De vormgeving van structurele medezeggenschap

Auteur(s): Bron:

Samenvatting

Op het in de Wet op de ondernemingsraden (WOR) neergelegde uitgangspunt dat bij een onderneming waar meer dan 50 personen werkzaam zijn, een ondernemingsraad (OR) moet worden ingesteld, zijn veel varianten en aanvullingen mogelijk. Zo kan bijvoorbeeld een Onderdeelsondernemingsraad, een Gemeenschappelijke Ondernemingsraad (GeOR of GemOR), een Groepsondernemingsraad (GOR) of een Centrale Ondernemingsraad (COR) worden ingesteld. De WOR geeft de ondernemer de ruimte om een structuur van medezeggenschap te organiseren die past bij zijn organisatie, waarbij steeds het uitgangspunt is dat deze structuur bevorderlijk moet zijn voor een goede toepassing van de WOR. In deze bijdrage zullen wij ingaan op de medezeggenschapsstructuren en de (verdeling van) arbeidsrechtelijke medezeggenschapsrechten die hierbij komen kijken, alsmede op de vraag welke medezeggenschapsstructuur in welke situatie het meest recht doet aan het uitgangspunt van de WOR.[1]

1. OR en Onderdeelsondernemingsraad

Waar tot 1998 nog de verplichting gold om bij een onderneming waar meer dan 35 personen werkzaam zijn een OR in te stellen, kent de WOR sinds 1998 de wettelijke verplichting om ‘in het belang van het goed functioneren van de onderneming in al haar doelstellingen’ een OR in te stellen als in de onderneming in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn (art. 2 WOR). De OR vervult een dubbele functie; hij vertegenwoordigt de in de onderneming werkzame personen en speelt een rol als tussenschakel in het overleg tussen de ondernemer en de in de onderneming werkzame personen. Indien op de ondernemer de verplichting tot het instellen van een OR rust, bestaat op grond van artikel 4 lid 1 WOR ook de mogelijkheid voor een of meer onderdelen van die onderneming een afzonderlijke OR in stellen. De zogenaamde Onderdeelsondernemingsraad. Het criterium voor het instellen van een dergelijke Onderdeelsondernemingsraad is dat dit ‘bevorderlijk moet zijn voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming’. In de wetsgeschiedenis[3] is toegelicht dat hiervan in deze context sprake is wanneer de verschillende bedrijfsonderdelen weinig samenhang vertonen en organisatorisch een zekere zelfstandigheid bezitten. Hoewel artikel 4 WOR zo is geformuleerd dat op de ondernemer de verplichting rust om, indien dit het doel van de WOR dient, een Onderdeelsondernemingsraad in te stellen, kan iedere belanghebbende een dergelijk verzoek doen en eventueel afdwingen via de weg van de algemene geschillenregeling van artikel 36 WOR.

In tegenstelling tot de andere medezeggenschapsstructuren, is over de instelling van een Onderdeelsondernemingsraad weinig recente jurisprudentie. Uit een beschikking van de Minister van SZW[4] uit 1990[5] vloeit voort dat het feit dat een onderneming uit drie vestigingen (directie en staf, een productiecentrum en een distributiecentrum) verdeeld over het land bestaat, niet maakt dat sprake is van weinig samenhang tussen de onderdelen noch van organisatorische zelfstandigheden. De drie vestigingen werden allen aangestuurd door hetzelfde management en het beleid was erop gericht om de drie vestigingen als een geheel te laten functioneren. Naar oordeel van de minister zou het dan ook niet bevorderlijk voor een goede toepassing van de WOR zijn, als de bestaande OR zou worden vervangen door drie separate Onderdeelsondernemingsraden. Ook de Rechtbank Utrecht[6] toetst aan de hand van de voornoemde criteria, maar neemt daarbij ook in overweging dat niet is gebleken dat er voldoende groot draagvlak onder de werknemers is voor een wijziging van de medezeggenschapsstructuur naar vier separate Onderdeelsondernemingsraden. Een situatie waarin het instellen van Onderdeelsondernemingsraden eerder aan de orde zou kunnen zijn, is in geval in het verleden een GeOR is ingesteld en men vervolgens een separate OR per onderdeel wenst in te stellen, of in de situatie na een overgang van onderneming.

2. GeOR[7]

Hoewel het wettelijk criterium voor het instellen van een OR luidt dat in de regel minstens 50 personen in de onderneming werkzaam moeten zijn, betekent dit geenszins dat geen plaats voor een OR is als in de onderneming minder dan 50 personen werkzaam zijn.[8] Niet alleen bestaat de mogelijkheid om onverplicht een OR in te stellen, maar als een ondernemer in groepsverband opereert, bestaat ook de mogelijkheid van een GeOR. Sinds de jaren ‘90 is namelijk in artikel 3 WOR neergelegd dat een ondernemer, of in een groep verbonden ondernemers, die twee of meer ondernemingen in stand houden waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, voor alle of voor een aantal van die ondernemingen tezamen een gemeenschappelijke OR instelt, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de betrokken ondernemingen. De GeOR wordt dus ingesteld voor meerdere ondernemingen, welke vervolgens voor de toepassing van de WOR als één onderneming worden beschouwd. In deze situatie hebben de betrokken ondernemingen naast de GeOR dus geen eigen OR, hetgeen het grote verschil is in vergelijking met een GOR en COR.

Het uitgangspunt is dat als door de betrokken ondernemingen gezamenlijk aan het instellingscriterium is voldaan, de ondernemer de GeOR instelt. In het geval de ondernemer hiertoe niet bereid is, kunnen belanghebbenden ook hier via de weg van de algemene geschillenregeling ex artikel 36 WOR naleving van deze wettelijke verplichting vorderen.

De vraag is wanneer nu voldaan is aan het criterium ‘bevorderlijk voor een goede toepassing van de WOR in de betrokken ondernemingen’. Van het Kaar komt in een annotatie bij een uitspraak van de Kantonrechter Rotterdam[9] tot drie redenen voor de instelling van een GeOR: 1) de mogelijkheid werknemers uit ondernemingen zonder OR in de GeOR vertegenwoordigd te laten zijn; 2) de situatie van een sterke samenhang tussen de verschillende ondernemingen als rechtvaardiging voor de instelling van een GeOR; en 3) de situatie dat een ondernemer of een groep van ondernemers meerdere ondernemingen in stand houdt die zo sterk met elkaar samenhangen dat de instelling van afzonderlijke OR’en weinig zin heeft omdat hetzij de omvang, hetzij de werkzaamheden die deze OR’en zouden verrichten te gering is. Deze criteria zijn ook terug te vinden in diverse beschikkingen uit de jaren ‘70 van de Minister van SZW.[10]

In enkele recente uitspraken over de wijze waarop artikel 3 WOR uitgelegd dient te worden, komen deze elementen steeds terug. Hierbij blijkt duidelijk dat het belangrijkste criterium is of er voldoende samenhang is tussen de betrokken ondernemingen. Zo oordeelde de kantonrechter te Rotterdam dat er tussen twee ondernemingen binnen dezelfde groep geen dusdanige samenhang aanwezig was om toepassing te geven aan art. 3 WOR.[11] De kantonrechter verwijst daarbij onder andere naar het feit dat de twee ondernemingen op verschillende locaties gevestigd zijn, verschillende activiteiten ontplooien en een eigen structuur kennen met een eigen directie die dient te rapporteren aan verschillende functionarissen binnen het concern. Voorts acht de kantonrechter het van belang dat het personeel van beide ondernemingen wezenlijk anders is gekwalificeerd. In een zaak die de kantonrechter Amsterdam moest beslechten, is wel aangenomen dat er sprake was van samenhang tussen verschillende ondernemingen.[12] De verschillende ondernemingen waren alle volle dochters van Voortzet B.V. waarbij de directies van alle BV’s bestonden uit dezelfde twee personen. Met name op basis hiervan komt de kantonrechter tot het oordeel dat het algemeen beleid van de ondernemingen in handen is van dezelfde personen. Daarbij kwam overigens ook nog dat de ondernemingen zich gezamenlijk naar buiten toe presenteerden met een gelijke missie en een gelijke doelgroep. De wijze waarop de zeggenschap is vormgegeven blijkt dus een zeer belangrijke rol te spelen bij de beoordeling van artikel 3 WOR. Waar in de Rotterdamse zaak er geen gezamenlijke zeggenschap bestond, was dat in de Amsterdamse zaak dus wel het geval. De zeggenschap speelde ook een doorslaggevende betekenis in een recente zaak die speelde bij de Kantonrechter Leiden.[13] In deze zaak oordeelde de kantonrechter ten overvloede dat van een GeOR geen sprake kon zijn nu ‘betekenisvolle’ verschillen tussen de twee betrokken ondernemingen waren en daarnaast ook de zeggenschap en medezeggenschap per onderneming was georganiseerd. Niet gebleken was dat een gezamenlijke medezeggenschap in deze situatie meer effectief zou zijn. Het ontbreken van een gezamenlijke zeggenschap was voor de Kantonrechter Haarlem daarentegen geen aanleiding om niet te besluiten tot het instellen van een GeOR.[14] Een internationaal concern had in Nederland acht vestigingen, waar bij enkele vestigingen een OR was ingesteld maar bij anderen niet. De ondernemer stelde zich op het standpunt dat, nu er geen centrale ‘baas’ was, er ook geen sprake kon zijn van een GeOR. De ondernemer onderbouwde zijn standpunt door te verwijzen naar het feit dat de zeggenschap via product lines geregeld was en hiërarchisch internationaal door eigen leidinggevenden worden aangestuurd. Volgens de kantonrechter was om te komen tot een GeOR voldoende dat er ten aanzien van de Nederlandse ondernemingen in elk geval enige mate sprake is van gezamenlijk beleid op financieel, operationeel en personeelsniveau.

3. GOR en COR

Indien er meerdere OR’en of Onderdeelsondernemingsraden binnen een organisatie of concern zijn, kan het zinvol zijn een overkoepelend medezeggenschapsorgaan in te stellen.[15] Met name wanneer er op centraal niveau beslissingen worden genomen die (gelijke) effecten hebben voor alle, of het merendeel van de ondernemingen binnen het concern, kan het effectief zijn om daar de medezeggenschap te organiseren. Dit kan een overkoepelend orgaan zijn voor een deel van de OR’en, een GOR, en/of een overkoepelend orgaan voor alle onderliggende OR’en en eventuele GOR, zijnde een COR.

Voor de instelling van zowel de COR als de GOR is in artikel 33 lid 1 en 2 WOR het criterium neergelegd dat dit bevorderlijk moet zijn voor een goede toepassing van de WOR in de onderliggende ondernemingen. In de wetsgeschiedenis[16] is in dit kader ten aanzien van de COR opgemerkt dat voornoemde norm aangeeft dat de COR taken moet kunnen uitoefenen die door de afzonderlijke ondernemingsraden niet of niet effectief genoeg kunnen worden vervuld. De COR moet dus een meerwaarde voor de medezeggenschap hebben. Voor de instelling van een GOR geldt dezelfde systematiek, echter, de genoemde norm houdt hier mede in dat de betrokken ondernemingen een zekere samenhang dienen te vertonen in aard, structuur en management.[17] De medezeggenschapsstructuur dient zoveel mogelijk aan te sluiten bij de zeggenschapsstructuur van de groep betrokken ondernemingen.[18] De Kantonrechter Hilversum oordeelde in dit kader in een zaak die speelde bij de publieke omroepen dat een redelijk wetsuitleg met zich meebrengt dat bij het begrip ‘in een groep verbonden ondernemers’ het moet gaan om ondernemers die door zeggenschapsverhoudingen verbonden zijn en onderworpen zijn aan een gemeenschappelijke leiding, die duurzaam en stelselmatig invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van de betrokken ondernemers en aldus een overwegende mate van zeggenschap heeft.[19]

Recent overwoog het Hof ‘s Hertogenbosch ten aanzien van de vraag welke medezeggenschapsstructuur bevorderlijk zou zijn voor een goede toepassing van de WOR, dat het systeem van artikel 33 WOR in feite twee uitgangspunten herbergt. Het eerste uitgangspunt luidt dat de uitoefening van de medezeggenschap dient plaats te vinden waar in overwegende mate zeggenschap over de onderneming bestaat (‘medezeggenschap volgt zeggenschap’). Het tweede uitgangspunt is dat de medezeggenschap zo dicht mogelijk bij het werkmilieu van de betrokken werknemers moet worden uitgeoefend. De medezeggenschapsstructuur moet zodanig worden ingericht dat de medezeggenschap wordt gewaarborgd.[20]

De COR van de gemeente Amsterdam verzocht de Kantonrechter Amsterdam[21] in 2015 om een verklaring voor recht dat bij de gemeente Amsterdam een gelaagde medezeggenschapsstructuur met een COR, GOR en OR’en, ingericht moest worden. De kantonrechter volgde de COR hierin niet. Hij overwoog dat het weliswaar de bedoeling van de wetgever is om de medezeggenschap op een zo laag mogelijk niveau binnen de organisatie te laten plaatsvinden, maar naar oordeel van de kantonrechter is zeggenschap daarbij niet doorslaggevend. Er moeten ook voldoende specifieke onderwerpen overblijven die in de diverse OR’en aan de orde kunnen komen. Mede gezien het feit dat de gemeente bereid was onderdeelscommissies in te stellen per eenheid dan wel specifiek thema, oordeelde de kantonrechter dat het voorstel in materieel opzicht gelijkenis vertoonde met de gewenste structuur van de COR.

Ook de Kantonrechter Rotterdam[22] moest zich in 2011 buigen over de vraag welke medezeggenschapsstructuur het beste bij de organisatiestructuur aansloot. Partijen hebben in een gezamenlijke artikel 96 Rv-procedure de vraag aan de kantonrechter voorgelegd welke medezeggenschapsstructuur, ofwel een GeOR of een structuur met meerdere decentrale ondernemingsraden en één COR, het meest bevorderlijk zou zijn voor een goede toepassing van de WOR. De kantonrechter overwoog dat voor een goede toepassing van de WOR de uitoefening van het medezeggenschapsrecht daar dient plaats te vinden waar in overwegende mate zeggenschap over de ondernemingen bestaat. In dit kader wordt overwogen dat indien de te behandelen aangelegenheden zowel op het niveau van iedere onderneming afzonderlijk als op centraal niveau liggen, het voor een goede toepassing van de WOR bevorderlijk is dat ondernemingsraden worden ingesteld voor die ondernemingen waarvoor dit wettelijk verplicht is, overkoepeld door een COR ter behandeling van de gemeenschappelijke aangelegenheden. Eventueel kunnen in de COR vertegenwoordigers worden opgenomen van ondernemingen waarvoor geen afzonderlijke OR behoeft te worden ingesteld. In het geval er echter op het niveau van de afzonderlijke OR’en praktisch geen aangelegenheden ter behandeling overblijven, heeft het voor een goede toepassing van de WOR de voorkeur om een GeOR in te stellen. In deze zaak oordeelde de kantonrechter dat op dit moment sprake is van een verscheidenheid in aansturing en tactisch en operationeel beleid, alsmede in arbeidsvoorwaarden van de medewerkers. Op basis van deze huidige stand van zaken is de kantonrechter van oordeel dat centralisering zich nog niet in een zodanig vergevorderd stadium bevindt dat het instellen van een GeOR nu reeds bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR.

In een uitspraak van begin dit jaar van het Gerechtshof Den Haag[23] kwam de vraag aan de orde of de instelling van een GOR bevorderlijk was voor de goede toepassing van de WOR. Het hof overwoog hierbij dat voldoende aannemelijk was dat zich geregeld onderwerpen voordoen die zich lenen voor voorlegging aan een centraal medezeggenschapsorgaan en er geen aanleiding is om te verwachten dat dit in de toekomst anders zal zijn. Hierbij overweegt het hof ook dat van belang is dat ook binnen de medezeggenschap zelf de wenselijkheid van een centraal medezeggenschapsorgaan breed wordt onderschreven. Om deze redenen moet worden geoordeeld dat de GOR een meerwaarde heeft boven de bestaande overlegstructuur en dus bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR.

4. Aangelegenheden van gemeenschappelijk belang

Op het moment dat op meerdere niveaus medezeggenschapsorganen zijn ingesteld, bestaat de kans dat er onduidelijkheid en/of discussies ontstaan over de vraag bij welk orgaan een bepaald voorgenomen besluit voorgelegd moet worden. Wettelijk uitgangspunt is dat een GOR of een COR uitsluitend bevoegd is als het aangelegenheden betreft van gemeenschappelijk belang voor alle of de meerderheid van de ondernemingen waarvoor een GOR of COR is ingesteld (art. 35 WOR). Dit betekent ook dat als er op basis van een gemeenschappelijk uitgangspunt besloten wordt tot het nemen van een bepaald besluit, ondanks dat dit met name gevolgen kan hebben voor één specifieke onderneming, de GOR of COR het orgaan is om advies te geven. Een mooie illustratie hiervan is de uitspraak van de Ondernemingskamer inzake Tjoapack uit juni 2015.[24] Hier ging het om een zaak waarin er twee productielocaties waren en waar werd besloten om een van deze locaties te sluiten. De OK oordeelde dat hoewel de gevolgen van het besluit voor de medewerkers van de vestiging die sloot verstrekkend waren dat dat het niet wegnam dat sprake was van een gemeenschappelijk belang. De Ondernemingskamer overweegt hierbij dat gekeken moet worden naar de beweegredenen die aan het besluit ten grondslag liggen en of die van gemeenschappelijk belang zijn voor de meerderheid van de ondernemingen. Zoals Zaal betoogd in de annotatie[25] bij deze uitspraak, volgt uit artikel 35 WOR dat sprake is van aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor de meerderheid van de ondernemingen waarvoor de COR is ingesteld, als het gaat om 1) concernbeleid; of 2) een onderwerp dat voor een meerderheid van de ondernemingen gelijke afdoening vereist.

Sprengers merkt in zijn annotatie[26] op dat bij de bepaling of sprake is van een gemeenschappelijk belang, niet uitsluitend doorslaggevend is waar de gevolgen merkbaar zijn, maar het met name gaat om de beweegredenen die aan het voorgenomen besluit ten grondslag liggen en of die van gemeenschappelijk belang zijn voor de meerderheid van de ondernemingen. Deze uitspraak is in lijn met een oude uitspraak van de OK[27] waarin in feite sprake was van de omgekeerde situatie en waar de COR van Philips het adviesrecht claimde over een voorgenomen besluit ten aanzien van een onderdeel van de organisatie. Hierbij voerde de COR onder meer aan dat het voorgenomen besluit gevolgen had voor de gehele organisatie. Naar oordeel van de Ondernemingskamer waren deze gevolgen te indirect van aard. Dergelijke gevolgen van te algemene aard kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van gemeenschappelijk belang.

Overigens zij opgemerkt dat het feit dat aan de GOR/COR advies is gevraagd over een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang, niet maakt dat afgesproken kan worden dat ook aan de onderliggende OR’en advies moet worden gevraagd. De GOR/COR zal dan adviseren over het beginselbesluit en de afzonderlijke OR’en over de uitwerking daarvan in hun afzonderlijke onderneming.[28]

5. Zetelverdeling

Indien er een GOR/COR wordt ingesteld is het de vraag hoe deze wordt samengesteld. Bij de instelling van een OR is dat omschreven in artikel 6 WOR, maar voor de samenstelling van de OR is er enkel in artikel 34 lid 3 WOR opgenomen dat het medezeggenschapsorgaan de zetelverdeling in zijn reglement zelf regelt. Nu in artikel 6 WOR wordt aangesloten bij het aantal werknemers in een onderneming, zou gedacht kunnen worden dat dit ook het uitgangspunt is bij het bepalen van het aantal zetels in de GOR/COR. Dit is echter niet het geval, althans het is geen doorslaggevend element, zo oordeelde de kantonrechter te Amsterdam reeds in 1993.[29] Bij het bepalen van de zetelverdeling in de COR dient er sprake te zijn van een goede toepassing van de wet, inhoudende dat de verschillende groepen binnen de onderneming op de juiste wijze worden vertegenwoordigd. Dit betekent dat er niet enkel gekeken dient te worden naar het aantal werknemers, maar ook dat elke onderneming binnen de COR op een goede wijze wordt vertegenwoordigd. In gelijke zin oordeelde de Kantonrechter Maastricht die oordeelde dat van doorslaggevend belang is dat zetels binnen de COR evenwichtig verdeeld zijn en een representatieve afspiegeling van de organisatie zijn.[30] Voorgaande neemt echter niet weg dat volledig aan het getalscriterium kan worden voorbijgegaan. Bij de samenstelling van de GOR binnen het Rijk had een klein ministerie met 379 medewerkers evenveel vertegenwoordigers als een groot ministerie zoals het Ministerie van Veiligheid en Justitie met 7555 medewerkers. Deze verdeling werd door het Gerechtshof Den Haag gesanctioneerd nu op deze wijze geen recht werd gedaan aan de medezeggenschap.[31] In gelijke zin oordeelde het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.[32]

6. Objectieve benadering naar eigen inzicht

De instelling en de bevoegdheden van de OR zijn in een onderneming die geheel op zichzelf staat redelijk goed te overzien. Het kan ingewikkelder worden indien er binnen een groep meerdere ondernemingen zijn. De wijze waarop in dergelijke situaties omgegaan dient te worden met de medezeggenschap is niet uitputtend geregeld in de WOR. De WOR geeft weliswaar handvatten om medezeggenschapstructuren vorm te geven die passen bij een organisatie, maar de daadwerkelijke invulling dient in lijn met de in dit artikel besproken wettelijke uitgangspunten op basis van de feitelijke situatie ingevuld te worden. Een terugkerend element is hierbij dat de medezeggenschapstructuur bevorderlijk moet zijn voor de goede toepassing van de WOR. Duidelijk is dat het hierbij van groot belang is dat de medezeggenschap op een zodanige wijze wordt georganiseerd dat deze plaatsvindt op de plek c.q. plekken waar er zeggenschap is. Vanzelfsprekend geldt immers dat medezeggenschap enkel tot wasdom kan komen indien deze ‘gehoord’ wordt door de zeggenschap. Ondanks dat het erop lijkt dat sprake is van een objectieve benadering, hangt de beoordeling veelal af van de feitelijke situatie waarbij er een zeker ruimte is om hier naar eigen inzicht invulling aan te geven.

7. Eindnoten

1. Naast de wettelijk geregelde medezeggenschapsstructuren, zijn op basis van onder andere collectieve afspraken of ondernemingsovereenkomsten ook andere medezeggenschapsstructuren mogelijk, waardoor men in de praktijk ook namen tegenkomt die niet terug te vinden zijn in de WOR, zoals de Tijdelijke Ondernemingsraad (TOR), de Bijzondere Ondernemingsraad (BOR), Departementale Ondernemingsraad (DOR) of gelegenheidsondernemingsraden.

2. Mr. C. Nekeman en mevr. mr. E.H. Damen zijn beiden advocaat bij Kennedy Van der Laan N.V. te Amsterdam.

3.  Kamerstukken II 1987/88, 20583, 3, p. 13.

4. Tot 1 februari 1990 diende van een besluit van de bedrijfscommissie als bedoeld in het toenmalige artikel 44 WOR beroep te worden ingesteld bij de Minister van SZW.

5. Beschikking Minister van SZW 23 augustus 1990, ROR 1990/22.

6. Rb. Utrecht 5 november 1998, JAR 1998/15.

7. In de rechtspraak en literatuur wordt ook de afkorting GOR gebruikt voor de gemeenschappelijke ondernemingsraad. Deze afkorting is verwarrend, nu deze ook gebruikt wordt voor de Groepsondernemingsraad.

8. Bij een onderneming met tussen de 10 en 50 medewerkers kan de ondernemer een personeelsvertegenwoordiging (pvt) instellen. Indien een meerderheid van de medewerkers daarom verzoekt, dient de ondernemer een pvt in te stellen (zie artikel 35b WOR).

9. Annotatie in TRA 2011/83.

10. Kamerstukken II 1987/88, 20583, 3, p. 11-12.

11. Ktr. Rotterdam 24 september 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:8642 , JAR 2014/272, m.nt mr. C. Nekeman.

12. Ktr. Amsterdam 10 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6775.

13. Ktr. Leiden 22 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8374.

14. Ktr. Haarlem 8 april 2013, JAR 2013/151.

15. Uitgangspunt is dat een deelneming van meer dan 50% in een onderneming zorgt voor groepsverbondenheid. Indien geen van de deelnemende ondernemers overwegende zeggenschap heeft (bijv. in een 50%-50% situatie) dan behoort de derde ondernemer (de joint venture) tot geen van beide ondernemers. Overigens hoeft de aandeelhoudersverdeling niet doorslaggevend te zijn. Zo oordeelde de Hoge Raad in 2008 dat TNT ondanks het bezit van 51% in een joint venture, deze joint venture niet behoorde tot de TNT groep omdat in de statuten van de joint venture was opgenomen dat geen van de aandeelhouders overwegende zeggenschap had (HR 14 maart 2008,  ECLI:NL:HR:2008:BC2202, Ondernemingsrecht 2008/82, m.nt J.H. Even).

16. Kamerstukken II 1987/88, 20583, 3, p. 29.

17. Kamerstukken II 1987/88, 20583, 3 p. 29.

18. Kamerstukken II 1987/88, 20583, 6, p. 10-11.

19. Ktr. 6 februari 2004, JAR 2004/19.

20. Hof ‘s-Hertogenbosch 16 juli 2015 ECLI:NL:GHSHE:2015:2717 .

21. Rb. Amsterdam 8 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6436 , JAR 2015/228.

22. Ktr. Rotterdam 30 maart 2011, JAR 2011/233.

23. Hof Den Haag 12 januari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:17.

24. Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2662.

25. Annotatie bij JAR 2015/204, ECLI:NL:GHAMS:2015:2662 .

26. Annotatie bij TRA 2015/84, ECLI:NL:GHAMS:2015:2662.

27. Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 10 mei 1990, NJ 1992/126.

28. Zie in dit kader ook: HR 7 oktober 1998, JAR 1998/251.

29. Ktr. Amsterdam 11 februari 1993, ROR 1993/24.

30. Ktr. Maastricht 30 juni 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:6022, JAR 2014/203, m.nt. C. Nekeman.

31. Hof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2016:17, JAR 2016/37.

32. Hof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2717, JAR 2015/276.

Titel, auteur en bron

Titel

De vormgeving van structurele medezeggenschap

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT81:1