Noot bij ECLI:NL:HR:2017:2789 - aansprakelijkheid Staat voor schade aan gehuurde bij inval

Auteur(s): Bron:
  • Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte, TvHB 2018/ 5, Uitgeverij Den Hollander

Samenvatting

Aansprakelijkheid van de Staat jegens verhuurder voor schade aan verhuurde zaak als gevolg van rechtmatig strafvorderlijk optreden jegens huurder. Niet-toepasselijkheid van toerekeningsregel van art. 6:101 lid 2 BW.

1

Dit arrest past in een reeks beslissingen over schade geleden door anderen dan de verdachte(n), als gevolg van strafvorderlijk optreden van de Staat (OM en politie). Misschien vormt het wel het sluitstuk van deze reeks, althans: als het gaat om schade toegebracht aan verhuurders in verband met strafvorderlijk optreden tegen hun huurder(s) en tegen “de zijnen”.

De reeks begint met beslissingen over de vraag – het ligt voor de hand – of de Staat “überhaupt” wel aansprakelijk gesteld kan worden voor het legitieme strafvorderlijke optreden van zijn organen. Dat optreden is immers, zou je (kunnen) denken, niet “onrechtmatig”: het gaat om rechtmatige uitoefening van overheidsmacht bij de behartiging van een alleszins wezenlijke overheidstaak. Dan spreekt het toch niet vanzelf dat het teweeg brengen van schade bij deze handelwijze (mits de Staat “legitiem” handelt, een bijstelling die ik niet telkens zal herhalen), onrechtmatig zou zijn. Maar al geruime tijd staat vast dat dit inderdaad zo is, zie bijvoorbeeld HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801, NJ 2003, 615 m.nt. M. Scheltema, rov. 3.8. Als de Staat bij de overigens rechtmatige uitoefening van zijn strafvorderlijke taken schade bewerkstelligt die ten opzichte van de getroffen derde (dus niet: de verdachte) onevenredig nadeel oplevert, is dat jegens die getroffene onrechtmatig. En onevenredig is dergelijke schade als die valt buiten het kader van het “normale” maatschappelijke- of bedrijfsrisico.[1]

De regel die we in het arrest van 30 maart 2001 lezen kwam overigens niet uit de lucht vallen: die greep terug op eerdere rechtspraak van de Hoge Raad en van de ABRvS, zie zowel de conclusie voor het arrest als de noot van Scheltema.

2

So far, so good.[2] Maar het blijkt nogal eens mogelijk te zijn dat de aangesproken Staat een beroep doet op het leerstuk van de “eigen schuld” aan de kant van de benadeelde, oftewel op de regel die in art. 6:101 BW staat. De schade is dan – volgens de Staat – mede, of zelfs in overwegende mate, te wijten aan oorzaken die moeten worden toegerekend aan de benadeelde zelf. En in dat geval moet de schade tussen de verschillende veroorzakende partijen worden verdeeld naar de mate waarin de aan die partijen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (de zogenaamde “causaliteitsafweging”). Maar de uitkomst van die afweging kan weer worden gecorrigeerd aan de hand van een nadere weging van billijkheidsargumenten. Dat alles staat (al) in art. 6:101 lid 1 BW. Men denkt allicht dat dat een lastig reeksje afwegingen is; en dat is ook zo, zie bijvoorbeeld Asser/Sieburgh 6-II, 2017, nrs. 107-124.

En dan wordt het nog iets lastiger door de regel van art. 6:101 lid 2 BW: als de schade intreedt aan een zaak die een derde voor de benadeelde in zijn macht heeft, mogen de omstandigheden die aan die derde toerekenbaar zijn (en die de schade mede hebben veroorzaakt), ook aan de benadeelde worden toegerekend.

3

Na het arrest uit 2001 heeft de Staat meer dan eens geprobeerd om met een beroep op de uitzonderingsregels die art. 6:101 BW mede inhoudt, te ontkomen aan de aansprakelijkheid die bij – onder meer – dat arrest werd aangenomen. Het gaat dan onder andere om HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7887, NJ 2005, 392, m.nt. J.B.M. Vranken: zaaksbeschadiging als gevolg van strafvorderlijk optreden valt niet (zonder meer, zegt de Hoge Raad voorzichtig) onder het normale maatschappelijke- of bedrijfsrisico, anders dan sommige minder ingrijpende schadesoorten zoals (enige) hinder; dus voor schade in de vorm van zaaksbeschadiging draait de Staat in beginsel op. Het ging overigens (ook) in deze zaak niet om schade van een verhuurder als gevolg van het politieoptreden tegen de huurder, maar om schade van een medebewoonster van de verdachte. In die zaak had het hof wel aan de benadeelde als “eigen schuld” toegerekend dat de verdachte bij haar inwoonde (en dat werd in cassatie niet bestreden).

4

Een volgende zaak waarnaar ook in het hier becommentarieerde arrest (het arrest van 27 oktober 2017) wordt verwezen, is HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1708, NJ 2010, 95, m.nt. C. E. Du Perron. Hier was de benadeelde wél een verhuurder, en wel: een grote corporatie, Wherestad. De Staat verdedigde (dus) dat bij een dergelijke partij zaaksbeschadiging als gevolg van strafvorderlijk optreden tegen de huurder(s) wél tot het normale bedrijfsrisico is te rekenen; maar dat aanvaardde de Hoge Raad niet. Maar de Hoge Raad casseerde de voor de verhuurder positieve beslissing van het hof toch, omdat het hof ervan was uitgegaan dat een beroep op art. 6:101 lid 2 BW (Weet U het nog? Toerekening van omstandigheden aan de kant van een derde die de zaak voor de benadeelde in zijn macht heeft, aan die benadeelde) hier niet op ging, omdat er geen sprake van was dat in de verhouding tussen de derde en de benadeelde vrijwaring was overeengekomen (of overigens gold). Dat beoordeelde de HR als een te beperkte uitleg van het desbetreffende artikel.U vraagt zich misschien af wat het hof tot deze bijzondere uitleg had gebracht, maar dat valt wel te begrijpen: de parlementaire geschiedenis bij art. 6:101 lid 2 BW noemt met name het geval dat er wél aansprakelijkheids-uitsluiting (“vrijwaring”) tussen de derde en de benadeelde geldt, als een geval waarin de hier gegeven regel beoogt te voorzien. Vergezocht, inderdaad, maar zo luidde de toelichtende tekst toch echt. Vandaar.

5

Met deze beslissing in de hand, kon de Staat er allicht op hopen dat het criminele gedrag van huurders dat tot politieoptreden (met zaaksbeschadiging als gevolg) leidde, wél aan de verhuurder, of in elk geval aan de professionele verhuurder, mocht worden toegerekend. Ga maar na: de verhuurder heeft het huurobject in de macht van de huurder gebracht, en dat die huurder de verdenking van criminele activiteit op zich laadt, is toch echt een aan deze toe te rekenen omstandigheid (nu ja: een vindingrijke jurist kan misschien een uitzonderingsgeval bedenken, maar het uitgangspunt is toch heel verdedigbaar).

Intussen putte de Staat ook moed uit de zaak van HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7887, en verdedigde op de voet daarvan dat aan de levenspartner en het (piepjonge) kind van een verdachte mocht worden toegerekend dat deze verdachte, tevens huisgenoot van de levenspartner en het kind, strafvorderlijk optreden over zich had afgeroepen; maar die vlieger ging niet op, HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7396, NJ 2014, 467, m.nt. J.B.M. Vranken.

6

Als U vindt dat de hier in grote trekken geschetste ontwikkeling geen erg duidelijk beeld oplevert, is dat U niet kwalijk te nemen. Wel duidelijk is de (vuist)regel dat zaaksbeschadiging géén normaal maatschappelijk- of bedrijfsrisico oplevert, ook niet bij grote verhuurders die dat risico allicht van tijd tot tijd zich zien verwezenlijken (en, zo verdedigde de Staat: die zich daartegen kunnen “indekken”, bijvoorbeeld door een reserve voor dit soort schade te vormen). Maar hoe het nu zit met de regeling van de “eigen schuld”, was na de besproken reeks beslissingen verre van duidelijk. Ook grote professionele verhuurders behoefden dus zaaksbeschadiging niet als “normaal” risico voor hun rekening te nemen – maar hoe zat het nu met de toerekening van het risico dat de huurder wel eens een crimineel zou kunnen blijken te zijn (of van criminaliteit verdacht kan worden)?

Na het arrest van 27 oktober 2017 weten we dat dus. De regel van art. 6:101 lid 2 BW, toerekening van de omstandigheden bij de derde-houder aan de benadeelde eigenaar, is niet bedoeld voor het geval van veroorzaking van beschadiging van zaken door strafvorderlijk optreden – aan dat geval heeft de wetgever hierbij niet gedacht, oordeelt de Hoge Raad in rov. 3.4.4. En anders dan het arrest van 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1708 zou kunnen doen denken, mag in dit kader een huurder niet worden aangemerkt als iemand wiens handelen (of wiens “omstandigheden” overigens) aan de benadeelde verhuurder mag/mogen worden toegerekend.

Een onduidelijkheid die Du Perron in zijn noot onder het arrest van 2009 bespreekt, wordt daarmee opgehelderd. Du Perron las in dit arrest – ik denk: met recht – dat de Staat zich in beginsel als het om strafvorderlijk optreden tegen een huurder gaat, wél op art. 6:101 lid 2 BW mag beroepen; wat zou betekenen dat het vervolgens van de toepassing van de “billijkheidscorrectie” van art. 6:101 lid 1 BW zou af hangen, wie uiteindelijk voor (welk deel van) de schade zou opdraaien – en dit zonder dat er noemenswaardige aanwijzingen bestaan over hoe de billijkheidscorrectie in gevallen als deze zou moeten worden toegepast, zodat de uitkomst in elk concreet geval meer weg zou hebben van een loterij, dan met een behoorlijke rechtstoepassing te verenigen is. De plv. PG oordeelde overigens in zijn conclusie voor het arrest van 27 oktober in nrs. 2.17 en 2.18 – als ik het goed lees: met tegenzin – voor de weg die ook in de noot van Du Perron wordt beschreven –, maar de Hoge Raad heeft dus anders beslist; en in rov. 3.4.4 neemt de Hoge Raad ook expliciet afstand van het uitgangspunt dat men in het arrest van 2009 zou kunnen lezen.

7

Meer duidelijkheid dus. Bij zaaksbeschadiging als gevolg van strafvorderlijk optreden is de kans dat de Staat zich er op kan beroepen dat dit tot het normale risico van de benadeelde (die niet de verdachte is) behoort, inmiddels als verwaarloosbaar klein aan te merken. Dat geldt ook als de benadeelde een verhuurder is, of die nu groot is of klein, en commercieel of “sociaal”. In het cassatiemiddel dat in het arrest van 27 oktober 2017 werd beoordeeld, had de Staat (ook) verdedigd dat het feit dat het in die zaak niet om een “sociale” verhuurder ging, in aanmerking had moeten worden genomen om tot een andere beoordeling te komen, maar die klacht is door de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO – dus: ongemotiveerd – verworpen.

En vervolgens: art. 6:101 lid 2 BW is dus niet van toepassing op de verhouding verhuurder/huurder.

Dan lijkt de conclusie gerechtvaardigd die Du Perron in de noot bij HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1708 heeft aanbevolen: pas als de verhuurder zelf, dan wel personen wier bemoeienissen aan de verhuurder toerekenbaar zijn, enige betrokkenheid had(den) bij de gebeurtenissen die tot strafvorderlijk optreden aanleiding vormden, is er plaats voor het afdingen op de aansprakelijkheid van de Staat voor bij dat optreden teweeg gebrachte beschadiging. Maar ik denk wel dat “betrokkenheid” in dit verband ook het geval insluit, dat aan de verhuurder (of “de zijnen”) wezenlijk tekortschieten bij het kiezen van personen aan wie verhuurd wordt, is toe te rekenen – al is de mate van zorgvuldigheid die hier verlangd mag worden ongetwijfeld niet heel ruim. Er moet, zal ik maar zeggen, van een “koe van een fout” sprake zijn.

8

De casuïstiek laat zien dat zaaksbeschadiging met enige regelmaat voorkomt als het om strafvorderlijk optreden gaat. De aansprakelijkheid van de Staat daarvoor is dus inmiddels wel verduidelijkt. Maar de oplettende lezer vraagt zich allicht af hoe het dan zit met andere denkbare gevallen waarin de overheid zich in de uitoefening van haar taken en bevoegdheden genoodzaakt ziet om andermans spullen te beschadigen. Ik noem maar een voorbeeld: de brandweer veroorzaakt (zaaks-)schade bij de bestrijding van brand of bij het redden van hulpbehoevenden. Hulpdiensten rukken uit naar het verkeerde adres, en forceren daar de deur (ik was toevallig bij dit geval betrokken, het kan echt). Liggen de verhoudingen daar anders? In de besproken reeks arresten is overwogen dat de beoordeling van wanneer risico’s aan de benadeelden moeten worden toegerekend en wanneer die als “risico van ons allen” voor rekening van de Staat moeten komen, aan de hand van een weging van alle omstandigheden moet plaatsvinden, waaronder bijvoorbeeld: het gewicht van de belangen die met het optreden van de Staat gemoeid zijn. Het is dus op zichzelf denkbaar dat deze afweging in andere gevallen dan die van strafvorderlijk optreden, anders uitvalt. Maar ik ben bereid het gokje te wagen dat zo’n geval zich tot in de verre toekomst niet gaat aandienen. Het risico van zaaksbeschadiging moet in de hier veronderstelde gevallen dus waarschijnlijk net zo worden beoordeeld als in het geval van strafvorderlijk optreden. En de regel van art. 6:101 lid 2 BW? In het arrest van 27 oktober 2017 neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de wetgever bij het aanvaarden van die regel niet aan strafvorderlijk optreden heeft gedacht. Wéér een gokje: ik denk dat die wetgever ook niet heeft gedacht aan de gevallen die wij hier onder ogen zien. Dus ook wat dat betreft verwacht ik niet dat er al gauw een uitzonderingsgeval zal worden gesignaleerd.[3]

9 Eindnoten

1. In laatstgenoemd arrest verschilde de casus overigens op enigszins verrassende wijze van het “normaaltype” van wat we aan schade in de verhouding huurder/verhuurder gewend zijn: de benadeelde was een huurder, die schade leed als gevolg van een politie-inval die gericht was op criminele activiteiten van de verhuurder. De praktijk blijkt toch telkens weer gekker dan de theoretici (kunnen) bedenken.

2. Nu ja. Op de hier neergeschreven constructie dat de handelwijze van de Staat daadwerkelijk als “onrechtmatig” moet worden aangemerkt (en niet, bijvoorbeeld, als een vorm van rechtmatig optreden waarvoor desondanks met het oog op de “égalité devant les charges publiques” aansprakelijkheid moet worden aangenomen) bestaat veel kritiek, zie bijv. alinea 15 van de noot van Vranken onder HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7887, NJ 2005, 392. Die kritiek geldt dan echter veelal niet de uitkomst – namelijk dat de Staat aansprakelijk is –, maar de weg die de Hoge Raad daarvoor aanwijst.

3. Toon Huydecoper is tot 1 januari 2013 Advocaat-Generaal geweest bij de Hoge Raad.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:HR:2017:2789 - aansprakelijkheid Staat voor schade aan gehuurde bij inval

Auteur(s)

Toon Huydecoper

Bron

Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte, TvHB 2018/ 5, Uitgeverij Den Hollander

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT75:1