Samenvatting

Rechtsbescherming tegen de overheid vraagt om grenzen aan strafvorderlijk onderzoek. De huidige grenzen in het Wetboek van Strafvordering zijn ingegeven door een 20e eeuwse, plaatsgebonden kijk op gegevensopslag, vanuit de gedachte dat privégegevens vooral binnenshuis worden bewaard. Nu gegevensopslag mobiel is geworden – op laptops en smartphones, in de cloud – is een nieuw concept van ruimtelijke privacy nodig: een digitaal huisrecht. [1]

1 Inleiding

Een heet hangijzer in de huidige opsporing is het onderzoek aan in beslag genomen smartphones. Mag de politie bij aanhouding zonder meer een smartphone ‘uitlezen’ of is daarvoor een rechterlijke machtiging vereist? De rechtspraak denkt er verschillend over.[2] De discussie over smartphone-onderzoek bij aanhouding is een symptoom van een onderliggend en veel groter probleem. De wetgeving maakt onderscheid in doorzoekingen afhankelijk van de privacygevoeligheid van de plaats van doorzoeking. De wetgever gaat er daarbij impliciet van uit dat de privacygevoeligheid van het onderzoek van gegevensdragers samenhangt met die van de plaats waar de gegevensdrager wordt aangetroffen. Maar gegevensdragers – computers en geheugenkaarten – zijn inmiddels mobiel geworden. Gegevens die van oudsher thuis werden opgeslagen, zoals foto’s, boeken, brieven en dagboeken, worden meegenomen op de smartphone of in de cloud opgeslagen. De normering van het onderzoek van computers blijft vooralsnog echter gebaseerd op 20e -eeuwse aannames over hoe mensen gegevens opslaan, met een hoge bescherming voor computergegevens bij de doorzoeking van woningen, en een lage bescherming voor computergegevens buitenshuis. Voor een adequate, 21e -eeuwse rechtsbescherming, is een nieuw normatief kader nodig. In dit essay schets ik de contouren van zo’n kader, door actualisering van het concept van ruimtelijke privacy. Waar ruimtelijke privacy van oudsher vereenzelvigd is met het huisrecht, zou het in de 21e eeuw verbreed moeten worden. Op naar een digitaal huisrecht.

2 Achtergrond: rechtsbescherming bij strafvorderlijk onderzoek in computers

2.1 Wat maakt een computer bijzonder?

Onderzoek in computers wordt geregeld in een aparte afdeling binnen het Wetboek van Strafvordering (art. 125i e.v.). Kennelijk vormen computers een bijzonder ‘iets’ ten opzichte van andere dingen die opspoorders tegenkomen. Maar wat maakt de computer nu bijzonder?

De definitie van ‘geautomatiseerd werk’ wijst op drie basisfunctionaliteiten van computers: het opslaan van gegevens, het verwerken van gegevens en het overdragen van gegevens. Deze functionaliteiten zijn cumulatief; een digitale gegevensdrager, zoals een usbstaafje of een geheugenkaart, is dus geen geautomatiseerd werk. Bij de begripsbepaling van computers lijkt de nadruk te liggen op het geautomatiseerd verwerken van gegevens, zoals blijkt uit de voorgestelde definitie in het wetsvoorstel computercriminaliteit III: ‘Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken’ (voorgesteld art. 80sexies Sr). Vooral hierin verschilt de computer kennelijk van de gegevensdrager. Maar is gegevensverwerking nu het meest relevante aspect van computers in de context van opsporing? Strafvorderlijke autoriteiten zijn niet geïnteresseerd in hoe gegevens worden verwerkt, maar in de gegevens zelf. Het belangrijkste aspect van een computer voor de opsporing is dat het een opslagplaats is van gegevens. Met de opkomst van de cloud verandert dat enigszins, omdat de gegevens veelal niet meer op de computer zelf opgeslagen liggen, maar in de cloud. In die zin is de functionaliteit van overdracht van gegevens belangrijk. Maar overdracht als zodanig is niet het doorslaggevende element van computers – de wetgever maakt immers een systematisch onderscheid tussen onderzoek in geautomatiseerde werken en onderzoek van (tele)communicatie. Nu in het huidige computerlandschap opslag en communicatie steeds meer in elkaar overlopen, moet het onderscheid tussen opslag en overdracht misschien wel worden losgelaten, maar dat vergt een ingrijpende en fundamentele herziening van de wetgeving (niet alleen Sv maar ook de Grondwet, gezien de zelfstandige rol van artikel 13 Gw in de Nederlandse catalogus van grondrechten), waar de wetgever nog niet aan toe lijkt. Ervan uitgaande dat het onderscheid tussen opslag en communicatie blijft gehandhaafd, waarbij computers vooral geassocieerd worden met (onderzoek van) opgeslagen gegevens en communicatie met (onderzoek van) gegevens in overdracht, blijft de vraag wat nu de kern uitmaakt van computers in de context van opsporing. Mijns inziens is dat dan toch vooral het element van opslag.

2.2 De computer als gegevensdrager

Wat maakt computers nu anders dan niet-elektronische gegevensdragers, in de zin dat het een aparte regeling in strafvordering zou rechtvaardigen? Een aparte regeling van onderzoek in geautomatiseerde werken suggereert dat digitaal opgeslagen of verwerkte gegevens anders zijn dan analoog opgeslagen of verwerkte gegevens. Maar gegevens zijn gegevens: een papieren boek bevat dezelfde gegevens als een e-boek; een papieren afdruk van een digitale foto, een tekstdocument of een rekenblad-bestand geeft dezelfde gegevens weer als de digitaal opgeslagen variant. Kennelijk is er toch iets wat een verschil in behandeling rechtvaardigt.

Een plausibele verklaring is dat computers en digitale gegevensdragers een grote hoeveelheid gegevens bevatten, op een relatief kleine drager, en dat het verschil tussen digitale opslag en analoge opslag, gezien de wet van Moore (elke twee jaar verdubbelt de digitale opslagcapaciteit), steeds groter is geworden. Een verzameling encyclopedieën past inmiddels op een geheugenkaart van twee vierkante centimeter (en dan is er nog ruimte over voor de complete administratie van een gemiddelde verdachte). Dit heeft tot gevolg dat de praktijk van doorzoeking en inbeslagneming is veranderd: er zijn natuurlijke grenzen aan het inbeslagnemen en handmatig doorzoeken van analoge gegevensdragers, die zijn weggevallen bij de transitie naar digitale gegevensdragers. Bij een doorzoeking is het, anders dan bij een boekenkast of stellingkast met ordners, nauwelijks mogelijk om snel een (grove) selectie te maken van de papieren of mappen die het meest relevant lijken voor het onderzoek; daarom wordt de hele digitale gegevensdrager in beslag genomen of gekopieerd, en pas achteraf – gefaciliteerd door automatische zoekfuncties – onderzocht. Ook het feit dat digitaal opgeslagen gegevens eenvoudig en snel gekopieerd kunnen worden, maakt het praktisch mogelijk om alles mee te nemen voor later onderzoek, zonder afbreuk te doen aan de beschikkingsmacht van de rechthebbende over de gegevens, wat met papier (althans als het gaat om veel gegevens) nauwelijks mogelijk is.

De computer kan dus worden gezien als een bijzonder type gegevensdrager, vanwege de enorme hoeveelheid gegevens erop die (als kopie of met de gegevensdrager zelf) veelal integraal worden meegenomen voor later onderzoek. Op dit punt toont zich een discrepantie in de wetgeving: de computer wordt wel als een bijzonder object beschouwd in de regeling van doorzoeking en inbeslagneming, maar niet in de regeling van uitlevering van voorwerpen of onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen. Deze laatste maken geen onderscheid tussen gereedschappen, kleding, papier en computers. Dat is inconsequent. Als computers bijzondere voorwerpen zijn binnen de doorzoeking, moeten zij dat ook zijn bij alle andere situaties waarbij computers strafvorderlijk worden onderzocht.

2.3 De computer als omgeving

Terug naar de ratio van de bijzondere positie van computers. Los van de enorme opslagcapaciteit zijn computers ook bijzonder omdat zij externe toegang, zonder fysieke nabijheid, faciliteren. De overdrachtsfunctionaliteit faciliteert niet alleen communicatie (in de zin van uitwisseling van berichten met anderen) maar ook externe opslag en externe toegang. Dat werkt twee kanten op. Ten eerste kunnen vanuit een computer gegevens extern worden opgeslagen – dat is de reden waarom de netwerkzoeking is ingevoerd. Ten tweede kan de computer van afstand worden doorzocht – daarom wordt nu gediscussieerd over de heimelijke doorzoeking van computers op afstand (voorgesteld artikel 126nba Sv, Computercriminaliteit III). Anders dan papieren gegevensdragers, zijn computers als opslagmiddel onderdeel van een netwerk. Niet voor niets spreekt de in Nederland voorgestelde nieuwe definitie van een ‘apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten’. Het betekent dat de band tussen gegevens en gegevensdrager losser is dan bij papieren of andere analoge gegevensdragers: de gegevens kunnen eenvoudig van het ene naar het andere knooppunt in het netwerk worden overgedragen. Dat maakt de computer als opslagplaats van gegevens ook minder tot een object in de zin van een voorwerp: de grenzen ervan zijn niet eenvoudig vast te stellen, omdat ze niet samenvallen met de fysieke grenzen van het enkele apparaat. De computer als onderzoeksobject is in dat opzicht meer een sfeer of een omgeving dan een ding.

Deze conceptualisering – de computer als omgeving met een enorme opslagcapaciteit – heeft belangrijke gevolgen voor rechtsbescherming. Omdat onderzoek van computers veelal leidt tot het overnemen van alle gegevens voor later onderzoek, komen veel meer gegevens, waaronder meer niet-relevante gegevens, in bezit van de opsporingsinstantie dan voorheen het geval was met analoge gegevensdragers. Bovendien schept de overdrachtsfunctionaliteit mogelijkheden voor toegang op afstand, waardoor nieuwe onderzoeksmethoden (zoals een heimelijke doorzoeking) in beeld komen. Nu heeft de wetgever het onderzoek van computers met de nodige waarborgen omkleed, maar dat is niet gebeurd vanuit een systematische visie op de rol van computers in de opsporing. Volgens mij is de tijd rijp voor een nieuw normatief kader waarbinnen computers kunnen worden gepositioneerd. In de volgende paragraaf schets ik de hoofdlijnen van wat volgens mij een geschikt, toekomstbestendig conceptueel kader kan zijn om computeronderzoek te normeren.

3 Naar een digitaal huisrecht

3.1 Het te beschermen belang

Met de toenemende digitalisering levert een onderzoek van computers, gezien de hoeveelheid en aard van de daarin of daarmee opgeslagen gegevens, een diep inzicht in de persoonlijke levenssfeer van burgers – dieper dan vrijwel elke andere opsporingsmethode zou kunnen opleveren, en dieper dan in het analoge tijdperk menselijkerwijs mogelijk was. Zoals het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft opgemerkt: ‘a cell phone search would typically expose to the government far more than the most exhaustive search of a house’.[3]

Het onderzoek in computers moet daarom worden genormeerd en beperkt tot wat noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het rechtsgoed dat beschermd moet worden is daarbij vooral de vertrouwelijkheid van de opgeslagen gegevens tegen onbevoegde kennisneming: het gaat primair om een privacybelang. Daarnaast is er het rechtsgoed van de integriteit van opgeslagen gegevens en van de programmatuur (ofwel van de computer als gegevensverwerkingsapparaat). Dat speelt vooral een rol bij heimelijke toegang op afstand; het is minder prominent aan de orde als te beschermen belang bij de meeste andere vormen van computeronderzoek. Ook het derde aspect van informatiebeveiliging, de beschikbaarheid van gegevens, is een beschermwaardig rechtsgoed; dat uit zich in subsidiariteitsvragen of de computer in beslag mag worden genomen (waarmee de gegevens niet meer beschikbaar zijn voor de computerbezitter) dan wel de gegevens kunnen worden gekopieerd. Hoewel de drie aspecten van vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid niet geheel te scheiden zijn, concentreer ik mij verder op het belangrijkste aspect, de vertrouwelijkheid.

De vertrouwelijkheid van computergegevens wordt in de huidige wettelijke regeling vooral beschermd vanuit de plaats waar ze zijn opgeslagen. Dat volgt uit de systematiek van de doorzoekingsbevoegdheden, die onderscheid maken tussen de plaatsen waar mag worden gezocht — een woning, andere niet-publieke plaatsen, een vervoermiddel — waarbij de ter plaatse aanwezige computers en digitale gegevensdragers evenzeer mogen worden onderzocht als andere aanwezige objecten. Het betekent dat een computer in een woning een hogere bescherming kent dan een laptop in een auto of een smartphone in de jaszak of handtas. Met het mobiel worden van gegevensopslag (via laptops, tablets, smartphones en cloud) is de plaats van een doorzoeking echter niet langer een geschikt aanknopingspunt voor rechtsbescherming. Ten tijde van de Wet computercriminaliteit (1993) dacht men bij computers nog vooral aan vaste bureaucomputers, en de opslagcapaciteit van de toenmalige ‘floppies’ (wie kent ze nog?) was beperkt, zodat de meeste computergegevens thuis lagen opgeslagen en thuis bleven wanneer de bewoner op pad ging. In die context was het geen onlogische keuze om computergegevens grotendeels vanuit het huisrecht te beschermen. Nu het computerlandschap drastisch is veranderd, is de woning echter niet langer geschikt als kapstok om de rechtsbescherming van computergegevens aan op te hangen. Er is een nieuwe kapstok nodig.

3.2. Welk aanknopingspunt?

De computer zou zelf zo’n nieuwe kapstok kunnen zijn. In Duitsland heeft het constitutionele hof een nieuw grondrecht in de Duitse grondwet ingelezen: het grondrecht op de vertrouwelijkheid en integriteit van computersystemen.[4] Volgens het hof bieden de bestaande grondrechten van huisrecht en bescherming van communicatie onvoldoende bescherming tegen het op afstand binnendringen in computers door de overheid; het gat in rechtsbescherming wordt gevuld door dit nieuwe grondrecht, als onderdeel van de open norm van het persoonlijkheidsrecht. De Nederlandse (grond)wetgever doet er goed aan te overdenken of en hoe een soortgelijk grondrecht in de bestaande grondrechtencatalogus kan worden ingelezen dan wel als nieuw grondrecht kan worden ingevoerd.

Is nu de computer de meest geëigende kapstok voor een nieuw grondrecht? Aangezien de computer niet alleen een ding is, maar ook een omgeving vanwege de verknooptheid in een netwerk, is de grens van de computer niet eenvoudig af te bakenen. De wettelijke definitie geeft geen duidelijke begrenzing aan, door de uitbreiding tot een ‘groep van apparaten’. Tegelijk geldt de behoefte aan rechtsbescherming evenzeer voor digitale gegevensdragers met grote opslagcapaciteit die zelf geen computer zijn, zoals een usb-staafje of geheugenkaart, en voor gegevens die extern – ergens ‘in de cloud’ – liggen opgeslagen. Daarentegen geldt de behoefte aan sterke rechtsbescherming minder (hoewel deze niet geheel afwezig is) voor apparaten die wel onder de wettelijke definitie van geautomatiseerd werk vallen, maar die niet hetzelfde karakter hebben als computers in de zin van een omgeving voor grootschalige gegevensopslag. Een slimme koelkast of autonavigatiesysteem, die ook onder de definitie van ‘geautomatiseerd werk’ vallen, is niet hetzelfde als een smartphone of laptop waar het gaat om privacybescherming. Om al deze redenen zou het aanknopingspunt voor bescherming mijns inziens iets abstracter moeten zijn dan de computer zoals die in de huidige wetgeving wordt geconceptualiseerd.

3.3 Herconceptualisering van ruimtelijke privacy

Waar zouden we een grondrechtelijke bescherming van opgeslagen computergegevens moeten situeren? Het is behulpzaam om hier de typologie van privacy te gebruiken die mijn collega’s en ik hebben ontwikkeld,[5] waarin privacytypen zijn gegroepeerd langs een spectrum van interactie met de omgeving, lopend van een strikt persoonlijke sfeer tot aan een publieke sfeer (figuur 1).

Koops afbeelding 1 digitaal huisrecht

Figuur 1. Typologie van privacy. Bron: B.J. Koops e.a., 'A Typology of Privacy', 38 U. Pa. J. Int’l L. __ (te verschijnen)

Tussen de persoonlijke en de publieke sfeer staan de intieme sfeer, waarbij de interactie met de omgeving beperkt is tot familie en vrienden, en de semi-private sfeer, waarin iemand communiceert met een bredere cirkel van mensen (maar zonder in de publieke sfeer te treden). Het prototype van privacy in de intieme sfeer is de ruimtelijke privacy, die met name wordt beschermd door het huisrecht; het prototype in de semi-private sfeer is de communicatieve privacy, die wordt beschermd door het recht op vertrouwelijkheid van communicatie.

De lacune in rechtsbescherming voor opgeslagen computergegevens is vooral ontstaan doordat gegevens uit de intieme sfeer (denk aan boeken, foto’s, muziek, dagboeken, administratie, bewaarde brieven), die voorheen grotendeels thuis werden bewaard en dus werden beschermd door het huisrecht, nu mobiel zijn geworden. De manier waarop de ruimtelijke privacy rechtens wordt beschermd – het huisrecht – is daarmee deels achterhaald geraakt: vanzelfsprekend is er nog steeds behoefte aan het huisrecht om burgers te beschermen tegen binnentreden in de woning, maar de bescherming tegen kennisneming van gegevens uit de intieme sfeer wordt niet langer afdoende gedekt vanuit een ruimtelijke privacy die uitgaat van een correlatie tussen de privacygevoeligheid van gegevensdragers en de plaats waar die gegevensdragers worden aangetroffen.

Tegen die achtergrond wordt duidelijk dat de nieuwe bescherming te situeren valt in de intieme sfeer, via een nieuwe conceptualisering van de ruimtelijke privacy. Er is behoefte aan een huisrecht 2.0: bescherming van de ruimte waarin gegevens uit de intieme sfeer opgeslagen liggen. Dat is geen fysieke ruimte zoals de woning dat is, maar een abstracte ruimte (zoals cyberspace een abstracte ruimte is). De kern van het huisrecht is het ius excludendi: het recht te bepalen wie je in je eigen ruimte (de woning) wilt binnenlaten. Evenzo zou de kern van het digitale huisrecht het ius excludendi met betrekking tot gegevens uit de intieme sfeer moeten zijn: het recht te bepalen wie je toegang geeft tot dat deel van cyberspace waarover je zelf kunt beschikken. Lorenzo Picotti omschrijft dit, in zijn conceptualisering van het rechtsgoed dat de Italiaanse computercriminaliteitswetgeving beoogt te beschermen, als volgt:

‘Het gaat om een bijzondere sfeer van bescherming, waarop iedere persoon recht heeft in Cyberspace, die zich vertaalt in de macht om derden uit te sluiten en om gevrijwaard te blijven tegen ongewenste inbreuken en mogelijk schadelijke of althans niet-consensuele inmengingen, om een vrije, autonome en veilige eigen “informaticaruimte” te waarborgen, waarin de eigen persoonlijkheid zich zonder belemmeringen kan ontwikkelen’.[6]

Picotti noemt dit een ‘cybernetische ruimte’ (en bewust geen ‘virtuele ruimte’, omdat het om een reële ruimte gaat). Deze valt niet samen met een specifiek geautomatiseerd werk, maar wordt gevormd door het geheel aan computer- en server-ruimte (inclusief servers van dienstaanbieders), met inbegrip van de daarin opgeslagen gegevens, waarover een persoon het ius excludendi kan uitoefenen: ‘de essentie is dat het een veilige ruimte is, gereserveerd voor de exclusieve beschikkingsmacht van de gerechtigde, en beschermd tegen inmengingen van buiten die ongewenst zijn of waarvoor althans niet uitdrukkelijk toestemming is gegeven.’[7]

4 Conclusie

De tijd is rijp om een digitaal huisrecht in te voeren, dat de digitale ruimte beschermt waarover een burger de exclusieve beschikkingsmacht kan uitoefenen. Het afbakenen en operationaliseren van die exclusieve digitale ruimte zal geen sinecure zijn, maar dat betekent niet dat het geen vruchtbaar concept kan zijn in de rechtsontwikkeling. Het huisrecht geldt per slot van rekening ook niet voor een simpel concept van ‘huis’, maar voor een veelzijdig en context-afhankelijk concept van ‘woning’, waaronder ook caravans, tenten en zelfs afgesloten kuilen in een veld kunnen vallen. Het feit dat een deel van de digitale ruimte niet volledig exclusief aan een persoon toebehoort, zoals bij in de cloud opgeslagen gegevens het geval is, is evenmin een doorslaggevend bezwaar: een hotelkamer wordt beschermd door het huisrecht, ondanks het feit dat een hotelgast de beschikkingsmacht over de hotelkamer deelt met de hoteleigenaar. In de cloud opgeslagen gegevens kunnen daarom evenzeer door een digitaal huisrecht worden beschermd, mits het aan derden voldoende duidelijk is dat de rechthebbende exclusieve beschikkingsmacht wil uitoefenen, bijvoorbeeld door beveiliging met een wachtwoord. Ook het feit dat de eigen digitale ruimte soms wordt gedeeld met anderen (zoals een laptop die door huisgenoten gezamenlijk wordt gebruikt, of een cloud-account waar iemand anderen toegang toe verleent) is niet per se een reden om digitaal huisrecht te ontzeggen: een woning wordt immers ook vaak gedeeld, en iemand die een (reserve)sleutel geeft aan de AirBNB-gasten die tijdelijk in de woning zullen verblijven, verliest ook niet aanspraak op zijn huisrecht.

Het zal nog het nodige onderzoek en veel discussie vergen voordat een dergelijk digitaal huisrecht kan worden ingevoerd. Wat behoort wel en niet tot de exclusieve eigen digitale ruimte? Hoe sterk moet deze ruimte worden beschermd tegen inmenging door opsporingsdiensten? Welke inbreuken op het digitale huisrecht zijn onder welke voorwaarden aanvaardbaar? Zou het digitaal huisrecht een sui generis-recht moeten zijn, of kan het worden geïntegreerd met het huisrecht tot een generieke bescherming van de intieme ruimte?

Dit zijn geen eenvoudig te beantwoorden vragen, maar het concept van een digitaal huisrecht biedt wel een stevige basis om deze vragen te bediscussiëren, vanuit een visie op privacybescherming die niet blijft steken in 20e -eeuwse grondrechten, maar vooruitkijkt en rekening houdt met wat beschermwaardig is in het 21e -eeuwse computerlandschap.

5 Eindnoten

1. Hoogleraar regulering van technologie, TILT—Tilburg Institute for Law, Technology, and Society, Tilburg University, en Distinguished Lorentz Fellow 2016/17, NIAS. Dit essay is een licht bewerkt onderdeel van een preadvies voor de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht (B.J. Koops, C. Conings & F. Verbruggen, Zoeken in computers naar Nederlands en Belgisch recht. Welke plaats hebben ‘digitale plaatsen’ in de systematiek van opsporingsbevoegdheden?, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2016). Het is geschreven in het kader van een NWO-VICI-project, nr. 453-14-004.

2. Zie ECLI:NL:GHARL:2015:2954 (smartphone-onderzoek vergt rechterlijke machtiging) tegenover o.a. ECLI:NL:RBOBR:2015:3228, ECLI:NL:RBNHO:2015:5447, ECLI:NL:RBLIM:2015:9128 (smartphone is gewoon voorwerp). Met spanning wordt uitgekeken naar de uitspraken van de Hoge Raad in drie zaken, waaronder eerstgenoemde. De Advocaat-Generaal stelt een interessant, pragmatisch onderscheid voor: vluchtig onderzoek is mogelijk door de inbeslagnemende autoriteit, voor onderzoek met verdergaande strekking en intensievere zoekmethoden is voorafgaande rechterlijke machtiging nodig (of andere, bij wet te regelen, afdoende waarborgen). Zie ECLI:NL:PHR:2016:1047, 10481049.

3. Riley v. California, 573 U.S. __ (2014).

4. BVerfG 27 februari 2008, 1 BvR 370/07, ECLI:DE:BverfG:2008:rs20080227.1bvr037007.

5. B.J. Koops e.a., ‘A Typology of Privacy’, University of Pennsylvania Journal of International Law Vol. 38 nr. 2 (te verschijnen).

6. L. Picotti, ‘La tutela penale della persona e le nuove tecnologie dell’informazione’, in: L. Picotti (ed.), Tutela penale della persona e nuove tecnologie, s.l., CEDAM, 2013, p. 29-75 op p. 59-60 (cursivering weggelaten; mijn vertaling, BJK).

7. Ibid., p. 60 (cursivering weggelaten).

 

Titel, auteur en bron

Titel

Digitaal huisrecht

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT128:1