Noot bij ECLI:EU:C:2019:773 - betekenis verbod op verwerking bijzondere en strafrechtelijke gegevens voor aanbieder internetzoekdiensten (GC/CNIL)

Auteur(s): Bron:
  • Mediaforum, MF 2020/11, deLex

Samenvatting

GC/CNIL is het tweede op 24 september 2019 gewezen arrest over het vergeetrecht van het Hof van Justitie van de EU. In het arrest (ECLI:EU:C:2019:773) geeft het Hof antwoord op de vraag wat de betekenis is van het verbod op de verwerking van bijzondere gegevens en strafrechtelijke gegevens voor een aanbieder van internetzoekdiensten. Of, meer in het bijzonder, in hoeverre zo een aanbieder gebruik kan maken van de in deze wetgeving mogelijk gemaakte uitzonderingen op dat verwerkingsverbod.

Opmerking vooraf

Voordat we ingaan op de in het arrest beantwoorde rechtsvragen eerst een enkele opmerking over de aanduiding ervan. Voor de rechtsontwikkeling misschien niet van het allergrootste belang, niettemin voor de praktijkjurist wellicht nuttige achtergrondinformatie. Waar gaat het over? Het procesreglement van het Hof is niet zo heel lang geleden aangepast. Een direct merkbaar gevolg daarvan is dat in de arresten van het hof niet meer de namen staan van de procespartijen die natuurlijke personen zijn. Voortaan worden deze natuurlijke personen aangeduid met hun initialen. Dit omdat, zo lezen we in de toelichting bij de wijziging van het procesreglement, dit wordt vereist door de zogeheten ‘nieuwe regelgevingscontext inzake de bescherming van persoonsgegevens’.[1] Onbegrijpelijk is dat natuurlijk niet. De AVG geldt vanaf 25 mei 2018 en het Hof heeft vanaf 11 december 2018 te maken met de daarop sterk gelijkende Verordening 2018/1725.[2] Deze verordening stelt weliswaar niet heel andere voorwaarden aan de verwerking van persoonsgegevens dan de indertijd geldende regelingen, maar duidelijk is wel dat die vereisten tegenwoordig heel serieus worden genomen, ook door het Hof. Omdat we de arresten van het Hof prima kunnen begrijpen zonder dat we bekend zijn met de namen van deze procespartijen, is het opnemen van hun namen niet nodig en daarmee in strijd met bijvoorbeeld het beginsel van gegevensminimalisatie (art. 4, eerste lid, onderdeel c, Vo. 2018/1725). En daarbij is het, zeker waar het gaat om zaken waarin het gaat om het vergeetrecht, op zijn minst ironisch dat de verzoeker als gevolg van de door hem geïnitieerde procedure voorlopig niet meer wordt vergeten.

Toch is het jammer. Voor de rechtspraktijk is het wel zo praktisch dat arresten met een gemakkelijk te onthouden, voor iedereen begrijpelijke naam worden aangeduid. Het is voor iedereen direct duidelijk wat wordt bedoeld als we verwijzen naar bijvoorbeeld het Lindqvist-arrest, het Google/Costeja-arrest, het Reynes-arrest of het Nowak-arrest.[3] Voor het eerste in deze bijdrage te bespreken arrest van 24 september 2019 moeten we het doen met de toch lastiger te onthouden aanduiding «GC, AF, BH en ED/CNIL-arrest». Hier gebruiken we gemakshalve, in navolging van anderen,[4] de abstracte, afgekorte aanduiding GC/CNIL-arrest.

Het arrest

Aanleiding voor deze zaak was het aan Google gerichte verzoek van vier individuen, aangeduid met hun initialen GC, AF, BH en ED, om verwijdering van de zoekresultaten die worden gepresenteerd als er met een zoekmachine wordt gezocht op hun namen. Google weigerde deze zoekresultaten te verwijderen. Verzoekers hebben daarop CNIL verzocht Google aan te manen de zoekresultaten te verwijderen. Ook CNIL weigerde te voldoen aan dat verzoek en tegen deze weigering zijn verzoekers vervolgens opgekomen bij de Franse bestuursrechter.[5]

De hoogste Franse bestuursrechter, de Conseil d’Etat, legde vier ‘alsdan’ vragen voor aan het Hof, waarvan er drie zijn onderverdeeld in verschillende subvragen. De eerste vraag is of het verbod op de verwerking van bijzondere gegevens en strafrechtelijke gegevens (art. 8, eerste en vijfde lid, van de richtlijn resp. art. 9, eerste lid en art. 10 AVG) ook van toepassing is op aanbieders van zoekmachines.[6]

Voor de beantwoording van deze vraag begint het Hof met een korte uiteenzetting van wat in het Google/Costeja-arrest is overwogen over de verwerkingsverantwoordelijkheid van de zoekmachine. De activiteiten van een zoekmachineaanbieder bestaan uit het vinden van door derden op het internet gepubliceerde of opgeslagen informatie en het vervolgens automatisch indexeren, het tijdelijk op te slaan en uiteindelijk het in een bepaalde volgorde ter beschikking stellen aan internetgebruikers. Deze activiteiten kwalificeren als verwerkingen van persoonsgegevens, waarvoor de zoekmachine verwerkingsverantwoordelijk is en waarop Richtlijn 95/46/EG (“de richtlijn”) en vanaf 25 mei 2018 de AVG van toepassing is.[7]

Vervolgens stelt het Hof vast dat het verbod op verwerking van bijzondere gegevens ook geldt voor deze verwerkingen, evenals de verwerking van strafrechtelijke gegevens (art. 8, eerste en vijfde lid, van de richtlijn resp. art. 9, eerste lid, en art. 10 AVG). Er is geen reden om ervan uit te gaan dat de zoekmachineaanbieder, alleen vanwege de specifieke kenmerken van de verwerkingen, is vrijgesteld.[8]

Daarmee is echter niet gezegd dat de aanbieder van een zoekmachine zonder meer zoekresultaten moet verwijderen als deze kwalificeren als bijzondere gegevens of strafrechtelijke gegevens. Er zijn uitzonderingen waarvan verwerkingsverantwoordelijken, en dus ook zoekmachineaanbieders, gebruik kunnen maken. Daarover gaat de tweede aan het Hof voorgelegde vraag, onderverdeeld in drie subvragen. Voor de beantwoording van deze vraag bespreekt het Hof enkele op het eerste gezicht voor zoekmachines relevante uitzonderingen uit de richtlijn en de verordening.

Een eerste uitzondering betreft de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene, d.w.z. degene over wie gegevens in de zoekresultaten worden weergegeven (art. 8, tweede lid, onderdeel a, van de richtlijn en art. 9, tweede lid, onderdeel a, AVG). Deze uitzondering is evenwel, zo stelt het Hof al snel vast, voor een zoekmachine onbruikbaar. Dit omdat toestemming specifiek moet zijn (art. 4, onderdeel 11, AVG) wat bij een zoekmachine onhaalbaar is. En daarbij moet worden bedacht dat, zelfs als er sprake was van toestemming, deze natuurlijk geacht moet worden te zijn ingetrokken door de betrokkene die het verwijderverzoek heeft gedaan. Dat komt ook naar voren uit de regeling van het vergeetrecht in de AVG, waarbij de betrokkene kan verlangen dat gegevens worden verwijderd als hij of zijn toestemming heeft ingetrokken en er geen andere verwerkingsgrondslag is (art. 17, eerste lid, onderdeel b, AVG).[9]

Een andere uitzondering betreft de omstandigheid dat de desbetreffende gegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt (art. 8, tweede lid 2, onderdeel e, van de richtlijn en art. 9, tweede lid 2, onderdeel e, AVG).[10] Het Hof gaat hierop niet in, maar ook deze uitzondering is voor een zoekmachine veelal niet goed bruikbaar, al was het maar omdat niet alle bijzondere gegevens over iemand door hemzelf openbaar worden gemaakt. Daarbij wijst het Hof erop dat, zelfs als er gebruik kan worden gemaakt van deze uitzondering, de betrokkene hoe dan ook kan verlangen dat de zoekmachineaanbieder de hem betreffende zoekresultaten verwijdert om redenen die verband houden met zijn specifieke situatie. Dit op grond van het verzets- of bezwaarrecht (art. 14, eerste lid, onderdeel a van de richtlijn en art. 17, eerste lid, onderdeel c en art. 21, eerste lid, AVG). [11] Als de betrokkene van dat recht gebruik maakt betekent dit dat de aanbieder, ook al kan hij gebruik maken van de genoemde uitzondering, toch moet nagaan of de zoekresultaten moeten worden verwijderd. En dat impliceert dan een afweging van enerzijds het belang bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds het belang bij de vrijheid van informatie, iets dat ook is uitdrukkelijk vastgelegd in de verordening (art. 17, derde lid, onderdeel a, AVG).[12]

Vervolgens noemt het Hof een andere, derde uitzondering op het verbod op de verwerking van bijzondere en strafrechtelijke gegevens. En dat betreft de uitzondering van, wat we kortheidshalve aanduiden, het zwaarwegend algemeen belang. Dat betreft de mogelijkheid dat bij lidstatelijk of unierecht met het oog op de bescherming van een zwaarwegend algemeen belang wordt voorzien in een regeling die het mogelijk maakt om de gegevens te verwerken ondanks het verwerkingsverbod. Een dergelijke regeling moet wel passende waarborgen bieden (art. 8, vierde lid, van de richtlijn, art. 9, tweede lid, onderdeel g, AVG). Deze uitzondering verlangt dat de zoekmachineaanbieder, zoals ook als er gebruik wordt gemaakt van voornoemd verzets- of bezwaarrecht, belangen gaat afwegen. De aanbieder moet beoordelen of de bekendmaking van de zoekresultaten, waardoor inbreuk wordt gemaakt op de privacy- en gegevensbeschermingsrechten, om redenen van een zwaarwegend algemeen belang strikt noodzakelijk is ter bescherming van de informatievrijheid.[13]

De laatste rechtsvragen die het Hof beantwoordt hebben betrekking op het begrip strafrechtelijke gegevens, of voluit ‘persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten’ (art. 8, vijfde lid, van de richtlijn en art. 10 AVG). Het Hof wordt gevraagd wat dat begrip omvat en verder, als er van dergelijke gegevens sprake is, in hoeverre de zoekmachineaanbieder gehouden kan zijn om niet meer actuele zoekresultaten te verwijderen. Er valt dan te denken aan de zoekresultaten die verwijzen naar de veroordeling door de rechtbank, die in hoger beroep ongedaan is gemaakt.

Het Hof gaat uit van een ruim begrip van strafrechtelijke gegevens. Er is daarvan ook sprake als het gaat om zoekresultaten die verwijzen naar berichten over de verdere vervolging van de betrokkene of de desbetreffende gerechtelijke procedure en in voorkomend geval de veroordeling van deze betrokkene. Daarbij maakt het niet uit of in die procedure al dan niet is komen vast te staan dat de overtreding waarvoor de persoon is vervolgd is begaan.[14]

De beoordeling of dergelijke gegevens moeten worden verwijderd vereist, evenals bij de bijzondere gegevens, een afweging van belangen.[15] Het gaat dan enerzijds om de privacybelangen van de betrokkene en anderzijds om de vrijheid van informatie van het publiek. Daarbij moet rekening worden gehouden met

'de essentiële rol van de pers in een democratische samenleving, die mede inhoudt dat verslag wordt gedaan van en commentaar wordt gegeven op gerechtelijke procedures.'

Het gaat er daarbij ook om dat het publiek ook onderzoek moet kunnen doen naar gebeurtenissen uit het verleden, zo voegt het Hof daaraan toe onder verwijzing naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.[16]

Vervolgens komt het Hof met een extra vereiste waaraan de zoekmachineaanbieder moet voldoen als deze belangenafweging erin resulteert dat de strafrechtelijke gegevens niet behoeven te worden verwijderd – dat wil zeggen: als de zoekresultaten strikt noodzakelijk zijn in het licht van de informatievrijheid. In dat geval moet de aanbieder de zoekresultaten zodanig ordenen dat deze een goed beeld geven van de actuele gerechtelijke situatie. Oftewel, de vrijspraak in hoger beroep moet hoger in de zoekresultaten worden weergegeven dan de veroordeling in eerdere instantie. Het Hof zegt het zo:

'[D]e exploitant van een zoekmachine [dient], [...] in ieder geval uiterlijk bij het verzoek tot verwijdering van links de resultatenlijst dusdanig [...] te ordenen dat het algehele beeld dat hiermee voor de internetgebruiker wordt geschetst een afspiegeling vormt van de actuele gerechtelijke situatie, hetgeen onder meer vereist dat de links naar webpagina’s die daarover informatie bevatten als eerste op deze lijst verschijnen.'

Bespreking

Het arrest biedt een uitweg voor de ongemakkelijke, om niet te zeggen nogal ongelukkige situatie die met het Google/Costeja-arrest was ontstaan, waar het gaat om de toepassing van het verwerkingsverbod voor bijzondere en strafrechtelijke gegevens op zoekmachines. In zijn conclusie bij dat arrest had A-G Jäaskinnen er al op gewezen dat het als gevolg van dit verbod voor de aanbieders daarvan problematisch is om te voldoen aan de privacywetgeving. Dat zou meebrengen dat internetzoekmachines in strijd met het unierecht zijn, wat zijns inziens een absurde conclusie was (‘a conclusion I would find absurd’).[17]

In de lagere rechtspraak zien we dat terug. In meer dan een handvol vergeetzaken zien we hoe rechter heeft geworsteld met het verwerkingsverbod voor deze gegevens.[18] Zo oordeelde de rechtbank Rotterdam met merkbare tegenzin dat de zoekresultaten die verwezen naar berichtgeving over een strafrechtelijke veroordeling kwalificeren als strafrechtelijke gegevens, met als gevolg dat het ‘onvermijdelijk’ was dat de zoekmachine deze gegevens niet mocht verwerken.[19] In latere zaken zien we dat de rechter het begrip strafrechtelijke gegevens zo uitlegt dat zoekresultaten niet daaronder vallen. Er kan, zo blijkt uit verschillende uitspraken, niet worden gesproken van strafrechtelijke gegevens als in de zoekresultaten niet zodanige concrete feiten en omstandigheden zijn opgenomen ‘dat zij als een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van artikel 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) – kunnen dragen.’ En evenmin is daarvan sprake als de zoekresultaten geen zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit opleveren.[20] Het contra-intuitieve resultaat was dat een zoekmachine wél de zoekresultaten zou mogen weergeven die verwezen naar een publicatie waarin iemand zonder al teveel onderbouwing werd beschuldigd van strafrechtelijke feiten, maar niet de zoekresultaten die verwezen naar een veroordeling door een strafrechter, uitgesproken in een in een strafproces met alle daarbij behorende waarborgen.

Uiteindelijk zien we dat verschillende rechtbanken, soms expliciet voorsorterend op het arrest van het Hof van 24 september 2019,[21] tot het oordeel zijn gekomen dat het verwerkingsverbod voor bijzondere en strafrechtelijke gegevens in een aantal gevallen niet van toepassing is op zoekmachines. Dit omdat dit verwerkingsverbod afbreuk doet aam de belangrijke maatschappelijke functie van zoekmachines. Het verbod maakt zoekmachines ‘categorisch onmogelijk’ en ‘een zo categorische beperking is niet goed te verenigen met het algemene belang.'[22]

Uit de verschillende uitspraken blijkt echter niet op grond van welke in de richtlijn of verordening genoemde uitzonderingen de rechter het verwerkingsverbod buiten toepassing verklaart. Dit is anders in een vergeetzaak waarin het Hof Den Haag, exact twee maanden na het arrest van 24 september 2019, uitspraak deed. In deze zaak had de zoekmachineaanbieder weliswaar geen beroep gedaan op de desbetreffende bepalingen van de richtlijn of verordening, maar het Hof Den Haag vult ambtshalve de rechtsgronden aan omdat de feiten waarop Google zich beroept wel voldoende zijn voor de toepassing van die bepalingen. Het Hof merkt daarbij op dat deze ambtshalve aanvulling ook aangewezen is omdat die bepalingen de bescherming waarborgen van de rechten van niet bij de procedure betrokken internetgebruikers, die mogelijk belangstelling hebben voor de zoekresultaten waarvan verwijdering is verzocht.

Het Hof Den Haag beoordeelt dan, zoals in het arrest van 24 september jl. uiteengezet, of de zoekmachine gebruik kan maken van de uitzondering van het zwaarwegend algemeen belang van artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG. In het kader van deze beoordeling stelt het vast dat het weergeven van de desbetreffende zoekresultaten inderdaad moet worden aangemerkt als een verwerking die nodig is om redenen van zo een zwaarwegend algemeen belang. Verder stelt het vast dat er, zoals de verordening vereist, dat er inderdaad een grondslag voor is te vinden in het unie- of lidstatelijk recht, te weten in artikel 10 EVRM en artikel 11 van het Handvest. En daarbij voorziet dit lidstatelijk recht ook in de passende en specifieke maatregelen ter bescherming van de betrokkenen, die voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG. Een zo een maatregel is natuurlijk de mogelijkheid van betrokkenen om de door een zoekmachineaanbieder gemaakte afwegingen in rechte te laten toetsen.

Het arrest is om verschillende redenen van belang. Het erkent dat zoekmachines een belangrijke rol hebben in het maatschappelijk leven en nuanceert het uitgangspunt uit het Google/Costeja-arrest dat de privacyrechten van de betrokkene in de regel voorrang hebben op het belang van internetgebruikers om kennis te nemen van informatie waarvoor zij belangstelling hebben. Verder kan uit het arrest, in het bijzonder uit rechtsoverwegingen 46 en 47, worden opgemaakt dat de aanbieder van de zoekmachine moet voldoen aan verplichtingen uit de verordening, maar kennelijk alleen als dat kan binnen zijn verantwoordelijkheden, bevoegdheden en mogelijkheden. En dit betekent dat de aanbieder niet gehouden is al bij het doorzoeken en indexeren van het internet te voldoen aan deze verplichtingen, maar alleen als er een verwijderverzoek is gedaan. In zoverre geldt het verbod op verwerking van bijzondere en strafrechtelijke gegevens dus niet, zoals Dommering het zegt, in absolute vorm.[23] Wat dat betreft kan ook dit arrest, net als het arrest van dezelfde datum over de territoriale werking, wel degelijk worden opgevat als een overwinning van Google.[24]

Maar tegelijkertijd blijkt uit de beantwoording van de vragen over strafrechtelijke gegevens dat van de zoekmachineaanbieder meer wordt verwacht dan eerder werd aangenomen. Waar het gaat om strafrechtelijke gegevens heeft de aanbieder niet de vrijheid om zoekresultaten beschikbaar te stellen in de door hemzelf te bepalen volgorde. De aanbieder kan, na een afweging van alle belangen, ervoor kiezen om de zoekresultatenwel beschikbaar te stellen. Maar als hij daartoe overgaat moet hij ervoor zorgen dat ‘het algehele beeld dat hiermee voor de internetgebruiker wordt geschetst’ actueel is, wat zoveel betekent dat hij de zoekresultaten die verwijzen naar recente uitspraken eerder weergeeft dan de minder recente uitspraken. Ook als we accepteren dat een zoekmachine misschien nooit alleen maar een doorgeefluik is geweest – er worden nu eenmaal altijd keuzes gemaakt bij de volgorde waarop zoekresultaten worden weergegeven – dan nog is het wel wat dat zoekmachineaanbieders zo een actieve rol krijgen opgelegd. Voor de volgorde van strafrechtelijke uitspraken lijkt dat niet ondoenlijk. Een zorg is dat deze actieve rol ook wordt aangenomen bij de weergave van andersoortige zoekresultaten.

Eindnoten

1. Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van 25 september 2012, PB L-265 van 29.9.2012, aangepast op 26 november 2019 , PB L 316 van 6.12.2019, p. 103.

2. Voluit: Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG, 21.11.2018, PbEU L295.

3. Resp. HJEU 6 november 2003, C-101/01, ECLI:EU:C:2003:596 (Lindqvist); HJEU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google/Costeja); HJEU 11 december 2014, C-212/13, ECLI:EU:C:2014:2428 (Ryneš); HJEU 20 december 2017, C 434/16, ECLI:EU:C:2017:994 (Nowak).

4. Zie bijv. Hof Den Haag 24 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3539, overw. 4.4 t/m 4.8

5. GC/CNIL, overw. 24-30.

6. GC/CNIL, overw. 31.

7. GC/CNIL, overw. 35-37; Google/Costeja, overw. 25-41.

8. GC/CNIL, overw. 42-45.

9. GC/CNIL, overw. 62.

10. GC/CNIL, overw. 63.

11. GC/CNIL, overw. 65.

12. GC/CNIL, overw. 66.

13. GC/CNIL, overw. 68.

14. GC/CNIL, overw. 72.

15. GC/CNIL, overw. 75.

16. GC/CNIL, overw. 76; EHRM, 28 juni 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD006079810, overw. 89 en 100-102.

17. Conclusie A-G Jääskinen 25 juni 2013, C-131/12, ECLI:EU:C:2013:424, randnr. 90.

18. Zie daarover G-J. Zwenne, ‘Het vergeetrecht vijf jaar later’, AA2019/7, p. 604-614.

19. Rechtbank Rotterdam op 29 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2395, overw. 4.10.3.

20. Zie o.a. Rechtbank Den Haag 12 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:264, overw. 4.12-14; Rechtbank Midden-Nederland 20 februari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:805, overw. 4.8; zie ook Rechtbank Amsterdam 22 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3354 en ECLI:NL:RBAMS:2018:3355, overw. 4.5.

21. Zie Rechtbank Amsterdam 25 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2979, overw. 4.9: “De Franse Conseil d’Etat heeft in een niet onvergelijkbaar geval op 15 maart 2017 prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. Met partijen is ter zitting besproken of zij aanhouding van de zaak wensen totdat het HvJEU op de gestelde vragen heeft geantwoord. Partijen wensten hierop niet te wachten en worden in deze keuze gevolgd.”

22. Rechtbank Amsterdam 25 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018: 2979, overw. 4.6; in gelijke bewoordingen: Rechtbank Midden-Nederland 8 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2196, overw. 4.2; Rechtbank Amsterdam 15 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1644, overw. 4.5; Rechtbank Amsterdam 22 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3355, overw. 4.7 en ECLI:NL:RBAMS:2018:3357, overw. 4.6; Rechtbank Midden-Nederland 14 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5594, overw. 4.19.

23. Dommering in zijn annotatie bij het GC/CNIL-arrest, NJ 2019/435, par. 10.

24. Anders: G.H. Spruyt, ‘Begrenzing én versterking van het recht om vergeten te worden’, Tijdschrift voor internetrecht, 2019/6, p. 247.

 

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:EU:C:2019:773 - betekenis verbod op verwerking bijzondere en strafrechtelijke gegevens voor aanbieder internetzoekdiensten (GC/CNIL)

Auteur(s)

Gerrit-Jan Zwenne

Bron

Mediaforum, MF 2020/11, deLex

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT555:1