien, uiteraard met de mogelijkheid daarop weer te reageren; als een tijdschrift of boek verschijnt wordt daar melding van gemaakt, deskundigen hebben een agenda paraat en kunnen via de gemeenschap ook een nieuwe baan vinden; én de volledige tekst van kwalitatief goede artikelen is gratis beschikbaar. Het laatste uiteraard op voorwaarde dat er een goede redactie is om deze artikelen te beoordelen.

Het laatste geschreven hebbend, belanden we dan eigenlijk weer bij de bestuurders van de universiteiten. Zij moeten het open access-publiceren stimuleren en waarderen, zodat wetenschappers zich gesteund voelen om in een redactie van een online juridische gemeenschap plaats te nemen, en artikelen en commentaren toe te voegen aan een dergelijke community. Een bericht over een NWO-subsidie ter promotie van wetenschappelijke open access wijst in dit kader op een goede ontwikkeling. In het bericht wordt een NWO-man aangehaald die gezegd zou hebben dat zijn organisatie gaat kijken naar mogelijkheden om publicaties in OA-tijdschriften zwaarder mee te laten wegen.[18] Een andere deelnemer heeft zelfs voorgesteld het probleem op te lossen door open access verplicht te stellen via de CAO. Mooi, zou je dan denken. Als je dan vervolgens leest waar het NWO-potje voor bedoeld is, dan vraag je je wel af of de dames en heren nu echt willen dat we naar een OA-wereld gaan. Geld uit de NWO-pot dient te worden besteed aan de betaling van de fee voor publicatie in een peer reviewed wetenschappelijk OAtijdschrift. Dat is een prima besteding en inderdaad ook een manier om een OA-uitgave draaiende te houden. Het NWO-geld mag echter ook uitgegeven worden aan het vrijkopen van een artikel of een boek om dat OA te kunnen publiceren. Met dat laatste houd je nu net weer het oude regime in stand, zou ik zeggen. De uitgevers van de oude wereld krijgen zo geld toegeschoven en zien op deze wijze absoluut geen aanleiding hun verdienmodel te wijzigen. Creëer dan een pot om een open access uitgeef- en publicatiesysteem op te zetten. En niet alleen een systeem, maar ook een peer reviewed OA-tijdschrift met een goede redactie, of een open access wetenschappelijke boekenreeks. Doe dat met SURF of maak er een publiek-private samenwerking van, doe in ieder geval iets dat de traditionele uitgevers doet huiveren! En die oproep geldt in het kwadraat voor de Nederlandse juristen-wetenschappers-bestuurders, want van de 5270 tijdschriften in de Directory of Open Access Journals zijn er slechts 87 juridisch waaronder als hierboven gemeld drie Nederlandse: het eerdergenoemde EJCL, het Amsterdam Law Forum, en de Utrecht Law Review.

6 Twee te nemen hobbels

Dan zijn er nog twee kwesties die soms aangehaald worden in de discussies over een wijziging in het wetenschappelijke publicatie- en uitgeefsysteem: de schrijfverdiensten van de auteurs en de opgebouwde deskundigheid van de (wetenschappelijke) uitgevers.

Het zou niet alleen lastig zijn het systeem te wijzigen omdat het waarderingssysteem niet zomaar aan te passen is, ook zou een respectabel aantal auteurs een behoorlijke extra boterham verdienen met het publiceren voor traditionele commerciële uitgevers en om die reden aanpassing van het systeem tegenhouden. Mocht dit waar zijn, dan is dit wat mij betreft schandalig.[19] Eventuele neveninkomsten uit schrijfwerkzaamheden vloeien namelijk voort uit de functie die men mag bekleden (docent, onderzoeker, hoogleraar). Deze inkomsten dienen dan ook ten goede te komen aan de onderwijs- en onderzoeksinstellingen en niet aan de personeelsleden in kwestie. Dit mag geen reden zijn vernieuwing en verbetering tegen te gaan.

Het argument van de deskundigheid van de (wetenschappelijke) uitgever kan wat mij betreft ook naar de prullenbak verwezen worden. Natuurlijk hebben traditionele uitgevers een deskundigheid opgebouwd. Deze bestaat echter met name uit het begeleiden van het proces van tekst van de computer van de auteur naar het papier van de drukker en het controleren van de tekst op spelfouten. Er is niets wetenschappelijks aan die arbeid. Het wetenschappelijke karakter van tijdschriften en boeken wordt vooral bewaakt door de redacties en die zijn veelal afkomstig van de onderwijs- en onderzoeksinstellingen. Hier komt nog bij dat bij een overgang naar een open access-omgeving de drukker niet meer in beeld komt, maar er hele andere vaardigheden vereist zijn. Vaardigheden die vaak niet zo goed door traditionele uitgevers beheerst worden, maar wel door nieuwe internetbedrijven. Kortom, ook de deskundigheid van de uitgever mag een overgang naar een nieuw systeem niet in de weg staan.

7 Tot slot

In de tijd dat distributie van wetenschappelijke informatie voorbehouden was aan uitgevers (die bezaten de toegang naar de doelgroep via abonnementen op juridische informatie) lag wetenschappelijk publiceren via dat kanaal ook voor de hand. Met de ontwikkeling van het internet is die grond voor het bestaansrecht van uitgevers bij de distributie van juridische wetenschappelijke informatie weggevallen. De uitgevers zouden zich moeten concentreren op informatie voor de juridische praktijk en het is nu aan de onderwijsen onderzoekswereld om haar verantwoordelijkheid te nemen inzake de gratis online ontsluiting van kwalitatief goede juridisch-wetenschappelijke informatie. Dus juristen verenigt u en maak uw meningen, artikelen en boeken online gratis toegankelijk.

8 Eindnoten

1. Zie ook R.W.M. Giard, ‘Rechtswetenschap mankeert een eigentijdse kennisinfrastructuur’, NJB 2010-04, p. 232.

2. De website Portill vind je op www.portill.nl (niet meer actief).

3. De website van NARCIS vind je op www.narcis.nl.

4. Zie Open access, Wikipedia.

5. De website van het IViR vind je op www.ivir.nl.

6. De website van het SSRN vind je op www.ssrn.com.

7. De adressen van de genoemde sites zijn: www.ejcl.org, www.amsterdamlawforum.org en www.utrechtlawreview.org.

8. Met dank aan onder meer SURF voor het (mede) ontwikkelen van de Copyright Toolbox. Informatie over deze toolbox is te vinden op http://copyrighttoolbox.surf.nl (niet meer actief).

9. Dat twee meer weten dan één mag bekend verondersteld worden. Voor wie daar nog aan twijfelt is Wikinomics van Don Tapscott en Anthony D. Williams, London: Atlantic Books 2007, interessant leesvoer.

10. Richard Stallman, ‘De wetenschap moet “het auteursrecht terzijde schuiven”’, Nature Webdebates 2001. Zie ook: Richard Stallman, Wikipedia.

11. Zie ook D.J.G. Visser, ‘Le plaisir de se voir digitalisé’, NJB 2010-14, p. 879.

12. Zie de website Mr. Online voor de oplagecijfers van het Nederlands Juristenblad in 2016. 

13. De website van het EJCL vind je op www.ejcl.org.

14. De adressen van de genoemde weblogs zijn: www.njb.nl/njblog , http://weblogs.nrc.nl/rechtenbestuur (niet meer actief), www.publiekrechtenpolitiek.nl, www.boek9.nl.

15. Zie Wikipedia voor meer informatie over cloud computing.

16. Een voorbeeld van een nonprofit initiatief ter ontsluiting van wetenschappelijke informatie is de Public Library of Science (PLoS), www.plos.org.

17. De adressen van de genoemde sites zijn: www.boek9.nl, www.recht.nl, www.united-academics.org.

18. ‘Open Access pot van NWO vanaf nu beschikbaar’, InformatieProfessional, 4 februari 2010.

19. Wat in ieder geval wel waar is, is dat medio 2009 550 rechters auteurs- of redactiewerk verrichtten bij juridische uitgevers (zie Rechtspraak en digitale rechtsbronnen: nieuwe kansen, nieuwe plichten, Rechtspreeks 2010-1, Raad voor de rechtspraak. Dat wetenschappers een (neven) functie hebben bij juridische uitgevers zou dus best kunnen.

Titel, auteur en bron

Titel

De juridische wetenschap moet online!

Auteur(s)

Leo van der Wees

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT241:1