Samenvatting

De regeling van de (compensatie bij schending van de) redelijke termijn moet de Afdeling bestuursrechtspraak, en daarmee haar afzwaaiende voorzitter, Jaap Polak, de nodige hoofdbrekens hebben gekost. In 2000 creëerde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de fameuze Kudla-uitspraak de noodzaak voor een nationale compensatiemogelijkheid bij schending van de redelijke termijn. Maar anders dan in menige andere bij het EVRM aangesloten staten, ondernam de wetgever in Nederland geen actie, hoewel er in 2005 wel - maar alleen in beperkte kring - een voorontwerp van wet circuleerde. Met als gevolg dat de kwestie op het bord van de rechtspraak bleef liggen. Na enig talmen kwam de bestuursrechter in actie waarbij Jaap Polak veel credits geeft aan zijn voorganger, Pieter van Dijk, die als een wegbereider zou hebben gefungeerd. In een artikel over de menselijke factor bij de rechtsontwikkeling door rechters verwoordt Jaap Polak dat zo:

'Waar het hier om gaat is dat het zeker niet zo is dat Van Dijk die rechtspraak in zijn eentje realiseerde (zowel binnen de Afdeling als met de andere hoogste bestuursrechters is daarover heel veel overleg geweest), maar dat het bij samenspel van omstandigheden als het uitblijven van de vereiste wetgeving en de noodzaak om dit probleem als rechter aan te pakken, bepaald van belang was dat Van Dijk met zijn grote kennis en gezag op het terrein van het EVRM aangaf dat de bestuursrechter zelf adequate rechtsbescherming moest bieden. Dat droeg er erg aan bij dat de verantwoordelijke zittingskamers, geconfronteerd met klachten over overschrijding van de redelijke termijn, de ruimte voelden om hier de leemte die was ontstaan doordat de wetgever.

Uit dit citaat blijkt al dat de regeling van de redelijke termijn bij uitstek een casus biedt om de verhouding tussen rechter en wetgever te illustreren en analyseren en daarbij in te gaan op de mogelijke grenzen van de rechtsvormende taak van de rechter. Tevens biedt deze casus een mooi inkijkje in de rol van conclusies daarbij alsmede afsteramingsvragen tussen de betrokken hoogste rechters. En daarmee zijn we bij de rode draad van dit vriendenboek. In dit artikel zal in dat verband daarom eerst de ontwikkeling van de redelijke termijnjurisprudentie op hoofdlijnen worden behandeld (paragraaf 2). Daarna wordt de rechtsvorming op dat terrein geplaatst in een breder verband. Hoe verhoudt deze zich tot de algemene jurisprudentiële spelregels over de verhouding van de rechter tot de wetgever en de grenzen aan de rechtsvormende taak van de rechter (paragraaf 3). Ten slotte wordt - hoeveel waardering wij ook hebben voor het optreden van de rechter ten aanzien van de redelijke termijn - een lans gebroken voor een andere aanpak in de toekomst van problemen die ontstaan wanneer de wetgever ten onrechte stilzit (paragraaf 4).

Volledige tekst

Zie de repository van de Universiteit Leiden voor de volledige tekst van dit hoofdstuk uit het Liber Amicorum voor Jaap Polak .

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT227:1