Noot bij ECLI:NL:TGZRSGR:2018:165 - euthanasie demente vrouw met wilsverklaring

Auteur(s): Bron:
  • Gezondheidsrecht Jurisprudentie, GJ 2018/109 Sdu

Samenvatting

Uitspraak inzake de klacht van de Inspectie tegen een specialist ouderengeneeskunde ter zake van euthanasie bij een demente, wilsonbekwame patiënte.

Tekst noot

Deze casus heeft in de media de nodige beroering teweeg gebracht. Kan aan een diep demente vrouw, die een schriftelijke wilsverklaring heeft opgesteld, en bij ernstig lijden het moment van haar levensbeëindiging van haar eigen toestemming afhankelijk heeft gemaakt, straffeloos euthanasie worden verleend, als er bij de uitvoering, ondanks haar wilsonbekwaamheid, twijfels rijzen of dat moment inderdaad is aangebroken nu zij daarover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd? Deze vraag stond centraal in de hierboven afgedrukte casus, die eerder door de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie (RTE) onder nr. 2016—85 werd behandeld en thans ter (strafrechtelijke) beoordeling aan het College van procureurs-generaal is toegezonden, waarna een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) werd geopend. Dit onderzoek loopt nog.

Evenals de Toetsingscommissie komt ook het Regionaal Tuchtcollege tot het oordeel dat de uitvoerend arts niet zorgvuldig heeft gehandeld, nu het mondelinge en schriftelijke verzoek niet ondubbelzinnig was, terwijl bij de uitvoering patiënte tegenstribbelende bewegingen maakte en zij door de arts of familie (voorzichtig) op het bed werd gedrukt. Op dat moment gaf de dementerende en als wilsonbekwaam beoordeelde patiënte aan dat het moment nog niet gekomen was. Dwang, zelfs de schijn van dwang, dient in die situatie altijd vermeden te worden, zegt de RTE in haar oordeel 2016-85.

Dat het hierbij om een moeilijk door de uitvoerend arts te beoordelen situatie gaat, wordt door filosoof en verpleeghuisarts Bert Keizer goed beschreven in zijn essaybundel Voltooid. Nieuw licht op een zelfgekozen dood, Amsterdam 2018, p.57 e.v.  De dilemma’s liggen op tafel, maar wanneer is er sprake van onzorgvuldigheid volgens de wet? De RTE formuleerde het in 2016  zo: “Op het moment van de levensbeëindiging moet aannemelijk zijn dat uitvoering van de euthanasie in de lijn ligt van de eerdere wilsverklaring en dat daarvoor geen contra-indicaties zijn (zoals duidelijke tekenen dat de patiënt geen levensbeëindiging wil)”. Een schriftelijke wilsverklaring (met dementie-clausule) helpt, maar is niet doorslaggevend. Het recht op zelfbeschikking houdt bij dementie niet op. Ook demente patiënten blijven regisseur van hun eigen leven. Het is dus niet de uitvoerende arts die uiteindelijk het moment van de levensbeëindiging bepaalt.

Bovendíen had de uitvoerend arts de procedure niet vooraf met de patiënte besproken. Ook niet dat die zou worden ingeleid (“premedicatie”) met een slaapmiddel “om de patiënt rustig te houden”. De patiënte wist niets van de procedure (de arts had het slaapmiddel Dormicum “heimelijk” in de koffie gedaan) en schrok ervan, toen het infuus werd ingebracht. Op dat moment had de arts zich terughoudend moeten opstellen en zeker geen (zachte) dwang mogen toepassen, aldus het RTE.  Door de in gang gezette procedure toch door te zetten heeft de arts “een grens overschreden”. De RTE citeerde in 2016-85 de arts die verklaarde “dat indien patiënte voorafgaand aan de uitvoering had gezegd dat zij niet dood wilde, zij ook de levensbeëindiging zou hebben uitgevoerd”. De “elasticiteit” van de Nederlandse wetgeving kent bij dementie haar buitengrens.

Het wettelijk vereiste van “vrijwillig en weloverwogen” laat derhalve geen ruimte voor allerlei interpretaties.  Om het juridisch uit te drukken: zowel de Toetsingscommissie als het Tuchtcollege is van oordeel dat niet is voldaan aan de zorgvuldigheidseisen van art. 2 lid 1, aanhef en onder a van de Wtl. Het Tuchtcollege wijst in dit verband ook nog naar de Code of Practice 2015 en de Euthanasiecode 2018 (4.1 onder b), waarin is benadrukt dat wilsuitingen van een wilsonbekwame patiënt niet haaks mogen staan op de inhoud van de wilsverklaring. Wat in deze casus verbaast is dat euthanasie soms door bij uitstek gespecialiseerde deskundigen wordt beoordeeld (geriaters en SCEN-artsen) en uitgevoerd, en dat dit soort omstreden beslissingen blijkbaar toch worden “doorgedrukt”, hoe begrijpelijk de omstandigheden en de goede bedoelingen ook mogen zijn. Het is de onomkeerbaarheid van de beslissing die de doorslag behoort te geven, en dus hoort die bij de patiënt te liggen, hoezeer ook van dementie en wilsonbekwaamheid sprake is. 

Indien aan de overige wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan, moet de slotconclusie van deze zaak luiden: Hoe verder of dieper de dementie is gevorderd, des te zwaarder dienen de eisen te zijn die aan de consistentie van het “vrijwillige en weloverwogen” verzoek zijn te stellen, afgaande op een eventueel beschikbare schriftelijke wilsverklaring en de later bevestigende verklaringen van patiënt(e) en andere betrokkenen tot en met de uitvoering van de levensbeëindiging. Ook bij demente patiënten geldt: hun (“heldere en eenduidige”) stem is beslissend en kan niet door die van de arts worden vervangen.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:TGZRSGR:2018:165 - euthanasie demente vrouw met wilsverklaring

Auteur(s)

Tom Schalken

Bron

Gezondheidsrecht Jurisprudentie, GJ 2018/109 Sdu

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT129:1