Brexit en consumentenrecht: much ado about nothing?

Samenvatting

De Brexit zal volgens auteurs inziens op korte termijn weinig verandering brengen in het consumentenrecht in het VK. Immers, de meerderheid van deze regels is afkomstig van de EU en inmiddels al geruime tijd omgezet in nationaal recht. Het wegvallen van de onderliggende richtlijnen brengt daar in principe geen verandering in, tenzij het VK plotseling ook al haar consumentenwetgeving gaat aanpassen.

1 Inleiding

Consumentenrecht is bij uitstek Europees recht. Zo is de overgrote meerderheid van de Nederlandse wetgeving voor consumenten van de afgelopen decennia gebaseerd op (de omzetting van) Europese richtlijnen en, meer recentelijk, Europese verordening die directe werking hebben. Nederlands recht – and for that matter: het toepasselijke recht binnen het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK) – hebben hier in principe weinig aan toe te voegen.

Sterker nog, er is een tendens om de EU-lidstaten juist nog minder vrijheid te geven om van de eenvormige regels af te wijken. De reden hiervoor ligt voor de hand. Wet- en regelgeving op het gebied van consumentenrecht is juist bedoeld om bestaande verschillen tussen lidstaten te verkleinen en zodoende de interne markt te verwezenlijken. Het gaat daarbij om één gemeenschappelijke binnenmarkt zonder obstakels, zoals afwijkende nationale consumentenbescherming, welke afschrikwekkend zouden zijn voor zowel consumenten alsook ondernemers die buiten hun thuisland willen opereren. In het verleden stond het lidstaten vrij om een hoger beschermingsniveau te (blijven) hanteren, hetgeen juist weer tot meer fragmentatie heeft geleid. Daar is de Europese wetgever daarom grotendeels vanaf gestapt. Om te komen tot een écht uniforme communautaire standaard van consumentenbescherming, zien we op Europees gebied in plaats daarvan een forse toename van richtlijnen met zogenaamde maximumharmonisatie. Dit betekent dat het lidstaten in principe niet (meer) vrijstaat om maatregelen te treffen die verdergaan dan het beschermingsniveau van de richtlijn zelf. Hoewel deze vervolgens nog moeten worden geïmplementeerd, staat dus bij voorbaat vast dat de verschillende nationale regels (waar en hoe deze ook omgezet zijn) van elkaar niet verschillen voor wat betreft het beschermingsniveau. Om een recent voorbeeld te noemen: de Richtlijn consumentenrechten (2011/83/EU) bepaalt dat het herroepingsrecht 14 dagen bedraagt. Daarmee is een einde gekomen aan verschillende termijnen in de lidstaten die golden onder haar voorganger. Daarmee weet niet alleen de consument waar hij aan toe is, maar ook de handelaar die buiten zijn landsgrenzen actief is.

Wat heeft dit allemaal met de Brexit te maken? Bijna alles, ben ik – wat betreft de praktische gevolgen ervan – geneigd om te zeggen. Op grond van de grote invloed van het Europese consumentenrecht is er namelijk enerzijds nog weinig home-grown , nationaal consumentenrecht over dat wat nog niet op EU-niveau gereguleerd is zoals geldt voor productaansprakelijkheid, oneerlijke handelsbedingen/algemene voorwaarden, pakketreizen, time-sharing , colportage, overeenkomsten op afstand, consumentenkoop, financiële diensten, oneerlijke handelspraktijken, etc. Anderzijds heeft de aanpak van de harmonisatie tot nu toe, dus het creëren van minimumstandaarden, juist weer voor fragmentatie van nationale regels gezorgd. Dit breng met zich mee dat er, ongeacht de Europese wet- en regelgeving, telkens moet worden gekeken of er couleur locale is waar men rekening mee dient te houden. Daarnaast geldt er in een aantal landen nog aanvullende wetgeving die niet precies binnen hetzelfde kader als de richtlijnen valt.

In de praktijk moet dus nu al een check van de relevante consumentenregels per land uitgevoerd worden om er zeker van te zijn dat men op een bepaalde afzetmarkt (zoals het VK) geen consumentenrechtelijke regels over het hoofd ziet die als gevolg van hun doorgaans dwingendrechtelijk karakter gelden ongeacht het toepasselijke recht (vergelijk Rome I Vo). In deze bijdrage zal ik ingaan op de vraag of – en zo ja: hoe – dit anders wordt met een Brexit.

Veronderstelling is daarbij dat noch het VK (althans niet op korte termijn) lid van de EER wordt, noch een maatwerkoplossing wordt gevonden (in de inleidende bijdrage aangeduid als het Noorse, respectievelijk het Zwitserse model). Bij deze oplossingen zouden immers de EU-regels via de achterdeur alsnog blijven gelden en verandert er de facto weinig tot niets. Ik zal mij bovendien beperken tot de invalshoek van Nederlandse bedrijven die zich afvragen of het aanbieden en verkopen van hun goederen en diensten aan consumenten in het VK uit de pas gaat lopen met andere B2C afzetmarkten in Europa. Het spreekt ten slotte voor zich dat ik, mede gezien de beperkte ruimte van deze bijdrage, slechts enkele voorbeelden aan kan stippen en dus niet het consumentenrecht in de volle breedte kan bespreken.

2 B2C: bestaande verschillen tussen EU landen

Zoals al aangestipt, is er nog steeds géén sprake van een uniforme interne (EU) markt voor consumenten. Vanuit het perspectief van bedrijven betekent dit dat er steeds rekening moet worden gehouden met afwijkende regels voor consumenten in andere landen van de EU. Te denken valt zowel aan inhoudelijke (materieelrechtelijke), als ook formele (processuele) regels op het gebied van consumentenrecht. Om met het eerste te beginnen: in de lidstaten bestaan bijvoorbeeld eenvormige regels over conformiteit (Richtlijn 1999/44/EG omtrent consumentenkoop). Echter, bepaalde cruciale aspecten zijn niet uniform omgezet, zoals de duur gedurende welke een verkoper kan worden aangesproken op defecten, de klachtplicht van consumenten en de mogelijkheid om regres te nemen op de voorschakel. Nederland gaat in al deze voorbeelden veel verder dan het VK en andere landen, die het hielden bij de bepalingen die de Richtlijn consumentenkoop vereist. Als gevolg kan een Nederlandse consument een beroep doen op een non-conformiteitstermijn die niet gekoppeld is aan levering en dus aanzienlijk langer kan duren dan de twee jaar onder de richtlijn. Daarentegen kan een Nederlandse handelaar een Engelse consument niet de klachtplicht (van twee maanden na kennisneming) tegenwerpen nu deze regel juist niet is omgezet in het VK. Een Nederlandse handelaar profiteert verder van het dwingendrechtelijk regresrecht, maar hij kan dit niet uitoefenen onder bijvoorbeeld het in het VK toepasselijke recht. Deze voorbeelden uit het consumentenkooprecht zijn illustratief voor de status quo van diverse onderdelen van het EU-consumentenrecht die al zonder de Brexit spelen. Daar komt nog bij dat er grote verschillen in de EU bestaan wat betreft de handhaving van consumentenrecht (dus de processuele kant). Waar in Nederland met name de ACM (en dus een bestuursorgaan) de consumentenrechtelijke regels handhaaft, kunnen in Duitsland en Oostenrijk concurrenten elkaar op naleving aanspreken op grond van hun regels over oneerlijke concurrentie (Unlautere Wettbewerbsgesetz). Het VK heeft in het verleden het Office of Fair Trading met de handhaving belast, die al een tijd geleden deels aan de Competition and Markets Authority is overgedragen, en daarmee meer lijkt op de handhaving in Nederland.

3 Uitdagingen bij Brexit I: uitleg van bestaande consumentenregels

Op het gebied van bestaande consumentenregels zijn m.i. vooralsnog geen grote veranderingen te verwachten. Het VK heeft immers alle desbetreffende richtlijnen omgezet, waardoor deze onderdeel van hun rechtsstelsel zijn geworden (zie bijvoorbeeld de aanpassingen van de Sale of Goods Act als gevolg van de omzetting van de Richtlijn consumentenkoop). Deze nationale regels blijven uiteraard gelden ook al hebben EU-richtlijnen bij een Brexit geen werking meer. In dat verband rijst de interessante vraag of het VK de Brexit zou kunnen aangrijpen om ‘ongewenste’ wet- en regelgeving terug te draaien. Zonder enige concrete aanwijzingen zou ik mij hooguit kunnen voorstellen dat dit denkbaar is ten aanzien van regels die bedoeld zijn om een level-playing field in het leven te roepen (zoals productenaansprakelijkheid of oneerlijke handelspraktijken, beide voorbeelden van maximumharmonisatie). Immers, het VK is bij een Brexit niet meer gebonden aan de Europese standaard, en zou dan wellicht meer gebaat zijn bij minder strenge regels (vergelijk de discussie over TTIP op dat punt). Echter, is het maar de vraag of er hiervoor politieke wil en tijd is, zeker in deze voor het VK turbulente tijden, dan wel dat het terugdraaien van consumentenbescherming, die inmiddels ook part and parcel is van de rechtsregels in het VK, te rechtvaardigen is. Zoals in de inleidende bijdrage al uiteengezet, heeft een Brexit effect op de manier waarop nationale regels ter implementatie van richtlijnen uitgelegd dienen te worden. Met het wegvallen van het HvJ EU als de uiteindelijke instantie om Europees recht te interpreteren en de verplichting van lidstaten om deze autonome Europeesrechtelijke uitleg te volgen, is het denkbaar dat de van origine uniforme nationale regels in het VK op den duur anders uitgelegd zullen worden. Daarbij zal het naar verwachting echter niet gaan om enorme sprongen nu de desbetreffende rechtspraak pas na jaren ontstaat en open punten adresseert die vaak in nationale wetgeving al zijn meegenomen. Uiteindelijk zullen bovendien de rechters in het VK zelf een manier moeten vinden om hiermee om te gaan. Het is niet ondenkbaar dat rechters uit het VK ook rekening zullen houden met beslissingen van het HvJ EU indien zich vergelijkbare vragen aandienen.

4 Uitdagingen bij Brexit II: toekomstige harmonisatie van consumentenregels

Waar een Brexit wèl merkbare volgen zal hebben, zijn toekomstige ontwikkelingen op het gebied van consumentenrecht. Ook al is dit rechtsgebied inmiddels al tamelijk ontwikkeld, nieuwe technologieën en de focus op verdergaande harmonisatie roepen op tot nieuwe regelgeving.

Een goed voorbeeld is het voorstel van 9 december 2015 voor een Richtlijn voor de levering van digitale content. Voor de lezer zal dit wellicht al bekend klinken; de Nederlandse wetgever heeft namelijk naar aanleiding van de Richtlijn consumentenrechten ervoor gekozen om – overigens onverplicht vanuit Europees optiek – de regels voor het kooprecht hierop analoog toe te passen en zelf een zogenaamde streaming(reparatie)wet uitgebracht. Deze voor de hedendaagse economie uitermate belangrijke, en bij uitstek grensoverschrijdende, sector zal nu ook op EU-niveau aangepakt worden, terwijl het VK ervoor kan kiezen op dit gebied geen nieuwe wetgeving in het leven te roepen.

Maar ook de ‘doorontwikkeling’ van bestaande wet- en regelgeving (dus verdere harmonisatie) dreigt uit de pas te gaan lopen. Zo heeft de EU commissie op 9 december 2015 ook een ander voorstel aangekondigd, kort gezegd de introductie van een maximaal geharmoniseerd regime voor een consumentenkooprecht op afstand. Ook dit gaat over een uitermate belangrijke sector, namelijk e-commerce . Hoewel dit terrein al door verschillende richtlijnen wordt bestreken, gaat de harmonisatie kennelijk niet ver genoeg. Het is overigens nog maar de vraag wat er van dit concrete voorstel terecht gaat komen. Er lijken ambitieuze en ingrijpende veranderingen op komst, zoals een omkering van de bewijslast gedurende twee (i.p.v. nu zes maanden), het afschaffen van de klachtplicht en duidelijker regels over garanties. Het nieuwe voorstel laat echter zien dat het Europese consumentenrecht niet stilstaat of ‘verzadigd’ is.

Het VK zal als gevolg van de Brexit niet meer gehouden zijn om deze nieuwe regels te implementeren. Het VK kan dus haar eigen regels blijven hanteren (of hooguit aan ‘cherry picking’ doen en alleen die regels overnemen die voor haar zelf interessant zijn zonder dat dit verplicht is). Daarmee is het aannemelijk dat de desbetreffende regels uiteen gaan lopen, juist op terreinen die zich bij uitstek lenen voor grensoverschrijdende handel. In ieder geval kan er niet meer op vertrouwd worden dat in het VK dezelfde regels gelden als in de rest van de EU. Het resultaat is een uniforme markt voor 27 EU landen, met het VK, een grote afzetmarkt, als buitenbeentje.

Maar hoe erg is dat eigenlijk? Zolang de consumentenbescherming in de EU verdergaat, ben ik geneigd te zeggen dat dit geen groot probleem is. Dan zijn de EU standaarden namelijk ook ‘geschikt’ voor de afzetmarkt in het VK voor handelaren uit andere landen dan het VK. Problematischer wordt het als de VK strengere regels gaat hanteren.

5 Uitdagingen bij Brexit III: geschillen met consumenten in het VK

De laatste uitdaging zijn de gevolgen van een Brexit voor geschillenbeslechting. Omdat de relevante wet- en regelgeving in verordeningen is vastgelegd (namelijk de EEX recast Vo 1215/2012 en de Rome I-Vo 593/2008), zullen deze bij een Brexit niet meer van toepassing zijn in het VK. Omdat de huidige nationale regels echter al in een procesrechtelijke bescherming van consumenten voorzien – namelijk de regel: (1) dat een consument, kort gezegd, slechts thuis kan worden gedagvaard en ook daar een vordering in kan stellen; en (2) dat een consument in principe zijn ‘eigen’ (dwingendrechtelijke) bescherming niet kan worden ontnomen – zal een Brexit hier geen grote verandering brengen. Immers, het is niet aannemelijk dat het VK zijn eigen consumenten in dat opzicht minder zal gaan beschermen dan nu al het geval is. Verwacht mag worden dat het VK dezelfde IPR principes zal blijven toepassen. Consumenten uit Nederland (en andere EU landen) lopen echter wèl het risico dat zij niet meer door de materiële EU-regels beschermd worden.

Saillant detail is overigens dat vonnissen die in het land van de consument in zijn voordeel zijn uitgesproken, niet meer zonder meer in het land van de (buitenlandse) handelaar ten uitvoer kunnen worden gelegd nu het systeem van wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging ook niet meer geldt. Daarmee is in ieder geval de drempel voor consumenten om recht te krijgen aan beide kanten van het kanaal hoger dan nu.

6 Conclusie

De Brexit zal mijns inziens op korte termijn weinig verandering brengen in het consumentenrecht in het VK. Immers, de meerderheid van deze regels is afkomstig van de EU en inmiddels al geruime tijd omgezet in nationaal recht. Het wegvallen van de onderliggende richtlijnen brengt daar in principe geen verandering in, tenzij het VK plotseling ook al haar consumentenwetgeving gaat aanpassen. Dit is echter, zeker op wat langere termijn, anders voor uitleg van bestaande regels omdat het HvJ EU niet meer bevoegd zal zijn om het nationale consumentenrecht van het VK (waar gebaseerd op EU-recht) uit te leggen. Van waarschijnlijk grotere impact is dat het VK niet meer mee zal doen bij nieuwe wet- en regelgeving, waardoor er op het vlak van consumentenrecht een kloof tussen de EU en het VK zal (kunnen) ontstaan. Gezien de recente initiatieven van de EU is dit een scenario dat dichter bij is dan men zou verwachten. In de praktijk zal dit naar ik verwacht echter niet veel anders uitpakken dan nu. Nederlandse bedrijven die hun producten en diensten in het VK willen verkopen, moeten nu sowieso al rekening houden met uiteenlopende nationale regels in de verschillende EU landen die vaak verdergaan dan de (nog) minimumbescherming op EU-niveau. In de toekomst zal deze noodzaak voor een ‘localisatie’ van bijvoorbeeld contracten of algemene voorwaarden waarschijnlijk alleen maar groter worden. Dit zal niet per se een onwerkbare situatie opleveren als het VK niet voor hogere of compleet afwijkende regels kiest. Maar dat zal de toekomst moeten uitwijzen. In de tussentijd met de woorden van Shakespeare: “Sigh no more, ladies, sigh no more” .

Titel, auteur en bron

Titel

Brexit en consumentenrecht: much ado about nothing?

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT150:1