Noot bij ECLI:NL:RVS:2018:2115 - overtredingen Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Auteur(s): Bron:
  • Gezondheidszorg Jurisprudentie, GJ 2018/139, Sdu

Samenvatting

Bestuurlijke boete opgelegd wegens twee overtredingen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Volledige tekst annotatie

Deze zaak is van louter bestuurlijke aard, die niettemin vanwege de daarin aan de orde zijnde rechtsvraag ook in de gezondheidszorg van belang is: dient aan het opleggen van een bestuurlijke boete in het kader van het uitoefenen van toezicht het geven van een cautie (wijzen op het zwijgrecht) te worden voorafgegaan? In casu ging het om (tijdens het afleggen van een inspectiebezoek en de daarop volgende hoorzitting) op twee punten vastgestelde niet naleving van de regeling inzake de buitenschoolse opvang van kinderen (met betrekking tot de kwaliteitseisen op basis van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp)). Op grond daarvan legde het college van B&W een bestuurlijke boete van € 6.000,= op, na de opinie van de Adviescommissie, hetgeen door de rechtbank werd bevestigd in die zin dat de houder van het betreffende kinderopvangcentrum (appellante) in het gelijk werd gesteld wat de niet uitgesproken cautie betreft, maar dat deze nalatigheid geen gevolgen heeft voor de opgelegde bestuurlijke boete (o.a. omdat het College daarop ten overvloede heeft gewezen, terwijl de boete niet is gefundeerd op hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht).

Tegen de opgelegde boete ging de houder van het kinderopvangcentrum in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die de houder van het kindercentrum in het gelijk stelde. Volgens nieuw beleid van het College was eerst (per brief) een waarschuwing gegeven in die zin dat bij het opnieuw constateren van overtredingen een bestuurlijke boete (een nieuwe sanctie in het handhavingsbeleid) zou worden opgelegd. Omdat in dit geval niet kon worden vastgesteld of de ontkennende houder de brief had ontvangen, moet het ervoor worden gehouden dat hem een boete is opgelegd zonder de vereiste waarschuwing. De betreffende inspecteur had de toen aanwezige werknemers op hun zwijgrecht moeten wijzen, omdat zij niet verplicht waren op de gestelde vragen antwoord te geven voordat een bestraffende sanctie zou worden opgelegd. Onder verwijzing naar de Chambaz-uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 5 april 2012 (ECLI:CE:ECHR:2012:0405JUD001166304, «EHRC» 2012/135, m.nt. Niessen) dient eerst te worden vastgesteld of een bestraffende sanctie zal worden opgelegd en alsdan of met het oog daarop eerst de cautie is gegeven voorafgaand aan het verhoor dat met het oog op die (punitieve) sanctie plaatsvindt. Bewijs dat via wilsafhankelijke verklaringen wordt verkregen, mag dan niet in de bewijsvoering worden gebruikt. Daargelaten of dit met stelligheid uit de Chambaz-uitspraak kan worden afgeleid, is dit het standpunt van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie over het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk (documenten bijvoorbeeld) materiaal N. Jörg, ‘Nemo tenetur na Chambaz v. Zwitserland’, in: G. Knigge e.a. (red), Gehoord de Procureur-Generaal, liber amicorum J.W. Fokkens, Deventer 2016, p. 117.

Toegesneden op de gezondheidszorg is het bestuurlijk toezicht eveneens van belang, zeker als dit wettelijk is geregeld. Het straf- dan wel het tuchtrecht bevatten sancties c.q. maatregelen die hun eigen rechtvaardiging hebben. Daaraan vooraf gaat het toezicht. Vrijwel in alle wetten, met name in de gezondheidsrechtelijke ordeningswetgeving, wordt het toezicht geregeld, zowel wat het toezicht inhoudt als welke instantie het toezicht uitoefent. Voorbeelden daarvan zijn: de Wet op bijzondere medische verrichtingen, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet toelating zorginstellingen en de Zorgverzekeringswet. Doordat bij al deze wetten aansluiting is gezocht bij de Algemene Wet bestuursrecht (Awb), met name ook ten aanzien van de toepassing van sancties en de daarbij in acht te nemen rechtsbescherming, heeft bij de inrichting van het toezicht harmonisatie plaatsgevonden (Kamerstukken 29703), waardoor kennisneming van rechterlijke uitspraken op onderdelen van het bestuursrecht, zoals het zwijgrecht, ook in het licht van het EVRM, van belang is. Dat is met name het geval, zoals in casu, wanneer in het kader van het toezicht vragen worden gesteld op basis waarvan, als onderdeel van nieuw handhavingsbeleid, een (bestraffende) boete wordt opgelegd.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:RVS:2018:2115 - overtredingen Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Auteur(s)

Tom Schalken

Bron

Gezondheidszorg Jurisprudentie, GJ 2018/139, Sdu

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT331:1