Noot bij ECLI:NL:HR:2017:316 - privacy en gegevensbescherming versus vrijheid van meningsuiting

Auteur(s): Bron:

Samenvatting

Zoeken met Google op volledige naam. Geanonimiseerde berichten over niet-onherroepelijke stafrechtelijke veroordeling. Te verrichten afweging; belang van het publiek; belang persoon bij verwijdering.

1.

In februari 2017 verscheen dit arrest van de Hoge Raad over een verwijderverzoek (een ‘right to be forgotten’- verzoek) aan Google.[1] In zijn arrest laat de Hoge Raad zich uit over hoe de rechten op privacy en gegevensbescherming zich verhouden tot het recht op vrijheid van meningsuiting.

2.

In 2012 werd het programma ‘Misdaadverslaggever’ van journalist Peter R. de Vries uitgezonden op de populaire commerciële televisiezender SBS6. In het programma verschenen beelden die waren opgenomen met een verborgen camera. Die beelden toonden een man die met een huurmoordenaar bespreekt hoe het best een concurrent te vermoorden. Het programma ‘Misdaadverslaggever’ vermeldde alleen de voorletter en de initialen van deze man – Arthur van M.

3.

Beeldmateriaal van het tv-programma werd gebruikt als bewijs in een strafzaak tegen Arthur van M. In 2012 werd hij veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens poging tot uitlokking van huurmoord. Arthur van M is in die strafzaak in hoger beroep gegaan. Er werd veelvuldig in de media bericht over het tv-programma, de poging om een huurmoordenaar te huren en de strafzaak. In de media werden alleen de initialen van Arthur van M genoemd.

4.

Sinds de Google Spain -uitspraak van het HvJ EU uit 2014 hebben mensen, onder bepaalde omstandigheden, het recht om een link te laten verwijderen uit de zoekresultaten op hun naam.[2] Er wordt in dit verband wel gesproken van het ‘ right to be forgotten ’.

5.

Al veel mensen hebben een verwijderverzoek ingediend – Google heeft alleen in Nederland al ruim 31.000 verzoeken ontvangen.[3] Ook Arthur van M verzocht Google om bepaalde pagina’s te verwijderen uit de zoekresultaten op zijn naam. Dit verwijderverzoek van Arthur van M leidde tot het eerste Nederlandse vonnis over een verwijderverzoek.[4] Arthur van M verloor in eerste instantie, en verloor ook in hoger beroep bij het Hof.[5] De zaak leidt nu ook tot het eerste arrest van de Hoge Raad over een verwijderverzoek.

6.

Het belangrijkste punt in het arrest van de Hoge Raad is dat in dit soort zaken het recht op privacy in beginsel voorrang heeft op de belangen van Google en zoekmachinegebruikers. Google had betoogd dat de rechten op privacy en bescherming van persoonsgegevens even zwaar wegen als de vrijheid van meningsuiting. De Hoge Raad verwijst echter naar de Google Spain -uitspraak en stelt vast dat de rechten op privacy en gegevensbescherming ‘in de regel zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die mogelijk toegang willen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten’.[6] Daarmee herhaalt de Hoge Raad een regel die het HvJ EU formuleerde in de Google Spain -uitspraak.[7] 

7.

In de Google Spain- uitspraak heeft het HvJ EU geoordeeld dat deze regel niet geldt als er sprake is van ‘bijzondere redenen’. Daarbij dacht het HvJ EU aan ‘de rol die deze persoon in het openbare leven speelt’.[8] In zulke gevallen moet het publiek toegang houden tot de informatie. In de zaak van Arthur van M heeft het Gerechtshof Den Haag, kort gezegd, geoordeeld dat het publiek toegang moet hebben tot de informatie omdat Arthur van M (volgens de strafrechter) een misdaad heeft begaan.

8.

Volgens de Hoge Raad heeft het gerechtshof daarmee onvoldoende rekening gehouden met de afweging die gemaakt moet worden tussen de verschillende belangen. Daarbij maakt de Hoge Raad bovendien een onderscheid tussen de rechtmatigheid van de publicaties en de verwijzingen in de zoekresultaten naar deze publicaties als er wordt gezocht op naam. Volgens de Hoge Raad zijn de publicaties zelf gerechtvaardigd, maar vereist het verwijderen van zoekresultaten een aparte afweging. In dat verband zegt de Hoge Raad dat het gerechtshof ‘omtrent het belang van het publiek om informatie over de veroordeling van eiser te krijgen bij het zoeken op eisers volledige naam’ niets heeft vastgesteld.[9]

9.

Daarnaast heeft het gerechtshof zich niet uitgelaten over de vraag of Arthur van M een rol speelt in het openbare leven. Daarover zegt de Hoge Raad: ‘Het enkele feit dat eiser in eerste aanleg is veroordeeld wegens een ernstig misdrijf en dat sprake is geweest van publiciteit is daartoe onvoldoende.’[10] De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van het gerechtshof. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander gerechtshof. Dat hof moet de zaak over doen, waarbij het de richtlijnen van de Hoge Raad moet toepassen.[11]

Commentaar

10.

De beslissing van de Hoge Raad over de verhouding tussen de verschillende grondrechten was bijna onvermijdelijk. Het EU Hof had in de Google Spain -uitspraak al gezegd dat het recht op privacy in beginsel voorrang heeft op de belangen van zowel Google als zoekmachinegebruikers. Daarmee heeft het EU Hof een kader neergelegd dat de Hoge Raad behoort te volgen.

11.

In eerdere publicaties hebben wij gewezen op de, in onze ogen, ongelukkige opmerking van het HvJ EU dat privacy-rechten ‘in de regel’ zwaarder wegen dan andere rechten.[12] Met de in-beginsel-voorrang-regel lijkt het HvJ EU af te wijken van de koers van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

12.

Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) hebben vrijheid van meningsuiting en privacy in beginsel hetzelfde gewicht. Zoals het EHRM zegt in diverse uitspraken: ‘ as a matter of principle these rights deserve equal respect ’.[13] Volgens het EHRM hangt het af van de omstandigheden in een specifiek geval welk recht zwaarder weegt. Het EHRM heeft een gedetailleerd en genuanceerd kader ontwikkeld om dergelijke afwegingen te maken.[14]

13.

We wijzen nog op drie punten. Ten eerste zegt de Hoge Raad niet dat de rechten op privacy en persoonsgegevensbescherming altijd voorgaan op vrijheid van meningsuiting. Het gaat er vooral om dat een rechter bij het afwegen van (i) privacy en persoonsgegevensbescherming; en (ii) vrijheid van meningsuiting aansluit bij de Google Spain- uitspraak en de voorrangsregel toepast. In bijzondere gevallen – zoals de gevallen waarin de betrokkene een rol in het openbare leven speelt – kan vrijheid van meningsuiting nog steeds zwaarder wegen.

14.

Ten tweede: hoewel de Hoge Raad niet uitdrukkelijk zegt dat de voorrangsregel alleen geldt voor verwijderverzoeken, menen wij dat het arrest wel zo opgevat moet worden. De Hoge Raad heeft het over het ‘privacybelang’ van een natuurlijk persoon dat ‘in de regel’ prevaleert boven het ‘belang bij informatie van de internetgebruikers en boven het economisch belang van de exploitant’. Deze toespitsing op de belangen van het internetpubliek en de zoekmachine-exploitant rechtvaardigt dit vermoeden. Ook advocaat-generaal Langemeijer merkt in zijn conclusie op dat de in-beginsel-voorrang-regel alleen geldt voor verwijderverzoeken:

15.

‘Het Hof van Justitie spreekt uitsluitend over één specifieke categorie van gevallen, te weten zoekopdrachten op naam van een natuurlijke persoon in een zoekmachine. Daarvan is de impact op het privéleven zodanig ernstig, dat de voorgeschreven belangenafweging in de regel tot gevolg heeft dat de betrokkene kan verlangen dat de betrokken informatie niet meer door de opneming ervan in een dergelijke resultatenlijst ter beschikking wordt gesteld van het grote publiek.’[15]

16.

Naar onze mening is de in-beginsel-voorrangsregel dus alleen voor verwijderverzoeken. De Hoge Raad geeft dan ook geen nieuwe regel voor zaken waar bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting van een journalist afgewogen moet worden tegen de privacy van een bekende Nederlander. Voor zulke zaken gelden de normen uit andere rechtspraak van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. In zulke niet-zoekmachine-zaken hebben privacy en vrijheid van meningsuiting nog steeds evenveel gewicht.

17.

Ten derde wijzen we op een punt dat kennelijk niet aan de orde is gekomen in de procedure, of in ieder geval niet in de uitspraken van de rechtbank, het hof, en de Hoge Raad. Arthur van M had kunnen betogen dat Google niet naar hem mag verwijzen bij zoekopdrachten op zijn naam, als websites die over hem berichten bijzondere persoonsgegevens over hem bevatten. Een persoonsgegeven over een strafrechtelijke veroordeling is immers, volgens de Nederlandse Wet bescherming persoonsgegevens, een bijzonder persoonsgegeven. Voor zulke bijzondere persoonsgegeven geldt in beginsel het verwerkingsverbod zoals is bepaald in artikel 16 Wet bescherming persoonsgegevens. In enkele verwijderzaken zaken hebben eisers succes gehad met dat bijzondere-persoonsgegevens-argument.[16]

18.

Naar onze mening leidt het toepassen van het verwerkingsverbod (artikel 16 Wet bescherming persoonsgegevens) in ‘right to be forgotten’-zaken tot problemen voor de vrijheid van meningsuiting. Het toepassen van de Wet bescherming persoonsgegevens zou het recht op vrijheid van meningsuiting niet categorisch opzij moeten schuiven. Maar als het verwerkingsverbod voor bijzondere persoonsgegevens wordt toegepast, lijkt er geen ruimte meer te zijn voor een belangenafweging.[17]

19.

Binnenkort moet het Hof Den Haag beslissen over bijzondere persoonsgegevens in de context van verwijderverzoeken.[18] Verder zijn er Franse vragen gesteld aan het HvJ EU over dit soort situaties, waarin Google verwijst naar websites met bijzondere persoonsgegevens (zie Computerrecht 2017/128 in de rubriek Privacybescherming in deze aflevering). Maar, zoals gezegd, het bijzondere-persoonsgegevens-probleem komt niet aan de orde in dit arrest van de Hoge Raad.

20.

We sluiten af. De Hoge Raad heeft de zaak van Arthur van M voor verdere behandeling terugverwezen naar het Gerechtshof Den Haag. Daarbij moet het gerechtshof de voorrangsregel toepassen: in vergeetrecht-zaken weegt het recht op privacy in principe zwaarder dan het recht op vrijheid van meningsuiting. Het gerechtshof kan overigens tot ongeveer hetzelfde eindoordeel komen als in het vernietigde arrest. Het hof zal dan wel moeten uitleggen waarom de zoekresultaten niet verwijderd hoeven te worden, en daarbij ingaan op de rol die de crimineel in het openbare leven speelt. 

Noten

* Mr. S. Kulk is als promovendus verbonden aan het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law en aan het CIER Centrum voor Intellectueel Eigendomsrecht (Universiteit Utrecht). Dr. F.J. Zuiderveen Borgesius is onderzoeker bij het IViR Instituut voor Informatierecht (Universiteit van Amsterdam).

1. Deze noot bevat delen van een blogpost door de auteurs: S. Kulk en F. Zuiderveen Borgesius, Hoge Raad over het ‘recht om vergeten te worden’ van een veroordeelde crimineel, 21 maart 2017, Ucall.nl.

2. Zie voor besprekingen onder meer: Computerrecht 2014/115 , m.nt. P. van Eecke en A. Cornette; J. Ausloos, ‘Zoekmachines in Europa – gevangen tussen twee vuren?’ Computerrecht 2014/179 ; S. Kulk en F. Zuiderveen Borgesius, De implicaties van het Google-Spain-arrest voor de vrijheid van meningsuiting, NTM/NJCM-bulletin 2015/1, p. 10.

3. Verwijderingen uit de zoekresultaten in het kader van de Europese privacywetgeving, Transparantierapport Google .

4. Rb. Amsterdam 18 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6118.

5. Gerechtshof Amsterdam, 31 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1123. Zie over dat arrest: S. Kulk en F.J. Zuiderveen Borgesius, Freedom of expression and ‘right to be forgotten’ cases in the Netherlands after Google Spain, European Data Protection Law Review 2015-2, p. 113.

6. R.o. 3.5.5.

7. HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google Spain), r.o. 81.

8. HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google Spain), r.o. 81.

9. R.o. 3.6.5.

10. R.o. 3.6.5.

11. In het arrest van de Hoge Raad wordt ook aandacht besteed aan de vraag of eiser voldoende belang heeft bij een verwijderverzoek, als een aanzienlijk deel van het publiek zal veronderstellen dat hij de persoon is die wordt bedoeld op een website, ook al wordt eiser op die site aangeduid met zijn voornaam en de eerste letter van zijn achternaam (r.o. 3.7.1-3.7.2). Deze problematiek is specifiek voor deze zaak, en valt buiten het bestek van deze noot.

12. S. Kulk en F. Zuiderveen Borgesius, Google Spain v. González: did the court forget about freedom of expression?, European Journal of Risk Regulation 2014-5-3, p. 389; S. Kulk en F. Zuiderveen Borgesius, De implicaties van het Google-Spain-arrest voor de vrijheid van meningsuiting, NTM/NJCMbulletin, 2015/1, p. 10.

13. EHRM 7 februari 2012,  ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD003995408 (Axel Springer AG/Duitsland), par. 87. Zie in vergelijkbare zin: EHRM 7 februari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD004066008 en ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD004066008 (Von Hannover/Duitsland), par. 100; EHRM 16 juli 2013,  ECLI:CE:ECHR:2013:0716JUD003384607 (Wêgrzynowski en Smolczewski/Polen), par. 56.

14. Zie bijvoorbeeld EHRM 7 februari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD003995408  (Axel Springer AG/Duitsland); EHRM 7 februari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD004066008  (Von Hannover/Duitsland); EHRM 16 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0716JUD003384607 (Wêgrzynowski en Smolczewski/Polen).

15. A-G Opinie (ECLI:NL:PHR:2016:1116), r.o. 3.6. De advocaat-generaal geeft overigens een mooi overzicht van de botsende grondrechten in ‘right to be forgotten’-zaken.

16. Zie: Rechtbank Rotterdam 29 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2395 (Computerrecht 2016/126); Rechtbank Den Haag 12 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:264 (Computerrecht 2017/77).

17. F.J. Zuiderveen Borgesius, Het ‘right to be forgotten’ en bijzondere persoonsgegevens: geen ruimte meer voor een belangenafweging?, Computerrecht 2016/4 (p. 220).

18. Er is hoger beroep ingesteld in deze zaak: Rechtbank Rotterdam 29 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2395 (Computerrecht 2016/126).

Titel, auteur en bron

Titel

Noot bij ECLI:NL:HR:2017:316 - privacy en gegevensbescherming versus vrijheid van meningsuiting

Auteur(s)

Frederik Zuiderveen Borgesius

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT14:1