Noot bij ECLI:NL:GHSHE:2015:703 - schorsing concurrentiebeding

Samenvatting

Kort geding. (Geen) schorsing van een concurrentiebeding, opgenomen in een koopovereenkomst van aandelen. Geen belangenafweging als bedoeld in artikel 7:653 BW. Artikel 6:248 lid 2 BW.

Tekst noot

Het toetsingskader van een concurrentiebeding is afhankelijk van de overeenkomst waarin het beding voorkomt. Is het beding opgenomen in een arbeidscontract, dan wordt als maatstaf art. 7:653 lid 3 BW (voorheen lid 2) (link) gehanteerd. Komt het beding voor in een contract dat geen arbeidscontract is – zoals de onderhavige SPA – dan wordt het beding beoordeeld op basis van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). Dit onderscheid heeft de Hoge Raad in het verleden duidelijk gemaakt in het (standaard)arrest Kolkman/Cornelisse (ECLI:NL:HR:1997:AG1569). Dit arrest wordt in de lagere rechtspraak over het algemeen gevolgd en wordt ook hier door het Hof 's-Hertogenbosch toegepast. Art. 6:248 lid 2 BW is een tot terughoudendheid nopende maatstaf, waarbij alle omstandigheden van het geval relevant zijn. Bij dit laatste gaat geïntimeerde nat: volgens het hof is louter het (zeer) verstrekkende karakter van een concurrentiebeding onvoldoende om aan te nemen dat het onredelijk is. Om te bepalen of een concurrentiebeding al dan niet onredelijk is, moet, aldus het hof, bijvoorbeeld ook rekening worden gehouden met de aard en verdere inhoud van de betreffende overeenkomst en de maatschappelijke positie van en de onderlinge verhouding tussen de betreffende partijen. Een jaar eerder oordeelde het Hof 's-Hertogenbosch ( ECLI:NL:GHSHE:2015:703 ) dat op grond van het grondwettelijke recht op vrije arbeidskeuze, niet iedere contractuele beperking van die vrije arbeidskeuze zonder meer in stand kan blijven en dat daarom een belangenafweging moet plaatsvinden tussen het grondrecht en het belang van de wederpartij bij integrale handhaving van het concurrentiebeding. Kennelijk heeft geïntimeerde in de onderhavige procedure geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit de onredelijkheid van het concurrentiebeding zou moeten blijken. Dit gecombineerd met het feit dat geïntimeerde werd bijgestaan door een advocaat en willens en wetens het concurrentiebeding heeft aanvaard (en daarmee de inperking van zijn vrije arbeidskeuze), leidt het hof tot het oordeel dat er geen verdere belangenafweging dient plaats te vinden (althans deze geheel in het voordeel te laten uitvallen van de accountantsmaatschap). Voor geïntimeerde is dit uiteraard een bittere pil. De uitkomst zou anders geweest kunnen zijn indien hij niet alleen om vernietiging van het beding had verzocht, maar subsidiair om beperking van het concurrentiebeding in tijdsduur en/of territorium. Eén ding maakt de uitspraak in ieder geval duidelijk: indien een concurrentiebeding niet in een arbeidscontract is opgenomen, kan er ook geen bescherming ontleend worden aan het arbeidsrecht, maar gelden er andere – zwaardere – criteria om het beding van tafel, of in ieder geval aangepast, te krijgen.

 

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:GHSHE:2015:703 - schorsing concurrentiebeding

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT4:1