Onderhandelen voor afhankelijke zelfstandigen, de lessen van het arrest C-413/13 FNV Kiem/de Staat der Nederlanden

Auteur(s): Bron:

Samenvatting

Waar werknemers en zzp’ers in een onderneming dezelfde activiteiten verrichten kan concurrentie op de prijs van de arbeid ontstaan. In het belang van zowel de werknemers als de zzp’ers willen de vakbonden graag cao-afspraken in de vorm van minimumtarieven overeenkomen. Een dergelijke cao werd echter in 2007 door de NMa als in strijd met het EU en Nederlandse mededingingsrecht beoordeeld. Het Hof van Justitie van de EU oordeelde in december 2014 anders (C-413/13). Deze zelfstandigen kunnen gedurende de loop van de opdrachtovereenkomst onder voorwaarden worden beschouwd als werknemers. Ook voor hen mogen derhalve cao-afspraken in de vorm van minimumtarieven worden overeengekomen.

1. Disclaimer

Het lijkt me maar het best met de deur in huis te vallen met een disclaimer. Het volgende artikel is gebaseerd op mijn eigen ervaring als beleidsjurist van de FNV. Van 2008 tot heden ben ik zeer nauw betrokken bij de rechtsgang richting Luxemburg en weer terug, die hieronder wordt beschreven. Mijn perspectief is dat van FNV, de vakbond die de zaak aanhangig maakte.

2. Inzet: de remplaçanten-cao

Tot 2007 onderhandelden de werkgeversorganisatie VSR (Vereniging van Stichtingen Remplaçanten Nederlandse Orkesten) en de Stichting Muziekcentrum van de Omroep met FNV Kiem en de NTB (Nederlandse Toonkunstenaarsbond, een verbond van musici dat niet bij een vakcentrale is aangesloten) over de vergoeding voor de remplaçanten. Remplaçanten zijn musici die op basis van een opdrachtovereenkomst meespelen in een orkest. Zij moeten worden onderscheiden van de solisten, die weliswaar ook op basis van een overeenkomst van opdracht werken met een orkest of organisator van een muziekvoorstelling, maar geen deel uitmaken van het orkest. Over het algemeen wordt een remplaçant ingezet als een musicus vanwege ziekte of een andere reden verhinderd is zijn partij te spelen. In de cao, noch elders is echter limitatief of anderszins omschreven onder welke omstandigheden de inzet van een remplaçant is toegestaan. Potentieel levert de inzet van opdrachtnemers in de plaats van vaste werknemers uiteraard een risico van prijsconcurrentie op de arbeid op. Aan de arbeidsovereenkomst is in ons arbeidsbestel een flink aantal beschermende maatregelen verbonden ten aanzien van de risico’s ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en oudedagsvoorziening. Een werkgever die daar onderuit wil komen kan een opdrachtnemer contracteren, ten aanzien waarvan hij niet die prijs zou hoeven betalen. Onderbieding is voor beide categorie werkenden negatief, zowel voor de werknemers als de opdrachtnemers. De eersten raken hun baan kwijt en de tweede groep wordt niet beschermd tegen die risico’s die verband houden met de arbeid. Om die reden werd in de remplaçanten-cao een minimumtarief overeengekomen. Daardoor verminderde de prikkel om werknemers door opdrachtnemers te vervangen en konden opdrachtnemers als zij werden ingezet tot op zekere hoogte toch de bescherming privaat of anderszins inkopen. De regeling was simpel; het orkest dat een opdrachtovereenkomst aanging met een remplaçant, verbond zich via de cao een opslag van 16% op het loon te betalen. Voor alle partijen, werkgevers, werknemers en de zelfstandige musici leverde dit een profijtelijke situatie op.
3. Spanning tussen arbeidsrecht en mededingingsrecht

De partijen bij de cao vonden echter de toenmalige NMa (de Nederlandse Mededingingsautoriteit, nu Autoriteit Consument en Markt, hierna: ACM) op hun weg. Deze gaf hen te verstaan dat hun afspraak buiten de zogenaamde ‘caoexceptie’ van art. 16 , onder a Mededingingswet (hierna ook: Mw) zou vallen. De NMa maakte echter geen gebruik van haar bevoegdheid om een boete te stellen, maar gaf aan dat zij de procedure die kon uitmonden in een boete zou staken, als cao-partijen de gewraakte bijlage uit de cao zouden schrappen. Zowel de VSR als de NTB schrokken terug voor het perspectief van een torenhoge boete. Onder de dreiging dat een boete een reëel gevaar zou zijn voor het voortbestaan van de niet zo kapitaalkrachtige NTB, trok deze zich terug uit de onderhandelingen. FNV KIEM (hierna: FNV) was als enige partij niet bereid om op het ‘aanbod’ van de NMa in te gaan. Ook omdat de NMa op dat moment niet wilde aangeven of en zo ja, op welke wijze in strijd werd gehandeld met de Mededingingswet. Na het terugtrekken van de NTB en de VSR kon weliswaar een nieuwe cao worden overeengekomen, maar zonder de vertegenwoordiging van de zelfstandige musici. En daarmee dus zonder de bepaling over het minimumtarief.

4. Het Visiedocument

De uiteenzetting van de NMa kwam later in december 2007 in de vorm van het Visiedocument ‘Cao-tarievenbepalingen voor zelfstandigen’.[2] De casus van de remplaçanten werd daarin ten voorbeeld gesteld als zijnde in strijd met de Mededingingswet. Gesteld werd dat in cao’s in beginsel geen minimum- of vaste tarieven voor zelfstandigen mochten worden vastgelegd omdat deze niet vallen onder de caoexceptie.[3] Dat is de uitzondering die de cao onder voorwaarden vormt op het mededingingsrecht, te vinden in art. 16 onder a Mw .[4] Het document stelt dat ten aanzien van natuurlijke personen die arbeid verrichten (slechts) onderscheid kan worden gemaakt tussen werknemers en zelfstandige verrichters van economische activiteiten. De eersten worden gedefinieerd door het EU werknemersbegrip van art. 39 TEU[5] , de laatsten worden als ondernemingen gekwalificeerd. Tussen beide categorieën bestaat volgens het document geen licht. De NMa gaat ervan uit dat een natuurlijk persoon die op basis van een overeenkomst van opdracht economische activiteiten verricht en de daarmee verbonden risico’s draagt, als onderneming moet worden aangemerkt.[6] De NMa onderkent weliswaar het probleem van de schijnzelfstandigen, dat wil zeggen werknemers die ten onrechte worden beschouwd als zzp’ers, maar niet dat ook werkelijke opdrachtnemers onder voorwaarden binnen de juridische categorie werknemers (en dus de cao-exceptie) kunnen vallen. Ten aanzien van arbeidsrelaties met musici, die in de zin van sociale en fiscale wet- en regelgeving worden gelijkgesteld aan werknemers, stelt NMa dat zij geen aanleiding ziet deze niet als ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht te beschouwen. De NMa benadrukt dat: ‘ook musici die op zelfstandige wijze hun vak economische exploiteren en de daaraan verbonden financiële risico’s dragen, als ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht kunnen worden aangemerkt’.

De vervolgredenering van de NMa was al even simpel als die over de tweedeling in de arbeidsrelaties; als de werkende zelfstandige een onderneming is, dan is zijn vertegenwoordigende organisatie een ondernemersvereniging en geen vakbond. Als die vereniging dan gaat onderhandelen met een werkgeversvereniging, zijnde ook een ondernemersvereniging, dan is het resultaat een verboden prijsafspraak, niet op een markt voor consumenten maar op de arbeidsmarkt. NMa stelt dat het tarief een belangrijk marketinginstrument is voor zelfstandigen.[7] Ten aanzien van de breedte van de cao-exceptie, die de NMa uiteraard wel erkent, was de visie dat de aard en het doel van een cao-bepaling zoals die van de remplaçanten-cao buiten het sociale domein lagen, zoals dat door de EU- en de Nederlandse wetgever was beoogd. Over de onderbieding die ontstaat zonder minimumtarieven stelt NMa dat dit gekozen middel (het minimumtarief) in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Met een ander middel, de verbetering van arbeidsvoorwaarden voor werknemers zou het doel al kunnen worden behaald. De NMa gaat niet direct in op het verband tussen die twee middelen; het feit dat een lagere prijs voor zelfstandigen het bereiken van een verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor werknemers in de weg staat. Wel merkt zij op dat inwilliging van een verzoek tot algemeen verbindend verklaren van de cao zou leiden tot versterking van de gevolgen van een met het mededingingsrecht strijdige uitspraak. Daarmee tonend dat de ‘race to the bottom’ waartegen algemeenverbindendverklaren beschermt, in de visie van de NMa althans, niet tot enige zorg leidt.

5. De gang naar de rechter

Voor de partijen bij de remplaçanten-cao leverde die handelswijze van de NMa een probleem op. Bij gebrek aan een besluit of een beschikking is het immers lastig een procedure te starten. Dreigen met een boete, of deze nu op juiste of onjuiste gronden wordt aangekondigd, is daarvoor immers geen middel. Maar het effect van de dreiging was wel degelijk dat de vrijheid van collectief onderhandelen werd beperkt. De partijen waren namelijk van mening dat hun handelen binnen de lijnen van de cao-exceptie viel. Vanwege die moeilijkheid werd een bijzondere vordering in de dagvaarding opgenomen, waarmee FNV een lange rechtsgang begon die pas in 2015 zou eindigen.

Omdat de NMa geen eigen rechtspersoon was werd de Staat der Nederlanden gedagvaard. FNV stelde dat de Staat ten aanzien van haar onrechtmatig had gehandeld en vroeg om een verklaring van recht inhoudende dat het mededingingsrecht (art. 6 Mw jo. art. 81 EG-verdrag) zich in gevallen als in de casus aan de orde, niet verzet tegen een cao-bepaling die de werkgever ertoe verplicht tegenover zelfstandigen zonder personeel bepaalde (minimum)tarieven in acht te nemen. Daarbij vorderde zij een verklaring voor recht dat de publicatie van het Visiedocument jegens FNV onrechtmatig was. Ook suggereerde FNV dat het verstandig zou zijn om de rechtsvraag voor te leggen aan het HvJ EU, omdat immers het EU-mededingingsrecht het nationale recht dicteert. De landsadvocaat achtte het stellen van prejudiciële vragen echter niet nodig en stelde dat FNV uitging van een onjuiste uiteenzetting inzake het (Europese) mededingingsrecht. Net als de eis in de dagvaarding werd het verweer van de landsadvocaat uiteraard veel uitgebreider onderbouwd dan ik hier in kort bestek kan weergeven. Maar de landadvocaat herhaalde grosso modo de opvattingen van het visiedocument.

6. Van rechtbank naar hof

Voor de FNV was de uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage teleurstellend. Deze oordeelde dat het minimumtarief in de cao slechts indirect een effect zou hebben op de arbeidsvoorwaarden van werknemers en dat daarmee niet was voldaan aan de eis uit de eerdere jurisprudentie dat de cao-exceptie alleen geldt bij een direct effect. Bovendien stelde de rechtbank dat ook als de visie van de NMa onjuist zou zijn, dit niet zou meebrengen dat NMa jegens FNV onrechtmatig gehandeld zou hebben. Hierop stelde FNV hoger beroep in bij het Hof ’s-Gravenhage. Het hof verwierp de opvatting van de rechtbank dat de FNV, ook als het visiedocument een onjuiste rechtsopvatting zou bevatten, geen belang zou hebben bij de eis. Het gaf aan dat het voor FNV immers na de publicatie van het visiedocument veel lastiger was geworden om te onderhandelen in sectoren waar het onderhavige probleem speelt. Het hof ging in tegenstelling tot de rechtbank wel over tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU. Kort weergegeven luidden die: valt een minimumtarief al binnen de cao-exceptie omdat deze in een cao is opgenomen, en als dat enkele feit van de cao onvoldoende is voor een bevestigend antwoord, valt zo’n cao-bepaling dan buiten het mededingingsrecht als deze (mede) is bedoeld ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de werknemer en maakt het daarbij bovendien nog uit of dat effect direct, dan wel indirect is?

7. De conclusie van advocaat-generaal Wahl

Het duurde ruim twee jaar voor A-G Wahl van het HvJ EG zijn conclusie uitbracht.[8] Hij begon met uiteen te zetten dat het overeenkomen van cao’s enkel voor zelfstandigen uit den boze is, dat het mededingingsrecht zich daar uitdrukkelijk tegen verzet. Vervolgens benut hij echter zijn wat vrijere rol in de rechtsgang om uiteen te zetten dat op de arbeidsen dienstenmarkt ten aanzien van werknemers en zelfstandigen in de loop der tijd wel het een en ander is veranderd. Hij onderscheidt zelfstandigen die volledig als ondernemer werken, maar ook zelfstandigen die zich nauwelijks in iets anders dan hun formele contract onderscheiden van werknemers. Hij tipt als het ware de sociaal-politieke kant van de problematiek aan, waarmee hij ook aandacht toont voor het risico van onderbieding. Maar, zo stelt hij: ‘Het loutere feit dat sommige zelfstandigen zich in een situatie kunnen bevinden die, economisch gezien, bepaalde kenmerken gemeen heeft met die van werknemers, rechtvaardigt geen volledige en a-priorigelijkstelling van de twee categorieën economische actoren’.[9] Hij houdt vast aan de eis dat de cao de belangen van de werknemers moet bevorderen en niet die van de zelfstandigen, ook niet als zij zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden. De A-G stelt dat de mogelijkheid voor werkgevers om werknemers te vervangen door andere personen op wie zij de arbeidsvoorwaarden van de toepasselijke cao niet hoeven toe te passen, de onderhandelingspositie van werknemers aanmerkelijk kan verzwakken. Hoe zouden werknemers bijvoorbeeld geloofwaardig loonsverhoging kunnen vragen wanneer zij weten dat zij gemakkelijk en snel kunnen worden vervangen door zelfstandigen die hetzelfde werk vermoedelijk voor een lagere beloning zouden doen? Dat is exact de casus van de remplaçanten-cao. Indien werknemers derhalve niet over een zekere bescherming tegen sociale dumping beschikken, zouden hun vermogen en prikkel om collectieve onderhandelingen met werkgevers te voeren ernstig worden verzwakt. Vanuit die optiek kan de mogelijkheid voor werknemers om in cao’s bepalingen op te nemen die het behoud van een bepaald aantal arbeidsplaatsen in de ondernemingen van de werkgevers moeten garanderen, worden beschouwd als een noodzakelijk vereiste om daadwerkelijk te kunnen onderhandelen over verbeteringen van andere werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden. Om al deze redenen acht de A-G het voorkómen van sociale dumping een doel dat legitiem kan worden nagestreefd door een collectieve overeenkomst die bepalingen bevat die zien op zelfstandigen en kan het ook tot de essentiële onderdelen behoren waarover wordt onderhandeld. Op grond daarvan komt hij tot de slotsom dat cao-bepalingen waarover namens en in het belang van de werknemers is onderhandeld die ertoe strekken sociale dumping te voorkomen, in beginsel moeten worden geacht hun werkgelegenheidsen arbeidsvoorwaarden rechtstreeks te verbeteren in de zin van de Albany -rechtspraak.[10]

De conclusie van de A-G bracht de FNV weliswaar niet in jubelstemming, want verkoop het vel van de beer niet voor deze geschoten is, maar de conclusie bood toch wel veel hoop voor een positieve uitspraak van het hof. Een algemeen geldend recht om voor zelfstandigen te mogen onderhandelen werd niet erkend, maar daar was ook helemaal niet om verzocht. Uiteraard wist FNV dat dat een brug te ver zou zijn geweest. Maar de conclusie dat de vakbonden in cao’s minimumtarieven mochten opnemen in het belang van de werkgelegenheid en verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor de werknemers, teneinde sociale dumping tegen te gaan was precies wat werd beoogd.

8. Arrest C-413/13 van het HvJ EU

De uitspraak van het HvJ EU volgde al binnen twee maanden. Aan sociaal-politieke uiteenzettingen waagde het zich niet, de term sociale dumping komt in de uitspraak niet voor. Maar al is het wat indirecter, het hof toont wel dat ze gevoelig is voor de argumenten van de A-G over de veranderende rol van zelfstandigen ten opzichte van de werknemers op de arbeidsmarkt. Ten aanzien daarvan merkt het hof op dat het eerder heeft gepreciseerd dat de kwalificatie als ‘zelfstandige’ naar nationaal recht niet uitsluit dat een persoon moet worden aangemerkt als ‘werknemer’ in de zin van het recht van de Unie, indien zijn zelfstandigheid slechts fictief is en dus een echte arbeidsverhouding verhult.[11] Daarmee lijkt het hof te duiden op de werkenden die in het algemeen spraakgebruik ‘schijnzelfstandigen’ worden genoemd. Daarmee wordt over het algemeen bedoeld werkenden die met recht een arbeidsovereenkomst zouden kunnen claimen als ze hun overeenkomst aan de rechter zouden voorleggen. Echter, het hof duidt een andere categorie: ‘aan de status van “werknemer” wordt in de zin van het recht van de Unie niet afgedaan door het feit dat een persoon naar nationaal recht op fiscale, administratieve of bureaucratische gronden als zelfstandige is aangeworven, voor zover die persoon onder leiding van zijn werkgever handelt wat betreft onder meer de vrijheid om zijn tijdschema en de plaats en de inhoud van zijn werk te kiezen, hij niet deelt in de commerciële risico’s van die werkgever en hij tijdens de duur van de arbeidsverhouding is opgenomen in de onderneming van die werkgever, waarmee hij een economische eenheid vormt’.[12] Het betreft hier dus niet schijnzelfstandigen die eigenlijk werknemer zijn, maar zelfstandige opdrachtnemers die op opdrachtovereenkomst werken, maar in zekere mate afhankelijk zijn, vergelijkbaar met werknemers die onder een gezagsrelatie werken. In de Engelse versie van het arrest spreekt het hof ook niet van ‘ bogus self-employed ’, als gebruikelijk, maar van ‘ false selfemployed ’. Zij hebben niet ‘eigenlijk’ als slachtoffer van een schijnconstructie een arbeidsovereenkomst krachtens art. 7:610 BW. Maar ook met hun opdrachtovereenkomst vallen zij, mits hun feitelijke arbeidsrelatie voldoet aan de hierboven genoemde omschrijving, binnen het werknemersbegrip. Ondanks hun juridische verbintenis als zelfstandig opdrachtnemer, zo stelt het hof, zijn zij geen ondernemer. Om die reden – hun EU-werknemerschap als het ware – is hun belang, net als het belang van de werknemers met wie ze zij-aan-zij werken, het werknemersbelang dat door vakbonden in de cao-onderhandelingen mag worden verdedigd. Met andere woorden, het hof laat zich eigenlijk niet uit over de reikwijdte van de cao-exceptie, maar verbreedt de categorie werknemers met de hierboven omschreven groep opdrachtnemers.

9. De verwijzingsuitspraak

Het is vervolgens weer aan het Hof ’s-Gravenhage vast te stellen of de remplaçanten voldoen aan de omschrijving schijnzelfstandigen in de zin van het arrest.[13] Het hof beschrijft hen als ‘dienstverleners wier situatie vergelijkbaar is met werknemers’. Op grond van de feitelijke omschrijving die weergeeft hoe remplaçanten hun werkzaamheden verrichten komt het tot de conclusie dat zij binnen de criteria van de uitspraak vallen en dus ‘schijnzelfstandigen in de zin van het arrest’ zijn. Hij (de remplaçant) bevindt zich gedurende de contractuele relatie feitelijk in een ondergeschiktheidsrelatie, moet alle instructies van de dirigent opvolgen, mag zich voor repetities of uitvoeringen niet laten vervangen, enzovoort. De Staat voerde nog aan dat de remplaçant vrij is om de relatie al dan niet aan te gaan, maar daarop merkt het hof op dat dit voor de werknemers bij het orkest ook geldt, remplaçant of niet.

Impliciet werpt dit uiteraard de vraag op waarom er sprake is van de inzet van remplaçanten als opdrachtnemer. Het orkest zou ze bij zulke identieke belangen dan toch ook allemaal als werknemer aan kunnen nemen? Ook daar gaat het hof op in. Weliswaar is in beide gevallen sprake van een afhankelijkheidsrelatie en een vorm van gezag, maar het gezag van een werkgever over een werknemer is ondanks de overeenkomsten van verschillende aard. Partijen bij de arbeidsrelatie moeten zelf vaststellen of sprake is van de ‘gezagsverhouding’ in het kader van art. 7:610 BW, of de ‘instructiebevoegdheid’ van art. 7:402 BW. De in opdracht werkende remplaçant zal wellicht ook voor andere opdrachtgevers willen kunnen werken, of zonder een in het arbeidsrecht gebruikelijk nevenbeding zijn eigen bedrijfsactiviteiten moeten kunnen uitvoeren. De instructiebevoegdheid van de opdrachtgever is immers, anders dan in geval van de gezagsbevoegdheid binnen de arbeidsovereenkomst, beperkt tot aanwijzingen binnen het kader van de opdracht. De reikwijdte van de gezagsbevoegdheid van de arbeidsovereenkomst is veel breder en strekt zich uit tot buiten de directe werkzaamheden. Deze zou de opdrachtnemer dan ook kunnen hinderen in het ontplooien zijn overige ondernemingsactiviteiten.

Ten aanzien van de eis van FNV dat de NMa, inmiddels ACM, de standpunten in het visiedocument bijstelt oordeelt het hof dat: ‘aangenomen mag worden dat de partijen die het aangaat inmiddels met dat arrest bekend zullen zijn. Voor zover dat niet het geval is staat niets FNV in de weg dat FNV dergelijke partijen zelf inlicht.’ Die eis werd derhalve afgewezen. In praktijk leidt dit echter tot problemen, zowel de ACM en in navolging daarop ook het ministerie van SZW hebben hun beleid en praktische handreikingen nog op geen enkele wijze aangepast aan het arrest. Bij verzoeken tot algemeen verbindend verklaren wordt nog verwezen naar het Visiedocument 2007.

10. Conclusie

In het kader van het mededingingsrecht heeft het HvJ EU als het ware laten zien dat er in het EU-recht wel licht bestaat tussen de zelfstandige opdrachtnemer die een onderneming vormt en de werknemer. Er is een categorie werkenden erkend die weliswaar met de (in mijn ogen ten onrechte) beschrijving ‘schijnzelfstandigen’ wordt geduid, maar eigenlijk beter als ‘afhankelijke opdrachtnemers’ kan worden getypeerd. Dat is een potentieel brede groep die alle zzp’ers behelst die in ondernemingen werken waar dezelfde activiteiten ook door werknemers worden gedaan. Deze ontwikkeling zou aanleiding moeten geven om de wet- en vooral de regelgeving aan te passen. Vooralsnog zijn daar geen tekenen van te vinden. Dat is spijtig, want daardoor ontberen vele werkenden rechten die hen meer zekerheid zouden verschaffen en wordt de concurrentie tussen werkenden in stand gehouden. Er zijn nieuwe cao’s op komst met afhankelijke opdrachtnemers. We kunnen alleen maar hopen dat er niet weer een rechtsgang van jaren nodig is om deze werkenden de bescherming van een cao te bieden. Het arrest biedt vooralsnog geen oplossing voor zelfstandigen die niet zij-aan-zij werken met werknemers. Er moet altijd een verband zijn met de voor werknemers te beschermen belangen. Ondanks het feit dat de onderhandelingspositie van deze zelfstandigen even slecht, of misschien nog slechter is. Op 23 juni jl. nam de Tweede Kamer een breed gesteunde motie aan, waarin werd bepleit dat kunstenaars over hun opdrachten onderling afspraken moeten kunnen maken om een positie ten opzichte van de opdrachtgevers te verwerven. Een praktijk die in andere EU landen wel is toegestaan maar hier door de ACM als mededinging beperkend wordt beschouwd. Niemand zal stellen dat dit eigenlijk werknemers of schijnzelfstandigen zijn, maar iedereen ziet dat ze bepaalde met de arbeid samenhangende risico’s lopen, die zeer vergelijkbaar zijn met die van werknemers. Het lijkt logisch om aan die werkenden passende bescherming te bieden. De politiek is echter duidelijk nog niet zo ver.

11. Noten

1. Prof. mr. K. Boonstra is hoogleraar Internationaal Sociaal recht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en was op het moment van schrijven van dit artikel tevens beleidsjurist bij de FNV.

2. Cao-tariefbepalingen voor zelfstandigen en de Mededingingswet Visiedocument van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, Den Haag, december 2007 

3. R.o. 7 en 8.

4. M.S. Wirtz, Collisie tussen CAO's en mededingingsrecht, 2006, Kluwer: Deventer ISBN 90 13 03973 1.

5. Welk werknemersbegrip overigens op grond van een aantal arresten van het HvJ EU veel breder is dan dat van art. 7:610 BW. Bijv. Kempf, HvJ EG, 3 juni 1986, C-139/85, ECLI:EU:C:1986:223.

6. Zie noot 1, p. 12.

7. Zie noot 1, p. 17.

8. Conclusie van A-G N. Wahl van 11 september 2014, C-413/13, ECLI:EU:C:2014:2215, FNV Kunsten Informatie en Media tegen de Staat der Nederlanden.

9. R.o. 58.

10. Arrest van het Hof van 21 september 1999. Albany International BV tegen Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie. C-67/96, ECLI:EU:C:1999:430.

11. C-413/13, r.o. 35.

12. C-413/13, r.o. 36.

13. Hof Den Haag 1 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2305.

 

Titel, auteur en bron

Titel

Onderhandelen voor afhankelijke zelfstandigen, de lessen van het arrest C-413/13 FNV Kiem/de Staat der Nederlanden

Permanente link

Huidige versie

https://www.openrecht.nl?jcdi=JCDI:ALT35:1