Past de UsedSoft-constructie ook in de Auteursrechtrichtlijn?

Auteur(s): Bron:
  • AMI, Tijdschrift voor auteurs, media- & informatierecht, AMI 2014 afl. 2, p. 47-52

Samenvatting

Op verzoek van de redactie zette ik mij aan een reactie[1] op het artikel van W.L.G. During, ‘Rekken en strekken met de UsedSoft-formule,’ in het vorige nummer van dit blad.[2] Al lezend (met bewondering voor de veelheid van behandelde aspecten, en grotendeels met instemming bij haar bevindingen) en schrijvend kwam ik tot de conclusie dat ik, liever dan een kritisch commentaar bij Durings artikel, een eigen beantwoording zou leveren van de vraag of de door het HvJ EU in het arrest UsedSoft[3] gebouwde constructie[4] zich leent voor toepassing ook op ander auteursrechtelijk werk dan computerprogrammatuur. Ik kom, net als During, tot een grotendeels positief antwoord op de vraag, zij het langs een andere weg. Voordat ik die weg insla bespreek ik nog enkele kenmerken van het UsedSoft-arrest.

Begrippen

Voor het gemak zal ik een vijftal begrippen hanteren die het mogelijk maken om over de ‘uitputtingscasus’ in wat kortere zinnen te schrijven dan (bijv.) het HvJ EU en waarvan de betekenis uit onderstaande tekening genoegzaam blijkt:

srtuik usedsoft in ami

Van een ‘uitgeput exemplaar’ zal ik spreken als het heb over een exemplaar van het werk ten aanzien waarvan de rechthebbende zich niet met een beroep op zijn distributierecht kan verzetten tegen verdere verspreiding. De Auteursrechtrichtlijn[5] duid ik meestal aan als ‘ArRl’ en de Softwarerichtlijn[6] als SWRl.

Strekking arrest

Aanleiding tot het UsedSoft-arrest waren drie vragen – hier vereenvoudigd weergegeven – van het Duitse Bundesgerichtshof (BGH):

1 Als ik een uitgeput exemplaar verkrijg, ben ik dan een ‘rechtmatige verkrijger’ in de zin van art. 5.1 SWRl?

2 Zo ja, geldt als uitgeput exemplaar óók een exemplaar dat – met toestemming van rechthebbende – is verkregen door downloaden van internet?

3 Zo ja, kan dan ook iemand die een ‘tweedehands’ softwarelicentie koopt zich beroepen op uitputting en op de rechtmatige-verkrijgerstatus teneinde een (andere) kopie van internet te downloaden – indien de vorige licentienemer zijn kopie heeft gewist?

Het HvJ EU behandelt deze vragen niet in hun volgorde maar voegt ze samen en herformuleert ze, maar als men uit het arrest de antwoorden haalt op de vragen zoals voorgelegd, levert dat (wederom: gesimplificeerd) het volgende op:

1 Ja (pt. 75-77 en 80)

2 Ja, mits in het verkeer gebracht met verlening van een niet in de tijd beperkte gebruikslicentie en tegen een ‘waarde-conforme’ vergoeding (pt. 48 en 72)

3 Ja, vanwege het onverbrekelijk verband tussen die licentie en ‘de kopie op de website’ – en de vorige licentienemer moet zijn kopie onbruikbaar maken (pt. 84 en 85)

Antwoord 1 is (althans voor mij[7]) niet verrassend

Antwoorden 2 en 3 construeert het HvJ EU, zoals bekend, met behulp van het onverbrekelijk verband tussen de kopie van de programmatuur en het daarvoor verleende gebruiksrecht, die een ‘ondeelbaar geheel’ vormen (pt. 44, 47 en 84). In feite hanteert het hof echter – zoals deze analyse op basis van de BGH-vragen leert – twee verschillende onverbrekelijke verbanden, namelijk:

– voor het antwoord op vraag 2: het onverbrekelijk verband tussen de aan gebruiker 1 verleende gebruikslicentie en het exemplaar dat gebruiker 1 destijds door download heeft verkregen (pt. 44 en 47);

– voor het antwoord op vraag 3: het onverbrekelijk verband tussen de aan gebruiker 1 verleende (en door hem ‘doorverkochte’) gebruikslicentie en het exemplaar dat gebruiker 2 nog moet verkrijgen door download (pt. 84).

Die laatste constructie blijft voor mij het element van het arrest dat het moeilijkst is in te passen in de juridische en taalkundige logica. Het hof zegt in punt 84:

Gelet op dit onverbrekelijk verband tussen de kopie op de website van de houder van het auteursrecht zoals die naderhand is verbeterd en bijgewerkt en de licentie voor het gebruik van die kopie, brengt wederverkoop van de gebruikslicentie de wederverkoop mee van „die kopie’ in de zin van artikel 4, lid 2 [Softwarerichtlijn] en geldt hiervoor de uitputting van het distributierecht op grond van deze laatste bepaling […] (onderstreping toegevoegd, HS).

Daarom (pt. 85) geldt de verkrijger van de tweedehands gebruikslicentie óók als rechtmatige verkrijger van het exemplaar ‘op de website’ van de rechthebbende – zodat hij vervolgens bevoegd is dat exemplaar te verkrijgen door het maken van de downloadkopie. De constructie dat – korter gezegd – iemand iets mag downloaden omdat hij dat reeds rechtmatig heeft verkregen, plaatst mijns inziens voorwaarde en rechtsgevolg in een omgekeerde volgorde: niet is het rechtsgevolg daar omdat aan de voorwaarde is voldaan, maar omdat het rechtsgevolg er is, mag de voorwaarde worden vervuld. Toch zullen wij het met de uitkomst van deze beslissing moeten doen – waarbij te hopen is dat het HvJ EU bij een volgende gelegenheid nog eens een betere onderbouwing weet te verwoorden.

‘Bijgewerkte software’

Intussen is van belang nog te wijzen op het hier door het hof gehanteerde element ‘zoals naderhand verbeterd en bijgewerkt’, dat bepalend is voor de praktische toepassing van dit arrest. Dit element gaat terug op een feit dat in het verwijzingsarrest was opgenomen omtrent het aanbod van UsedSoft aan haar klanten (pt. 25):

Daarbij gaf zij aan dat alle licenties betrekking hadden op bijgewerkte software, aangezien de door de oorspronkelijke licentienemer met Oracle gesloten overeenkomst inzake software updates nog steeds geldig was […]

De frase dat de licenties betrekking hadden op ‘bijgewerkte software’ is wat onduidelijk;[8] waar het om gaat is dat in alle gevallen, naast de gebruikslicentie van de initiële afnemer, steeds ook sprake was van een nog lopende onderhoudsovereenkomst voor de gelicentieerde software. Die gaf recht op het downloaden van probleem-oplossende patches en updates van de software (pt. 21). Nu had Oracle betoogd (pt. 64): uitputting t.a.v. de kopie die gebruiker 1 heeft gedownload kan hoe dan ook geen rechtvaardiging zijn voor het later opnieuw downloaden van een kopie van de website, omdat die uitputting niet werkt t.a.v. die latere gewijzigde versie. Maar dan haalt het HvJ EU deze lopende onderhoudscontracten van stal: het legt uit (pt. 65) dat weliswaar de uitputting zich alleen uitstrekt tot ‘kopieën die het voorwerp zijn geweest van een eerste verkoop in de Unie door de houder van het auteursrecht’, maar dat de sluiting van zo’n onderhoudscontract ‘bij gelegenheid van de verkoop’ en het op grond daarvan later beschikbaar komen van gewijzigde software ‘in die omstandigheden’ betekent dat de uitputting zich ook uitstrekt tot die latere gewijzigde versies (pt. 67 en 68).

Dit betekent, voor software die door de leverancier regelmatig wordt gewijzigd (en dat zal voor bijna alle zakelijke software het geval zijn), dat het recht om na aankoop van een ‘tweedehands’ softwarelicentie de beschikbare actuele versie te downloaden alleen bestaat indien de ‘tweedehands-verkoper’ ook beschikte over een onderhoudsovereenkomst nog liep op het moment dat de te downloaden versie van de programmatuur op de website van leverancier beschikbaar kwam.[9]

Eigen exemplaar vernietigen

Een andere interessante ‘beperking’ die het hof aanlegt is de overweging dat gebruiker 1 na de ‘tweedehands-transactie’ zijn eigen kopie van de programmatuur onbruikbaar moet maken (pt. 70, 78 en 87). Hij moet dat doen ‘op het moment van de wederverkoop daarvan’, en dat moet hij doen ‘om geen inbreuk te maken’ op het exclusieve reproductierecht van de rechthebbende (pt. 70). De vraag rijst wat (auteursrechtelijk) rechtens is als hij dat niet doet. Het hof formuleert dit ‘moeten’ niet met zoveel woorden als een voorwaarde om ten aanzien van de door gebruiker 2 verworven kopie van uitputting te kunnen spreken; zo beschouwd lijkt er dan geen basis te zijn om, als blijkt dat gebruiker 1 zijn exemplaar niet onbruikbaar gemaakt heeft, gebruiker 2 aan te spreken wegens inbreuk op auteursrecht. In de genoemde passages van het arrest wordt ook opgemerkt dat het gebruiker 1 is die inbreuk op het reproductierecht zou maken wanneer hij zijn kopie niet onbruikbaar maakt. Maar waaruit bestaat die inbreuk precies? Vermoedelijk moet men aannemen dat ‘kopie 1’, die ooit rechtmatig ontstond in het kader van de aanschaflicentie, zogezegd van kleur verschiet en alsnog een ongeoorloofde verveelvoudiging wordt – waartegen de rechthebbende vervolgens kan optreden met de gebruikelijke middelen zoals beslag, sequestratie/vernietiging en/of gebruiksverbod met dwangsom.

En de middle man UsedSoft? Gaat die vrijuit als de houders van de door hem tweedehands doorverkochte licenties verzuimen hun eigen exemplaar van de software te vernietigen? Het lijkt mij goed denkbaar dat het in ieder geval jegens de rechthebbende onrechtmatig is als hij onvoldoende maatregelen neemt om dat te voorkomen, en ook denkbaar dat hij heeft te gelden als een ‘tussenpersoon’ in de zin van art. 26d Aw, d.w.z. iemand wiens diensten door anderen worden gebruikt om inbreuk te plegen. Tegen zo’n ‘tussenpersoon’ kan ook een ex parte-verbod worden gevorderd.[10]

UsedSoft ook voor ‘gewoon’ werk?

During neemt in haar artikel de lezer mee op een zoektocht naar het antwoord op de vraag of de benadering van het HvJ EU voor computerprogramma’s, opgehangen aan ’s hofs uitleg van de SWRl, ook zal opgaan voor auteursrechtelijk werk in het algemeen onder de ArRl. Zij onderscheidt in die benadering vier stappen, een indeling die ik niet onmiddellijk logisch vind maar die wel de ‘beslispunten’ dekt. Ik zou geneigd zijn in hoofdzaak twee beslispunten te zien: (i) als verkrijging 1 geschiedt door downloaden van internet, is dan het distributierecht uitgeput? en (ii) vormt de verkrijging en het gebruik door gebruiker 2 inbreuk op het reproductierecht?

Daarnaast moet worden bedacht dat analoge toepassing van de UsedSoft-constructie op ‘gewoon’ auteursrechtelijk werk hoe dan ook steeds zal vereisen

- dat gebruiker 1 zijn exemplaar verwierf met een niet in de tijd beperkt gebruiksrecht

- en tegen een vergoeding die overeenstemt met de economische waarde van dat exemplaar,

- en dat gebruiker 2 dat exemplaar van hem kocht tezamen met dat gebruiksrecht.

De constructie van het UsedSoft-arrest is namelijk zozeer gestoeld op het ‘onverbrekelijk verband’ tussen (i) overdracht door gebruiker 1 van zijn gebruiksrecht en (ii) verschaffing van het ‘uitgeputte exemplaar’ van het werk, dat het in ieder geval veilig is om ervan uit te gaan dat, voor een analoge toepassing van die constructie op niet-softwarewerken, steeds vereist zal zijn dat zowel het dat gebruiksrecht als het exemplaar worden overgedragen, omdat het hof immers pas dan ‘verkoop’ – en dus uitputting – aanwezig acht. Dat zo’n gebruiksrecht door de rechthebbende als ‘niet-overdraagbaar’ is bestempeld vormt daarvoor dan geen beletsel (UsedSoft-arrest pt. 77).

Uitputting en Auteursrechtrichtlijn

Wanneer verkrijging 1 geschiedt door het downloaden van het werk door gebruiker 1 vanaf een website van de rechthebbende, is er onder de ArRl dan sprake van uitputting t.a.v. het daardoor ontstane exemplaar van het werk? Het sterkste argument daartegen is de overweging in de considerans van de ArRl (§ 29): ‘Het vraagstuk van de uitputting rijst niet in het geval van diensten en in het bijzonder onlinediensten. Dit geldt eveneens voor een materiële kopie van een werk of een andere zaak, die door een gebruiker van een dergelijke dienst met de toestemming van de rechthebbende wordt vervaardigd.’ Oracle en de Europese Commissie hadden dit argument uit de ArRl gebruikt om te betogen dat ook onder de SWRl downloaden niet tot uitputting leidt. De redenen waarom het hof dat argument verwerpt (arrest pt. 55-63) houden deels verband met de kwalificatie van de SWRl als lex specialis ten opzichte van de ArRl, maar hebben deels een algemenere strekking en kunnen ook licht werpen op hoe het hof distributierecht en uitputting in de ArRl beschouwt.[11]

Ten eerste, zegt het hof (pt. 55), blijkt uit het woord ‘verkoop’ in 4.2 SWRl niet dat onderscheid wordt gemaakt naar gelang de materiële of immateriële vorm (pt. 55). Datzelfde kan gezegd worden van art. 4.2 ArRl, dat immers (zelfs ruimer dan 4.2 SWRl) spreekt van ‘verkoop of andere eigendomsovergang’. Ten tweede leest het hof (pt. 57) in §7 van de considerans van de SWRl dat deze bescherming biedt aan computerprogramma’s ‘in gelijk welke vorm’. Dit argument is niet zo sterk, omdat het over de beschermingsomvang gaat en niet over distributie(vormen) en omdat die frase veeleer ziet op de code-vormen (source, objects) van software.[12] Maar voor zover het toch relevant is: het gegeven dat auteursrecht een werk beschermt in welke verschijningsvorm dan ook, is een algemeen auteursrechtelijk beginsel, dat men al leest in art. 2 Berner Conventie[13] en dat dus zonder twijfel ook in de ArRl mag (moet) worden gelezen. Het hof gaat voort (pt. 61) dat, economisch bezien, levering van software op cd-rom of dvd en levering via downloaden functioneel gelijkwaardig zijn, en gelet op een uitleg van de richtlijn ‘aan de hand van het beginsel van gelijke behandeling’ moet bij die beide leveringsvormen uitputting optreden. Nieuw is voor mij een ‘beginsel’ van gelijke behandeling dat niet over mensen gaat maar over software-functionaliteit, maar wat het ook precies betekent, het zal zeker ook opgaan voor functioneel gelijkwaardige dvd’s en downloads van andere soorten werken. En dan volgt de overweging waaruit het meest duidelijk blijkt dat het hof ook onder de ArRl van een beperking van uitputting tot ‘fysieke exemplaren’ niet zal willen weten, waar het reageert (pt. 62 en 63) op het argument van de Commissie dat het Unierecht geen uitputting van diensten kent. Het hof brengt in herinnering dat het beginsel van uitputting van het distributierecht voor (alle) door het auteursrecht beschermde werken ertoe strekt om de beperkingen die het distributierecht oplevert (lees: voor het vrije verkeer van goederen) ‘te beperken tot hetgeen noodzakelijk is voor het behoud van het specifieke voorwerp van de betrokken industriële eigendom, ter vermijding van afscherming van de markten.’ Als dan uitputting zou worden beperkt tot fysieke exemplaren, aldus het hof, zou de rechthebbende voor wederverkoop van gedownloade exemplaren telkens opnieuw een vergoeding kunnen vragen, en dat zou verder gaan dan het specifieke voorwerp van het auteursrecht rechtvaardigt.

Reproductierecht en Auteursrechtrichtlijn

Als na een internetdownload uitputting optreedt en het distributierecht niet meer kan worden tegengeworpen, resteert de vraag of het reproductierecht van rechthebbende nog wel in stelling kan worden gebracht. Het gaat dan om twee typen reproducties:

a de reproductie die gepaard gaat met verkrijging 2;

b de reproducties die gebeuren in het computersysteem (c.q. de tablet, mp3-speler of smartphone) van gebruiker 2 wanneer hij zijn verkregen exemplaar gaat gebruiken.

During bespreekt het reproductierecht in haar ‘Stap 4’, maakt daarbij niet precies onderscheid tussen bovengenoemde reproducties type-a en type-b, en laat de verdere zoekrichting bepalen door haar uitgangspunt dat de ArRl niet een uitzondering kent zoals de Softwarerichtlijn in art. 5.1[14] – d.w.z.: de rechtmatige verkrijger mag reproductiehandelingen plegen als dat nodig is voor gebruik conform het beoogde doel – en richt zich daarom op de mogelijkheden die de privékopie-uitzondering van art. 5.2.b ArRl zou kunnen bieden. Ik denk echter dat artikel 5.1 Auteursrechtrichtlijn t.a.v. het gebruik (reproducties type-b) wel degelijk eenzelfde bevoegdheid biedt als het gelijknummerige art. 5.1 SWRl.[15] Reproducties type-a profiteren daar niet van (want die zijn niet tijdelijk) – maar daarvoor hoeft gebruiker 2 ook geen beroep op art. 5.1 ArRl te doen maar is verdedigbaar dat hij zich zal kunnen beroepen op (de gedachtegang van) het UsedSoft-arrest, zoals ik hieronder zal toelichten.

Artikel 5.1 ArRl leest niet zo makkelijk. Volgens de simpeler weergave van het HvJ EU in zijn arrest Infopaq I [16] staat het artikel reproductiehandelingen toe als is voldaan aan vijf voorwaarden: de handeling (1) is tijdelijk, (2) is van voorbijgaande of incidentele aard, (3) vormt een integraal en essentieel onderdeel van een technisch procedé, (4) welk procedé wordt toegepast met als enig doel het mogelijk maken van (a) de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon of (b) een rechtmatig gebruik, en (5) de handeling bezit geen zelfstandige economische waarde. Het genoemde doel ‘rechtmatig gebruik’ doet toch denken aan het ‘gebruik door rechtmatige verkrijger voor beoogde doel’ van art. 5.1 SWRl.

Reproducties tijdens gebruik

Bij type-b gaat het om de reproducties die het gebruiken van een werk met zich brengt, bijv. in het werkgeheugen van het afspeel- c.q. vertoningsapparaat. Die zijn, als het gaat om een uitgeput exemplaar van het werk, te beschouwen als nodig voor ‘een rechtmatig gebruik’ in de zin van 5.1 ArRl, en zijn dus in zoverre gelegitimeerd. Weliswaar is in § 33 van de considerans van de ArRl toegelicht dat van een rechtmatig gebruik in de zin van 5.1 ArRl alleen sprake is ‘indien het door de rechthebbende is toegestaan of niet bij wet is beperkt’, maar aangezien het gaat om gebruik van een uitgeput exemplaar is, zo blijkt uit UsedSoft, niet beslissend of de rechthebbende voor dat gebruik geen toestemming heeft gegeven en dus (in theorie) zijn reproductierecht in stelling zou kunnen brengen. In punt 83 oordeelt het HvJ EU namelijk over Oracle’s argument dat ‘rechtmatige verkrijger’ alleen maar iemand kan zijn die een licentie van de rechthebbende verkreeg:

Een dergelijk argument zou namelijk ertoe leiden dat de houder van het auteursrecht het daadwerkelijke gebruik van iedere gebruikte kopie waarvoor zijn distributierecht [...] is vervallen, met een beroep op zijn exclusieve reproductierecht [...] kan beletten, en zou het verval van het distributierecht [...] daarmee zijn nuttig effect ontnemen.

Het hof zegt hier in feite: uitputting van het distributierecht zou zinloos zijn als vervolgens het gebruik van het uitgeputte exemplaar met het reproductierecht zou kunnen worden belet – en dus mag/kan het reproductierecht niet worden aangewend om dat gebruik te verbieden. Deze overweging, die in algemene termen is gesteld, wettigt het vermoeden dat het hof er ook bij ‘gewoon’ auteursrechtelijk werk vanuit zal gaan dat, ten aanzien van een uitgeput exemplaar, ‘een rechtmatig gebruik’ in de zin van art. 5.1 ArRl niet alleen aan de orde is als dat gebruik door de rechthebbende werd toegestaan, maar ook als het gaat om gebruik door de verkrijger van een uitgeput exemplaar. Aangenomen mag worden dat de reproducties die optreden tijdens een afspelen of bekijken van het digitale werk (type-b), ook voldoen aan de overige voorwaarden van art. 5.1 ArRl: zij zijn per definitie tijdelijk en van voorbijgaande aard,[17] zij zijn integraal en essentieel onderdeel van een technisch procedé[18] en ze hebben geen zelfstandige economische waarde.[19]

Reproductie t.b.v. verkrijging 2

De voorvraag is of het hof ook de (niet-tijdelijke) reproductie type-a, die nodig is om gebruiker 2 zijn ‘gekochte’ exemplaar van het werk te verschaffen, toelaatbaar zal achten onder de ArRl. Het UsedSoft-arrest lijkt hier heel makkelijk mee om te gaan: als gebruiker 2 maar de gebruikslicentie van gebruiker 1 heeft ‘gekocht’, mag hij zijn exemplaar zelf gaan maken middels downloaden van de website van de rechthebbende. Het arrest laat dat toe middels de wonderlijke gelijkstelling van het nieuwe exemplaar van gebruiker 2 met het oude exemplaar waarvoor gebruiker 1 destijds het gebruiksrecht verkreeg[20] (en dat er dan twee kopieën bestaan lost het hof op door te bepalen dat gebruiker 1 zijn kopie onbruikbaar moet maken). Het lijkt aannemelijk dat het hof dan, met hetzelfde ‘nuttig-effectargument’, ook andere leveringsvormen aanvaardbaar zal achten waarbij, na ‘wederverkoop’ door gebruiker 1 van zijn uitgeput exemplaar én zijn gebruiksrecht, de levering aan gebruiker 2 plaatsvindt doordat gebruiker 1 hem in staat stelt tot het maken van een nieuw exemplaar. Daarvan is dus sprake als gebruiker 2 zich op de site van rechthebbende kan melden voor een volgende (kosteloze) download (zoals kennelijk bij de software van Oracle mogelijk was),[21] maar ook als gebruiker 1 de levering van zijn exemplaar aan gebruiker 2 realiseert door daarvan zelf een kopie te maken die hij aan gebruiker 2 verschaft (hetzij op een drager als cd of dvd, hetzij via transmissie) – waarna gebruiker 1 telkens uiteraard direct daarna zijn eigen exemplaar vernietigt.[22] Daarnaast is nog de (juridisch makkelijkste) variant denkbaar van de levering van het exemplaar van het werk in het apparaat waarin het destijds door gebruiker 1 met toestemming van rechthebbende was gedownload. Die variant is in ieder geval geoorloofd: in zo’n geval wordt immers werkelijk het uitgeputte exemplaar zelf doorgegeven en gaat (dus) verkrijging 2 in het geheel niet met reproductie gepaard.

Dat het hof er inderdaad rekening mee houdt dat de ‘wederverkoop’ aan gebruiker 2 ook kan plaatsvinden door het geven van de software (gekopieerd) op een drager, kan worden afgeleid uit punt 70 van het arrest, waar het hof overweegt dat de verplichting om zijn eigen exemplaar te vernietigen geldt voor de eerste verkrijger die ‘een materiële of immateriële kopie van een computerprogramma wederverkoopt’. Kennelijk kan ook wederverkoop van een materiële kopie plaatsvinden op zodanige wijze, dat gebruiker 1 een eigen kopie overhoudt (die hij daarna dan moet vernietigen): dan moet hij dus het aan gebruiker 2 ‘wederverkochte’ materiële exemplaar eerst zelf hebben vervaardigd.

Er kan in dit verband nog op gewezen worden dat het hof, vanuit zijn primair economische benadering van de ‘tweedehands-handel’, oordeelt dat leveren middels internet-download en leveren op cd of dvd in feite hetzelfde is. Dat staat in punt 61. Het gaat daar weliswaar over de levering door rechthebbende aan gebruiker 1 en niet over de ‘wederverkoop’ aan gebruiker 2, en de gelijkstelling gaat daar ‘in omgekeerde richting’ (de download-levering wordt gelijkgesteld met leveren per cd of dvd, niet andersom). Toch kan de gedachte ‘economisch vergelijkbaar’ een argument opleveren voor de toelaatbaarheid van reproducties type-a middels een kopie die gebruiker 1 verzendt of geeft aan gebruiker 2.

Tenslotte vormt ook ’s hofs constructie van het ‘onverbrekelijk verband’ – en dan in de tweede hierboven bedoelde variant, d.w.z. het verband tussen de aan gebruiker 1 verleende gebruikslicentie en het exemplaar dat gebruiker 2 nog moet verkrijgen (arrest pt. 84) – een argument voor het aannemen van de toelaatbaarheid van de reproductie door gebruiker 1 om aan gebruiker 2, op drager of door verzending, zijn exemplaar te leveren.

Conclusie

Ik acht het op grond van de argumenten die het HvJ EU hanteert in het UsedSoft-arrest aannemelijk dat het hof ook onder de Auteursrechtrichtlijn uitputting zal aannemen ten aanzien van het exemplaar dat ontstaat wanneer gebruiker 1 met toestemming van rechthebbende downloadt vanaf diens website.

Ook denk ik dat het hof er geen moeite mee zal hebben om de tijdelijke reproducties die voor gebruiker 2 gepaard gaan met het gebruik van een door hem verworven uitgeput exemplaar, gelegitimeerd te achten onder art. 5 lid 1 Auteursrechtrichtlijn.

Ten aanzien van de niet-tijdelijke reproductie die voor gebruiker 2 gepaard gaat met de verwerving van een door hem ‘gekocht’ uitgeput exemplaar (mét gebruiksrecht), zie ik in de UsedSoft-constructie aanknopingspunten om te verwachten dat het hof die ook onder de Auteursrechtrichtlijn zou kunnen toepassen. Of dit laatste inderdaad aannemelijk is valt op dit moment niet nader te onderbouwen.

De enige zekerheid die UsedSoft wél biedt is dat volgens het hof het gegeven, dat de tekst van de Auteursrechtlijn en de considerans zich tegen toepassing van de UsedSoft-constructie op die richtlijn zouden verzetten, niet doorslaggevend is. En dat maakt de hier besproken vragen bijzonder spannend.

Eindnoten

1. De auteur dankt mr. J.L. Verlinden, stagiaire op zijn kantoor, voor haar bijdrage aan het onderzoek voor dit artikel.

2. W.G.L. During, ‘Rekken en strekken met de UsedSoft-formule,’ AMI 2014/1, p. 1-10.

3. HvJ EU 3 juli 2012, zaak C-128/11, NJ 2013/118 m.nt. P.B. Hugenholtz (UsedSoft/ Oracle).

4. Ik spreek liever van constructie dan van een (UsedSoft-)formule, zoals During doet. Want wat het hof in dit arrest levert is veeleer een bouwsel (overigens met nogal wat donkere hoeken) dan een formule, d.w.z. een regel waarmee, zoals in de wiskunde, een grote groep vergelijkbare vragen of gevallen eenduidig kan worden opgelost.

5. Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, PbEG 2001, L 167, p. 10.

6. Richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s, PbEU 2009, L 111, p. 16-22.

7. Zie Struik/Van Schelven/Hoorneman, Softwarerecht, Deventer (Kluwer) 2010, p. 159 (§ 7.3), en ook reeds de eerste druk 1995, p. 82.

8. Dit is in de Nederlandse versie van het arrest ook onjuist vertaald. In het Engels luidt deze passage in pt. 25: ‘In doing so it pointed out that the licences were all ‘current’ in the sense that the maintenance agreement concluded between the original licence holder and Oracle was still in force…’ en in het Duits: ‘Dabei wies sie darauf hin, dass alle Lizenzen in dem Sinne „aktuell’ seien, als der vom ursprünglichen Lizenznehmer mit Oracle abgeschlossene Wartungsvertrag noch fortwirke…’ De Nederlandse vertaling van het arrest bevat trouwens meer ernstige slordigheden; zo staat in pt. 26, laatste zin, ‘Oracle’ waar UsedSoft moet staan en is in pt. 73 ‘lawful acquirer’ (nota bene een citaat van het hof uit art. 5.1 SWRl) vertaald met ‘eerste verkrijger’.

9. Dit doet de vraag rijzen of ook die onderhoudsovereenkomst deel is van het ‘ondeelbaar geheel’, en of die (c.q. de rechten daaruit) ook aan gebruiker 2 moet worden overgedragen, maar hierover zwijgt het arrest.

10. Hoewel de wet (art. 1019e Rv.) ten onrechte alleen het ex parte-verbod ‘tegen de vermeende inbreukmaker’ regelt. De Handhavingsrichtlijn voorziet echter uitdrukkelijk ook in zo’n verbod tegen de ‘tussenpersoon’ (art. 9.1 sub a) – en art. 1019e Rv. zal dus moeten worden aangepast. De rechtspraak richt zich terecht naar de Handhavingsrichtlijn: zie Vzr. Rb. Zwolle-Lelystad 7 mei 2010, IEPT 20100507 (Bi-wear) en Vzr. Rb. Den Haag 18 jan 2013, IEPT 20130325 (Piguet c.s./Elcatel).

11. Buiten beschouwing laat ik dan nog ’s Hofs aan het WIPO-Auteursrechtverdrag ontleende ‘transformatie-argument’ (arrest pt. 52), dat (ook) strekt tot aanvaarding onder de ArRl van ‘uitputting na downloaden van internet’.

12. Vgl. art. 10 lid 1 TRIPs-Verdrag: ‘Computer programs, whether in source or object code, shall be protected […]’.

13. ‘[…] welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij […]’.

14. During p. 10, r.k. en p. 7, l.k.

15. Daarnaast wordt, voor auteursrechtelijke werken die kwalificeren als databank, in art. 6.1 van de Databankrichtlijn in ieder geval een vergelijkbare bevoegdheid geboden: de rechtmatige verkrijger van een exemplaar van de databank mag (o.a.) ‘permanente of tijdelijke reproductie’ verrichten indien die ‘noodzakelijk zijn om toegang te krijgen tot en normaal gebruik te maken van’ de databank. Die formulering is ruimer dan die van art. 5.1 SWRl, dus voor auteursrechtelijk beschermde databanken is in ieder geval aannemelijk dat het HvJ EU de UsedSoft-constructie zal toepassen. (Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, PbEG L 77 van 27.3.1996, p. 20).

16. HvJ EG 16 juli 2009, zaak C-5/08, AMI 2009/5, nr. 20 m.nt. K.J. Koelman (Infopaq I).

17. S. Bechtold in Dreier & Hugenholtz, Concise European Copyright Law, Alphen a/d Rijn: Kluwer Law International 2006, Information Society Dir. (hierna: Bechtold) ad art. 5, aant. 2(c), noemt ‘copies created in computer memory (RAM)’ als voorbeeld.

18. Bechtold ad art. 5 aant. 2(d), omschrijft deze maatstaf als de eis dat de reproducties ‘technically predetermined’ zijn.

19. Bechtold ad art. 5, aant. 2(h) ziet hierin een uitwerking van de drie-stappentoets, waaraan is voldaan als het gaat om ‘reproductions that only exist due to technical necessities.’

20. Arrest pt. 84-85.

21. Maar vermoedelijk is deze constructie t.a.v. werken uit de entertainment-sfeer, anders dan bij software, niet gebruikelijk.

22. Aan de moeilijke vraag of een dergelijke levering óók toelaatbaar zou zijn wanneer zij niet rechtstreeks tussen gebruiker 1 en gebruiker 2 geschiedt maar door tussenkomst van een derde (zoals bijv. de provider ReDigi in de casus van de gelijknamige Amerikaanse uitspraak; zie During, voetnoot 83), heb ik mij in het korte bestek van dit artikel niet gewaagd.

Titel, auteur en bron

Titel

Past de UsedSoft-constructie ook in de Auteursrechtrichtlijn?

Auteur(s)

Hendrik Struik

Bron

AMI, Tijdschrift voor auteurs, media- & informatierecht, AMI 2014 afl. 2, p. 47-52

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT68:1