Noot bij ECLI:NL:HR:2017:1205 - medisch beroepsgeheim

Auteur(s): Bron:
  • Gezondheidsrecht Jurisprudentie, GJ 2017/129 Sdu

Samenvatting

Vallen 112-melding en communicatie tussen melder en centralist van meldkamer voor ambulancezorg onder medisch beroepsgeheim en kan beroep worden gedaan op verschoningsrecht na zo’n vordering?

1.

De laatste tijd zijn de uitspraken van de Hoge Raad wat uitvoeriger dan voorheen. Dat komt omdat er steeds vaker een “didactisch” element in sluipt. De Hoge Raad stelt zich dan als een soort leermeester op en geeft aan, na een samenvatting van de gangbare rechtspraak (in een zogenaamd “overzichtsarrest”), hoe de in de voorliggende zaak genomen beslissing in dat overzicht al dan niet past. Zo ook in deze zaak, waarin de beslissing bovendien door vijf raadsheren is genomen (de “volle” strafkamer), waardoor de uitspraak een extra gewicht krijgt. Het voordeel hiervan is dat de lezer meer dan vroeger inzicht krijgt in de wijze waarop de Hoge Raad zijn argumentatie opbouwt.

In de hier te bespreken casus is het verschoningsrecht aan de beurt. De Hoge Raad begint, zoals meestal, met een opsomming van de geldende jurisprudentie op basis van de toepasselijke wetgeving. Maar omdat ons hoogste rechtscollege een “overzicht” wil geven van de hoofdlijnen in de voorheen uitgezette gedachtengang, is de weergave daarvan ook uitgebreider dan waartoe de aan de orde zijnde rechtsvraag aanleiding geeft. In dat opzicht biedt de beschikking van de Hoge Raad een mooie update plus nadere toelichting van het verschoningsrecht zoals de Hoge Raad dat ziet.

2.

De Hoge Raad herhaalt eerst wat de wetgever tot uitdrukking heeft gebracht: de officieel erkende geheimhouder is conform het bepaalde in de Wet BIG (art. 88) verplicht tot geheimhouding, zoals een verpleegkundige die als centralist de meldkamer van 112 bedient. Hij dient als onderdeel van noodhulp te beoordelen of een ambulance moet worden opgeroepen. Wat hem in dat kader is toevertrouwd valt onder zijn beroepsgeheim, ook nadat achteraf een vordering van het OM met een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris werd ingediend om de vertrouwelijke gegevens van en na de melding te verstrekken.

In cassatie werd (helaas) niet geklaagd over het feit dat de verdenking van een ernstig misdrijf (een levensdelict) grond kan opleveren om het verschoningsrecht te doorbreken. Dus liet de Hoge Raad zich er niet over uit of de ambulancevoorziening (dit is de instantie die het alarmnummer 112 beheert en waartegen de vordering van het OM was gericht, de afgeleide verschoningsgerechtigde dus) zich al dan niet terecht op haar verschoningsrecht beriep. Een afgeleid verschoningsgerechtigde heeft dezelfde bevoegdheid als de verschoningsgerechtigde waarvan hij is afgeleid (maar ook niet meer).

Toch zou een uitspraak daarover welkom zijn geweest. In het verleden aanvaardde de Hoge Raad een ernstige verdenking wegens een crimineel feit als “een zeer uitzonderlijke omstandigheid” op grond waarvan een beroepsgeheimhouder geen verschoningsrecht toekwam. De Hoge Raad accepteerde geleidelijk aan zulke omstandigheden als uitzonderingsgrond die nauwelijks het karakter van een uitzonderingsgrond konden dragen. Zie hierover onder andere W.R. Kastelein, ‘Strafrechtelijke inbeslagname bij de medisch verschoningsgerechtigde’ (themanummer), TvGr 2013/8.

3.

De oorzaak hiervan is terug te voeren tot de (in de rechtspraak aanvaarde) loskoppeling van de wettelijke verbintenis tussen de geheimhouder (die niet verplicht is het toevertrouwde bekend te maken) en zijn verschoningsrecht (de bevoegdheid om dat niet te doen, ondanks de vordering van het OM). Sindsdien luidt het uitgangspunt, – dat de rechtbank in deze zaak miskende – dat de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht, ondanks de aanwijzingen van de wetgever, niet als vanzelf met elkaar correspondeerden. Het verschoningsrecht werd al in de jaren tachtig tot een niet absoluut recht verklaard, zodat daarmee een belangenafweging werd geïntroduceerd: het maatschappelijk belang dat de waarheid aan het licht komt moet worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met het verschoningsrecht wordt gerespecteerd.

Tegen een belangenafweging is op zichzelf weinig bezwaar, zij het dat de uitkomst van een dergelijke afweging de neiging heeft zodanig op te schuiven dat zij in strijd komt met het oorspronkelijk beleden uitgangspunt van de wetgever: kennisneming van het toevertrouwde zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde is niet gerechtvaardigd als dat zou leiden tot schending van het beroepsgeheim.

4.

De Hoge Raad leest de beschikking van de rechtbank (welwillend) in die zin dat de opvatting van de centralist doorslaggevend is. Dat houdt in dat de melding op 112 er in de eerste plaats toe dient dat er snel toegang wordt verleend tot gepaste zorg, niet om een strafbaar feit op te lossen. Op dat moment komt de centralist onmiskenbaar een verschoningsrecht toe. De toegankelijkheid van de zorg is op dat moment het overheersende maatschappelijke belang. Doorslaggevend is dus niet het (achteraf) wellicht noodzakelijk gebleken maatschappelijk belang dat het misdrijf wordt opgelost of de opsporing uit het slot wordt gehaald (hetgeen overigens ook kan wijzen op een nogal klungelige opsporing, als uit de noodoproep belastende aanwijzingen moeten worden gehaald). Als zelfs de mogelijkheid van spoedhulp al niet meer onbelemmerd kan plaatsvinden, wat is dan nog de betekenis van spoedhulp? De centralist is een onderdeel van de gezondheidszorg, geen verlengstuk van justitie.

Als er al ruimte is voor belangenafweging – en de daarbij horende subsidiariteits- en proportionaliteitstoets –, dient het belang van de toegankelijkheid van de zorg zwaarder te wegen dan het opsporingsbelang. Wellicht dat achteraf een andere afweging wordt gemaakt, dan nog kan de beslissing die destijds na de melding werd genomen, niet meer worden teruggedraaid. De beller – als hij al verdachte is – kan niet met een fuikwerking van zijn melding worden geconfronteerd waar hij bedoelde de juiste spoedzorg in te roepen, terwijl de centralist niet met een belangenafweging kan worden belast. De Hoge Raad zegt ook nu weer dat de inhoud van het telefoongesprek dat een beller met de centralist voert, heeft te gelden als wetenschap die hem in het kader van zijn beroepsuitoefening is toevertrouwd en waartoe zijn beroepsgeheim hem verplicht (art. 96a lid 3 onder b Sv; art. 218 Sv; art. 126nd lid 2 Sv).

5.

Tot nu toe zegt de Hoge Raad niets dat bevreemdt. De uitleg over de te volgen procedures is handig voor het gebruik. De vraag is alleen (die door het OM niet aan de cassatierechter is voorgelegd) hoe de beslissing zou zijn uitgevallen als er wel over zou zijn geklaagd dat de ernst van het misdrijf in dit geval (een levensdelict) als een “zeer uitzonderlijke omstandigheid” mede in de besluitvorming zou zijn betrokken. De omstandigheid dat in deze zaak de centralist zich op haar verschoningsrecht beriep, impliceert dus niet dat de overkoepelende instantie (als afgeleid verschoningsgerechtigde) een beslissing nam die in cassatie altijd houdbaar blijkt.

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:HR:2017:1205 - medisch beroepsgeheim

Auteur(s)

Tom Schalken

Bron

Gezondheidsrecht Jurisprudentie, GJ 2017/129 Sdu

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT48:1